at → vaardigheden/talenten
good at, bad at, brilliant at
➝ She is good at English.
about → gevoelens/emoties
angry about, nervous about, excited about
➝ He is nervous about the test.
of → ook bij gevoelens
afraid of, proud of
➝ She is afraid of spiders.
to → gedrag of relaties
nice to, rude to, married to
➝ He was kind to me.
for → effect of oorzaak
good for, bad for, famous for, responsible for
➝ Exercise is good for you.
in → interesse of betrokkenheid
interested in, experienced in, involved in
➝ She is interested in design.
with → houding of relatie met iets of iemand
angry with, happy with, satisfied with, familiar with
➝ I’m happy with the result.
- ED VS -ING BIJVOEGLIJKE NAAMWOORDEN
-ed → beschrijft hoe iemand zich voelt (gevoel)
bored, interested, tired, surprised
➝ She was bored during the lesson.
- Eindigt op een medeklinker en -y dan wordt de y vervangen door i to fry – fried
-ing → beschrijft wat die emotie veroorzaakt (oorzaak)
boring, interesting, tiring, surprising
➝ The lesson was boring.
LIDWOORDEN (A, AN, THE)
1. Beroepen → altijd “a” of “an”
He is a teacher.
She is an architect.
2. Enkelvoudige zelfstandige naamwoorden → altijd met lidwoord
Eerste keer of algemeen → a/an
➝ I saw a good film.
Bekend of uniek → the
➝ I’m walking the dog.
3. a of an?
a voor medeklinkerklank → a cat
an voor klinkerklank → an hour
,4. Algemeen → géén lidwoord (bij meervoud of ontelbaar woord)
Birds eat worms.
Water freezes at 0°C.
5. Specifieke groep → “the”
We saw the kangaroos at the zoo.
Gebruik geen “the” bij dingen in het algemeen.
➝ Kangaroos can jump far
LIDWOORDEN IN UITDRUKKINGEN & PLAATSNAMEN
1. Geen lidwoord bij veelvoorkomende uitdrukkingen:
➝ in bed, at work, at home
➝ at school/university/prison/hospital (als je er bent als student/patiënt enz.)
2. Wel lidwoord als het gaat om bezoek:
➝ I went to the school to talk to the teacher.
3. Geen lidwoord bij:
Continenten, meeste landen, steden, meren, bergen, universiteiten
➝ Asia, Peru, New York, Lake Victoria, Mount Everest
4. Wel lidwoord bij:
Landen met "United", eilandgroepen en uitzonderingen
➝ the Netherlands, the USA, the Bahamas
Oceanen, zeeën, rivieren, bergketens
➝ the Atlantic, the Nile, the Alps
Universiteiten met “of” of “the”
➝ the University of Tokyo, the University of Cape Town
VERGELIJKINGEN MET BIJVOEGELIJKE NAAMWOORDEN
1. 1 lettergreep + -er
➝ clean → cleaner, slow → slower
eindigt het woord op -e? ➝ voeg -r toe, safe → safer
Klinker + medeklinker? ➝ medeklinker verdubbelen, big → bigger, hot → hotter
2. 2 of meer lettergrepen:
eindigt op -y? ➝ -y wordt -ier
happy → happier, noisy → noisier
anders ➝ gebruik more + bijvoeglijk naamwoord
dangerous → more dangerous, stressful → more stressful
3. Onregelmatige vormen:
good → better
bad → worse
far → further/farther
4. Than gebruiken bij vergelijking:
➝ this car is faster than that one.
GEBRUIK VAN ‘THAT’
Na een zelfstandig naamwoord (als betrekkelijk voornaamwoord):
➝ The movie that we watched was great. (= die/dat)
, Na werkwoorden van denken, zeggen, vinden, etc.:
➝ I think that she’s right. (= dat)
➝ In spreektaal mag je “that” vaak weglaten.
Voor extra uitleg of reden:
➝ The fact that he’s late doesn’t surprise me.
INFINITIEF VOOR DOEL (TO + HELE WERKWOORD
We gebruiken de infinitief met "to" om een doel of reden aan te geven
(antwoord op “waarom?”).
➝ I study to improve my English.
(= Ik studeer om mijn Engels te verbeteren.)
➝ He runs every day to stay fit.
(= Hij rent elke dag om fit te blijven.)
➝ She went to the shop to buy milk.
(= Ze ging naar de winkel om melk te kopen.)
A, SOME, ANY, MUCH, MANY
Telbare zelfstandige naamwoorden (apple, chair, friend)
a/an → bij één ding (positieve zin) ➝ I ate an apple.
some → bij meerdere (positieve zin) ➝ I have some friends in New York.
any → bij ontkenningen of vragen ➝ I don’t have any chairs. / Do you have any
books?
how many → bij vragen ➝ How many chairs do we need?
Ontelbare zelfstandige naamwoorden (milk, bread, information)
some → in positieve zinnen ➝ There is some milk in the fridge.
any → bij ontkenningen of vragen ➝ I don’t have any sugar. / Is there any coffee?
how much → bij vragen ➝ How much water do you drink?
Bij aanbod of verzoek:
Gebruik some
➝ Would you like some chocolate?
➝ Can we get some more chairs, please?
Alot of (veel van iets)
Werkt bij telbaar én ontelbaar: ➝ A lot of apples / A lot of snow
In vragen of ontkennende zinnen:
➝ Not many carrots (telbaar)
➝ Not much water (ontelbaar)
’S VOOR BEZIT (POSSESSIVE ’S)
• gebruik ’s om te laten zien dat iets van iemand is.
➝ this is maria’s bag.
• gebruik ’s na een naam of zelfstandig naamwoord in enkelvoud.
➝ my brother’s bike is red.
➝ amira’s keys are missing.
• bij meervoud dat eindigt op -s, komt de apostrof achter de -s.
➝ my parents’ house is big.
➝ the twins’ school is closed.