GEACTUALISEERDE VERSIE APRIL 2026: PARAGRAAF 71a (HOOFDSTUK 8),
VAN DE BV EN DE NV, P. VAN SCHILFGAARDE E.A.,
UITSLUITEND TEN BEHOEVE VAN HET VAK ONDERNEMINGSRECHT 2,
RIJKSUNIVERSITEIT GRONINGEN (STUDIEJAAR 2025-2026)
Raad van commissarissen
[…]
71a De structuurvennootschap
De structuurregeling is in 1971 ingevoerd met de centrale doelstelling om bij grotere
vennootschappen de factor arbeid naast de factor kapitaal een rol te geven in de governance van
de vennootschap, door de OR een aanbevelingsrecht te geven bij de benoeming van
commissarissen. In de oorspronkelijke opzet benoemde de RvC van de structuurvennootschap
zichzelf (coöptatie) met een aanbevelingsrecht en geclausuleerd vetorecht voor zowel de OR
als de AVA. De oude regeling had feitelijk een zeker beschermingskarakter, bestuur en RvC
werden in grote mate beschermd tegen invloed door aandeelhouders. In 2004 is dit systeem van
coöptatie verlaten, ook bij de structuurvennootschap benoemt de AVA de leden van de RvC,
maar de OR heeft een bijzonder aanbevelingsrecht. De structuurregeling wringt daardoor
minder met moderne governance-inzichten. Een belangrijk element waarmee de
structuurregeling zich positief onderscheidt van vergelijkbare medezeggenschapsregimes in het
buitenland is dat werknemers en vakbondsvertegenwoordigers niet zelf commissaris kunnen
zijn, art. 2:270 (160). Ook de door de OR voorgedragen commissarissen zijn in deze zin
onafhankelijk. Het voorkomt ook een zekere fractievorming binnen de RvC, tussen werknemer-
commissarissen en aandeelhouder-commissarissen, zoals in het buitenland dikwijls de praktijk
is. Dit bevordert het evenwichtig functioneren van de RvC.
In voorgaande drukken van het boek werden onderdelen van de regeling in hoofdstuk 15 zeer
uitgebreid uiteengezet. De regeling en haar toepassing geven in de praktijk weinig stof voor
discussie. Ik geef daarom hier de hoofdlijnen van de regeling weer. Voor verdere details, met
inbegrip van casuïstiek over de toepassing van de regeling, over vrijstelling en het verzwakt
regime, verwijs ik naar hoofdstuk 15 in de voorgaande drukken. Zeer uitgebreid is ook Asser/
Nieuwe Weme & Salemink 2-IIb 2025/H 5.
1. Toepassing van het structuurregime
Een vennootschap die voldoet aan de criteria van art. 2:263 (153) lid 2 moet daarvan opgaaf
doen bij het handelsregister. Het gaat om de volgende criteria:
a. het geplaatste kapitaal samen met de reserves volgens de balans met toelichting bedraagt
ten minste € 16 miljoen (dit bedrag kan bij koninklijk besluit worden verhoogd);
b. de vennootschap of een afhankelijke maatschappij heeft krachtens wettelijke verplichting
een OR ingesteld;
1
,c. bij de vennootschap en haar afhankelijke maatschappijen samen, zijn in de regel ten minste
honderd werknemers in Nederland werkzaam.
Een afhankelijke maatschappij is een rechtspersoon waaraan de vennootschap of een of meer
afhankelijke maatschappijen alleen of samen voor eigen rekening ten minste de helft van het
geplaatste kapitaal verschaffen en een personenvennootschap met een onderneming waarvan
de vennootschap of een of meer afhankelijke maatschappijen volledig aansprakelijk vennoot is,
art. 2:262 (152). Dochtermaatschappijen en groepsmaatschappijen zullen in de regel ook
afhankelijke maatschappijen zijn voor de toepassing van de structuurregeling.
