HC 1
Stimuli is hier bottoms-up en
geheugen en georganiseerde
kennis is top-down.
Thema’s in boek:
- Gelimiteerde capaciteit en motivatie
Onze hersenen kunnen maar een beperkte hoeveelheid informatie tegelijk verwerken. Dit
heet gelimiteerde capaciteit. Je kunt het vergelijken met een soort werkgeheugen of
spotlight – er past maar zoveel in. Daarom kiezen we onbewust welke informatie we wél of
niet aandacht geven. Hier komt motivatie om de hoek kijken: waar je gemotiveerd voor
bent, daar richt je je aandacht eerder op. Dus iemand die moe is of ergens geen zin in heeft,
verwerkt dingen ook minder grondig.
- Bottom up (wat je ziet) vs. Top-down (voorkennis; niet iedereen is lief) informatie
Bottom-up: Dit is wat je zintuigen direct waarnemen. Het komt “van buitenaf”. Je ziet iets,
hoort iets – en je hersenen reageren op wat er op dat moment gebeurt.
Top-down: Dit komt “van binnenuit” – je voorkennis, verwachtingen of overtuigingen
beïnvloeden wat je waarneemt of hoe je het interpreteert.
- Automatische vs. gecontroleerde (meer een zoekproces in je geheugen) verwerking
Automatisch: Dit gebeurt snel, onbewust, en zonder veel moeite. Zoals lezen, of fietsen –
dingen die je vaak doet.
Gecontroleerd: Dit kost aandacht en moeite. Je moet echt actief zoeken in je geheugen of
nadenken.
Als een stimulus aandacht krijgt, wordt deze verder verwerkt.
Doel-relevantie = stimuli trekken meer aandacht (bijv. een foto zien van sigaretten als je
verslaafd bent zal meer aandacht trekken dan als je niet verslaafd bent).
Effect van hoe betrouwbaar je iemand vindt, is meestal gebaseerd op hoe ‘’lokaal’’ ze
eruitzien.
Een completer model:
Model: betrouwbaarheid = lokale gemiddeldheid + subtiele emotioneel expressie
- Lokale gemiddeldheid is wellicht signaal van groep of cultuur
- Subtiele emotionele expressies zijn misschien een signaal van gedragsintenties
,Beoordeling van betrouwbaarheid is gebaseerd op emotionele expressie en
aantrekkelijkheid:
Hoe blijer en gemiddelder; hoe betrouwbaarder.
Het verschil tussen neutraal en blij is maar klein, dus betrouwbaarheid is minder afhankelijk
van emotioneel expressie.
Zijn deze accuraat?
Nee, mensen hebben een idee over hoe betrouwbaar een gezicht ERUIT ziet, maar dit zegt
niks over hoe betrouwbaar deze persoon eigenlijk is.
Waarom doen we het dan? Als het niet accuraat is
We moeten toch een beslissing moeten nemen en je gebruikt dan wat er op dat moment
beschikbaar voor je is. Je hebt niet altijd tijd om onderzoek te doen. Gebrek aan capaciteit of
motivatie om diep te verwerken, dus short cut (GB&F thema 1)
Error Management Theory = een evolutionair-psychologische theorie die stelt dat
mensen bij het maken van beslissingen onder onzekerheid vaak fouten maken en dat
dit niet per se slecht is. In sommige situaties is het evolutionair gezien namelijk beter
om een bepaald soort fout te maken dan een andere.
- False positive (vals alarm) = je denkt dat er gevaar of iets belangrijks is, maar dat is er
niet.
Bijvoorbeeld: je denkt dat je een slang ziet, maar het is een stok.
- False negative (gemiste kans/gevaren onderschatten) = je denkt dat er geen
probleem is, maar er is er wel een.
Bijvoorbeeld: je denkt dat het een stok is, maar het is een slang.
In evolutionaire zin is het veiliger om onterecht bang te zijn (vals alarm) dan om een
roofdier te negeren. Daarom zijn mensen geneigd om vaker vals alarm te slaan bij
potentieel gevaar.
Over generalisatie (Zebrowitz) = reageren op subtiele kenmerken die diagnostisch zijn voor
baby’s of emoties bijvoorbeeld. Want; fout om niet te reageren op die kenmerken brengt
groter nadeel voor individu dan wel reageren.
Overgeneralisatie betekent dat mensen sterk reageren op bepaalde uiterlijke kenmerken,
ook al zijn die kenmerken niet per se betekenisvol in de specifieke context. Ze reageren erop
alsof het iets belangrijks zegt, omdat het in andere situaties wél vaak betekenisvol was.
Babyface:
Dezelfde inferenties als bij baby’s: fysiek zwak, submissief, naïef.
Consequenties: interpersoonlijke interacties, banenkansen, in de rechtbank (babyface ->
lichtere straf).
Gezichten zijn een van de belangrijkste bronnen van informatie die er is
- Bij eerste indrukken
- Tijdens interacties
Evolutionair perspectief op expressies
- Expressies hebben een signaalfunctie
- Maar zender en ontvanger moeten apart de capaciteit voor het signaal evolueren
- Het zenden van het signaal van het signaal is op zichzelf al adaptief voor de zender
, Evolutie van signaal (Suskind et al.):
- Angst vergroot senorische input
- Walging verkleint sensorische input
Dit komt je overlevingskansen ten goede. En imitatie leidt tot evolutie signaal (hoewel het
nooit als signaal bedoeld was).
Er is dus een controverse:
Expressies reflecteren
- Interne staten vs. geëvolueerde signalen die overlevingskans vergroten
Waarheid zit waarschijnlijk ergens in het midden, sommige expressies reflecteren
interne staten.
HC 2
Ons geheugen is niet objectief, het heeft te maken met herinnering en dan maak je een
reconstructie. Als dit heel erg kortgeleden is dan kan je het beter onthouden, maar wat je
uiteindelijk doet is een reconstructie maken met categorieën maken en dan maak je een
waarschijnlijkheid of het woord erbij hoort.
Het is geen objectief plaatje maar een reconstructie.
Volgens onderzoek zou je informatie onthouden die je in je hoofd groepeert met het
stereotype van die persoon. Stereotypische woorden kan je dus beter onthouden. Als je dan
een test doet die past bij het stereotype heb je meer cognitieve informatie over om de eerste
test te onthouden.
Dit heeft dus te maken met de cognitieve capaciteit.
POLICE OFFICER DILEMMA
Politieagenten moeten soms een snelle beslissing maken met zwaarwegende gevolgen:
- Categorisatie beïnvloedt hun gedrag
- Correll et al. (2002)
gun: shoot!
no gun: do not shoot!
ESSIEN ET AL (2017): AVOIDANCE BIAS
Replicatie/extensie:
- In andere setting: Duitsland (ipv V.S.)
- Met andere groepen: Arabische Moslims en Turken (ipv Zwarte Amerikanen)
- Met ander gedrag: vermijding (ipv schieten)
Resultaat: snellere reactie bij Turken dus er zijn stereotypische verschillen.
TOEPASSING: OOGGETUIGENVERKLARINGEN
The most common cause of wrongful convictions in our judicial system is
mistaken identification.