Een vennootschap die aan de criteria van art. 2:263 (153) lid 2 voldoet moet daarvan opgaaf
doen bij het handelsregister. Indien de opgaaf drie jaren onafgebroken is ingeschreven gelden
van rechtswege de bijzondere structuurbepalingen in art. 2:268-274 (158-164). Voldoet de
vennootschap niet meer aan de criteria dan moet zij de inschrijving doorhalen. De bijzondere
bepalingen verliezen pas hun kracht wanneer drie jaren zijn verstreken na de doorhaling en de
vennootschap gedurende die termijn niet opnieuw tot het doen van opgaaf is verplicht geweest,
art. 2:264 (154) lid 2. De vennootschap moet haar statuten in overeenstemming brengen met de
wettelijk geldende bepalingen, lid 3.
2. Benoeming van commissarissen
De structuurvennootschap kent verplicht een RvC, tenzij voor een monistisch bestuursmodel
(one-tier board) is gekozen, zie nr. 43. In dat geval gelden de bepalingen van de
structuurregeling voor de benoeming van de niet-uitvoerende bestuurders, art. 2:274a (164a).
Zie Holtzer, ‘De structuurvennootschap en de one-tier board’, in: Bestuur en Toezicht, 2009,
IVO, nr. 67.
De benoemingsprocedure voor commissarissen van de structuurvennootschap is beschreven
in art. 2:268 (158) BW. De hoofdregel staat in lid 4: de AVA benoemt de commissarissen op
voordracht van de RvC. De AVA en de OR kunnen aan de RvC kandidaten aanbevelen die door
de RvC op de voordracht kunnen worden geplaatst, lid 5. Dit aanbevelingsrecht staat los van
het bijzondere aanbevelingsrecht van de OR, dat ik hierna onder 3. behandel. De AVA kan met
een gewone meerderheid besluiten de voordracht van de RvC over te nemen. Voor afwijzing is
een besluit nodig met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen, die ten minste een
derde van het geplaatst kapitaal vertegenwoordigt, lid 9. Indien wel een volstrekte meerderheid
voor afwijzing stemt maar deze niet de vereiste een derde van het kapitaal vertegenwoordigt,
kan een tweede vergadering worden gehouden waarin de voordracht zonder meer met een
volstrekte meerderheid kan worden afgewezen. Indien de voordracht wordt afgewezen moet de
RvC een nieuwe voordracht maken, lid 9 derde zin. De AVA is in dat geval dus niet vrij om
zelf iemand te benoemen.
De AVA kan haar aanbevelingsrecht laten uitoefenen door een aandeelhouderscommissie
waarvan de AVA de leden aanwijst, telkens voor een periode van twee jaar, lid 10.
Van de wettelijke procedure kan worden afgeweken, met uitzondering van de plicht om een
RvC in te stellen, het opmaken van een profielschets en de besluitvorming in de AVA over
afwijzing van de voordracht. Afwijking vereist een wijziging van de statuten waarover de AVA
beslist en die voorafgaande goedkeuring van de RvC en toestemming van de OR vereist, lid 12.
3. Bijzonder aanbevelingsrecht OR
De OR heeft een bijzonder aanbevelingsrecht ten aanzien van de benoeming van een derde van
de leden van de RvC, lid 6. Anders dan bij art. 2:142b (evenwichtige man-vrouw verdeling in
de RvC van een beursvennootschap) wordt de uitkomst hier naar beneden afgerond. Bij een
RvC met bijvoorbeeld drie, vier of vijf leden geldt het bijzonder aanbevelingsrecht van de OR
2
,steeds voor één lid. De RvC plaatst de door de OR aanbevolen kandidaat op de voordracht aan
de AVA, tenzij de persoon ongeschikt zal zijn voor de vervulling van de taak van commissaris
of de RvC bij benoeming niet naar behoren zal zijn samengesteld. Bij een dergelijk bezwaar
van de RvC moet hij overleg voeren met de OR. Leidt dit niet tot een oplossing dan kan de RvC
de Ok vragen het bezwaar gegrond te verklaren, lid 7. Indien de AVA de voordracht met de
door de OR aanbevolen kandidaat afwijst moet de RvC een nieuwe voordracht doen waarvoor
de OR weer zijn bijzonder aanbevelingsrecht kan uitoefenen. Ik wijs hier nog op artikel 2:160a
voor de NV: personen die op bijzondere aanbeveling van de OR zitting hebben in de RvC
maken steeds deel uit van de remuneratiecommissie van de RvC, indien deze is ingesteld en de
RvC de bezoldiging van bestuurders vaststelt op basis van art. 2: 135 lid 4. Vreemd genoeg is
deze bepaling niet overgenomen voor de BV en ook niet voor de beursgenoteerde BV, hoewel
op die laatste vennootschap wel een veelheid van bepalingen uit het NV recht van toepassing
is, waaronder art. 2:135 lid 4, en de bepalingen van art. 2:135a en 135b over beloningsbeleid
en beloningsverslag, zie art. 2:187. Ik meen dat dit een omissie is en ga ervan uit dat het
voorschrift van art. 2:160a ten minste ook bij de beursgenoteerde BV moet worden toegepast.
4. Schorsing en ontslag van commissarissen
Een commissaris treedt af uiterlijk vier jaren na zijn benoeming, art. 2:271 (161), en kan dan
worden herbenoemd. Een dergelijke bepaling geldt niet in het algemeen voor commissarissen,
al is het wel een mede door de Corporate Governance Code voorgeschreven praktijk (zie nr. 71
hiervoor). Een individuele commissaris kan alleen door de Ok worden ontslagen, op verzoek
van de vennootschap zelf, vertegenwoordigd door de RvC, op verzoek van de AVA of
aandeelhouderscommissie, vertegenwoordigd door een ad hoc aangewezen vertegenwoordiger,
en op verzoek van de OR, doorgaans vertegenwoordigd door zijn voorzitter. Het gaat om
uitzonderlijke gevallen, zie bijv. Ok 4 oktober 2023, JOR 2023/288.
De AVA kan het vertrouwen in de gehele RvC bij besluit opzeggen, art. 2:271a (161a). Dit
besluit vereist een volstrekte meerderheid die ten minste een derde van het geplaatste kapitaal
vertegenwoordigt. De OR moet daarvan tevoren in kennis worden gesteld en een standpunt
kunnen bepalen. Het besluit leidt tot het onmiddellijke ontslag van alle commissarissen, lid 3.
Het bestuur moet daarop de Ok verzoeken tijdelijk een of meer commissarissen te benoemen,
die een nieuwe benoemingsprocedure in gang zetten. Zie bijv. de uitspraak van de Ok van 3
mei 2021, JOR 2021, 242, m.nt. De Nijs Bik (Flynth). Het besluit van de AVA kan door de
rechter worden getoetst aan art. 2:14 en 2:15. Ook kan in een enquêteprocedure bij wijze van
onmiddellijke voorziening de stemming over het opzeggen van het vertrouwen worden
verboden, zie Ok 17 januari 2007, JOR 2007, 42 (Stork), m.nt. Leijten.
5. Taak en bevoegdheid RvC
De RvC heeft twee aanvullende bevoegdheden boven de algemene taak en bevoegdheid van
een RvC:
1. Benoeming en ontslag van bestuurders, art. 2:272 (164). Is toepassing gegeven aan de one-
tier board dan benoemen de niet-uitvoerende bestuurders de uitvoerende bestuurders, art.
2:274a lid 2 (164a lid 2). Ik ga ervan uit dat een dergelijk besluit heeft te gelden als een
besluit van het bestuur, aan welke besluitvorming de uitvoerende bestuurders niet mogen
deelnemen. De benoeming van bestuurders kan niet door enige bindende voordracht
worden beperkt. De AVA moet in kennis worden gesteld van een voorgenomen benoeming
van een bestuurder. De RvC kan een bestuurder pas ontslaan nadat de AVA over het
voorgenomen ontslag is gehoord. Indien de RvC dit verzuimt, is het ontslagbesluit nietig,
zie nr. 95. De RvC kan het oordeel van de AVA wel naast zich neer leggen. Art. 2:272
(162) zegt niets over de bezoldiging van bestuurders. De gewone regels zijn daarop
3
, derhalve van toepassing, art. 2:245 (135) en voor de beursvennootschap art. 2:135a en
135b.
2. Goedkeuring van bepaalde categorieën van bestuursbesluiten, art. 2:274 (164). Bij
toepassing van de one-tier board is goedkeuring vereist van de meerderheid van de niet-
uitvoerende bestuurders, art. 2:274a lid 4 (164a lid 4). Deze laatste formulering doet
vreemd aan. De niet-uitvoerende bestuurders nemen in dit geval niet een afzonderlijk
besluit, het gaat bij de bedoelde besluiten om besluiten van het bestuur als orgaan. De
wetgever had kunnen voorschrijven dat bij toepassing van de one-tier board een
meerderheid van de niet-uitvoerende bestuurders voor het bestuursbesluit moet hebben
gestemd, zie ook Asser/ Nieuwe Weme & Salemink 2-IIb 2025/395. Zolang de RvC het
bestuursbesluit niet heeft goedgekeurd, heeft het besluit geen rechtskracht en mag het niet
worden uitgevoerd. Het ontbreken van goedkeuring tast echter de
vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur of bestuurders niet aan, art. 2:274 (164)
lid 3. De in het artikel opgesomde lijst van besluiten is dwingend, de goedkeuring van de
RvC is steeds vereist. De lijst kan wel in de statuten, reglement van de RvC of bij besluit
van de RvC worden uitgebreid.
6.Het structuurregime in concernverhoudingen: vrijstelling en verzwakt regime
De structuurregeling kan op gespannen voet staan met concernverhoudingen. Met de centrale
leiding die een moedermaatschappij over een groep vennootschappen uitoefent is niet te rijmen
dat haar bevoegdheden als aandeelhouder in die vennootschappen door het structuurregime
worden beperkt. Indien het gaat om een internationaal concern kan de bijzondere invloed die
werknemers in Nederland via de OR kunnen uitoefenen op de samenstelling van de RvC
evenzeer wringen. Met het oog daarop heeft de wetgever enkele uitzonderingen in de
structuurregeling opgenomen, in de vorm van volledige vrijstelling en het verzwakt regime.
Volledige vrijstelling houdt in dat de vennootschap die aan de criteria van de structuurregeling
voldoet geen opgaaf bij het handelsregister hoeft te doen, art. 2:263 (153) lid 3 en het
structuurregime in het geheel niet van toepassing op haar wordt. Het verzwakt regime houdt in
dat art. 2:272 (162) en art. 2:274a (164a) lid 2 niet van toepassing zijn: bestuurders (en bij de
one-tier board de uitvoerende bestuurders) worden benoemd door de AVA en niet door de RvC
(en de niet-uitvoerende bestuurders); de overige bepalingen van de structuurregeling gelden
wel, art. 2:265 (155). De toepasselijke bepalingen zijn gecompliceerd en niet altijd eenduidig.
In nr. 146 en 147 in hoofdstuk 15 van de vorige druk worden de regelingen gedetailleerd
uitgelegd, met ingewikkelde voorbeelden. Hier schets ik de hoofdlijnen van vrijstelling en
verzwakt regime.
Volledige vrijstelling wordt gegeven aan:
a. de vennootschap die een afhankelijke maatschappij is van een rechtspersoon
(vennootschap, coöperatie of onderlinge) die onderworpen is aan hetzij het volledig, hetzij
het verzwakt regime;
b. de vennootschap die deel uitmaakt van een internationale groep en daarin uitsluitend de
functie van ‘holding’ vervult;
c. de vennootschap die deel uitmaakt van een internationale groep en daarin uitsluitend de
functie van interne diensten verlenende maatschappij vervult;
d. de 50% of meer ‘joint venture’ van rechtspersonen die onderworpen zijn aan het
structuurregime (volledig of verzwakt) of die afhankelijke maatschappij zijn van zo’n
rechtspersoon.
De vrijstelling onder a geldt voor de afhankelijke maatschappij mits de moedermaatschappij
het structuurregime toepast. In dat geval kan de moedermaatschappij onbelemmerd haar invloed
4
VAN DE BV EN DE NV, P. VAN SCHILFGAARDE E.A.,
UITSLUITEND TEN BEHOEVE VAN HET VAK ONDERNEMINGSRECHT 2,
RIJKSUNIVERSITEIT GRONINGEN (STUDIEJAAR 2025-2026)
Raad van commissarissen
[…]
71a De structuurvennootschap
De structuurregeling is in 1971 ingevoerd met de centrale doelstelling om bij grotere
vennootschappen de factor arbeid naast de factor kapitaal een rol te geven in de governance van
de vennootschap, door de OR een aanbevelingsrecht te geven bij de benoeming van
commissarissen. In de oorspronkelijke opzet benoemde de RvC van de structuurvennootschap
zichzelf (coöptatie) met een aanbevelingsrecht en geclausuleerd vetorecht voor zowel de OR
als de AVA. De oude regeling had feitelijk een zeker beschermingskarakter, bestuur en RvC
werden in grote mate beschermd tegen invloed door aandeelhouders. In 2004 is dit systeem van
coöptatie verlaten, ook bij de structuurvennootschap benoemt de AVA de leden van de RvC,
maar de OR heeft een bijzonder aanbevelingsrecht. De structuurregeling wringt daardoor
minder met moderne governance-inzichten. Een belangrijk element waarmee de
structuurregeling zich positief onderscheidt van vergelijkbare medezeggenschapsregimes in het
buitenland is dat werknemers en vakbondsvertegenwoordigers niet zelf commissaris kunnen
zijn, art. 2:270 (160). Ook de door de OR voorgedragen commissarissen zijn in deze zin
onafhankelijk. Het voorkomt ook een zekere fractievorming binnen de RvC, tussen werknemer-
commissarissen en aandeelhouder-commissarissen, zoals in het buitenland dikwijls de praktijk
is. Dit bevordert het evenwichtig functioneren van de RvC.
In voorgaande drukken van het boek werden onderdelen van de regeling in hoofdstuk 15 zeer
uitgebreid uiteengezet. De regeling en haar toepassing geven in de praktijk weinig stof voor
discussie. Ik geef daarom hier de hoofdlijnen van de regeling weer. Voor verdere details, met
inbegrip van casuïstiek over de toepassing van de regeling, over vrijstelling en het verzwakt
regime, verwijs ik naar hoofdstuk 15 in de voorgaande drukken. Zeer uitgebreid is ook Asser/
Nieuwe Weme & Salemink 2-IIb 2025/H 5.
1. Toepassing van het structuurregime
Een vennootschap die voldoet aan de criteria van art. 2:263 (153) lid 2 moet daarvan opgaaf
doen bij het handelsregister. Het gaat om de volgende criteria:
a. het geplaatste kapitaal samen met de reserves volgens de balans met toelichting bedraagt
ten minste € 16 miljoen (dit bedrag kan bij koninklijk besluit worden verhoogd);
b. de vennootschap of een afhankelijke maatschappij heeft krachtens wettelijke verplichting
een OR ingesteld;
1
,c. bij de vennootschap en haar afhankelijke maatschappijen samen, zijn in de regel ten minste
honderd werknemers in Nederland werkzaam.
Een afhankelijke maatschappij is een rechtspersoon waaraan de vennootschap of een of meer
afhankelijke maatschappijen alleen of samen voor eigen rekening ten minste de helft van het
geplaatste kapitaal verschaffen en een personenvennootschap met een onderneming waarvan
de vennootschap of een of meer afhankelijke maatschappijen volledig aansprakelijk vennoot is,
art. 2:262 (152). Dochtermaatschappijen en groepsmaatschappijen zullen in de regel ook
afhankelijke maatschappijen zijn voor de toepassing van de structuurregeling.
Een vennootschap die aan de criteria van art. 2:263 (153) lid 2 voldoet moet daarvan opgaaf
doen bij het handelsregister. Indien de opgaaf drie jaren onafgebroken is ingeschreven gelden
van rechtswege de bijzondere structuurbepalingen in art. 2:268-274 (158-164). Voldoet de
vennootschap niet meer aan de criteria dan moet zij de inschrijving doorhalen. De bijzondere
bepalingen verliezen pas hun kracht wanneer drie jaren zijn verstreken na de doorhaling en de
vennootschap gedurende die termijn niet opnieuw tot het doen van opgaaf is verplicht geweest,
art. 2:264 (154) lid 2. De vennootschap moet haar statuten in overeenstemming brengen met de
wettelijk geldende bepalingen, lid 3.
2. Benoeming van commissarissen
De structuurvennootschap kent verplicht een RvC, tenzij voor een monistisch bestuursmodel
(one-tier board) is gekozen, zie nr. 43. In dat geval gelden de bepalingen van de
structuurregeling voor de benoeming van de niet-uitvoerende bestuurders, art. 2:274a (164a).
Zie Holtzer, ‘De structuurvennootschap en de one-tier board’, in: Bestuur en Toezicht, 2009,
IVO, nr. 67.
De benoemingsprocedure voor commissarissen van de structuurvennootschap is beschreven
in art. 2:268 (158) BW. De hoofdregel staat in lid 4: de AVA benoemt de commissarissen op
voordracht van de RvC. De AVA en de OR kunnen aan de RvC kandidaten aanbevelen die door
de RvC op de voordracht kunnen worden geplaatst, lid 5. Dit aanbevelingsrecht staat los van
het bijzondere aanbevelingsrecht van de OR, dat ik hierna onder 3. behandel. De AVA kan met
een gewone meerderheid besluiten de voordracht van de RvC over te nemen. Voor afwijzing is
een besluit nodig met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen, die ten minste een
derde van het geplaatst kapitaal vertegenwoordigt, lid 9. Indien wel een volstrekte meerderheid
voor afwijzing stemt maar deze niet de vereiste een derde van het kapitaal vertegenwoordigt,
kan een tweede vergadering worden gehouden waarin de voordracht zonder meer met een
volstrekte meerderheid kan worden afgewezen. Indien de voordracht wordt afgewezen moet de
RvC een nieuwe voordracht maken, lid 9 derde zin. De AVA is in dat geval dus niet vrij om
zelf iemand te benoemen.
De AVA kan haar aanbevelingsrecht laten uitoefenen door een aandeelhouderscommissie
waarvan de AVA de leden aanwijst, telkens voor een periode van twee jaar, lid 10.
Van de wettelijke procedure kan worden afgeweken, met uitzondering van de plicht om een
RvC in te stellen, het opmaken van een profielschets en de besluitvorming in de AVA over
afwijzing van de voordracht. Afwijking vereist een wijziging van de statuten waarover de AVA
beslist en die voorafgaande goedkeuring van de RvC en toestemming van de OR vereist, lid 12.
3. Bijzonder aanbevelingsrecht OR
De OR heeft een bijzonder aanbevelingsrecht ten aanzien van de benoeming van een derde van
de leden van de RvC, lid 6. Anders dan bij art. 2:142b (evenwichtige man-vrouw verdeling in
de RvC van een beursvennootschap) wordt de uitkomst hier naar beneden afgerond. Bij een
RvC met bijvoorbeeld drie, vier of vijf leden geldt het bijzonder aanbevelingsrecht van de OR
2
,steeds voor één lid. De RvC plaatst de door de OR aanbevolen kandidaat op de voordracht aan
de AVA, tenzij de persoon ongeschikt zal zijn voor de vervulling van de taak van commissaris
of de RvC bij benoeming niet naar behoren zal zijn samengesteld. Bij een dergelijk bezwaar
van de RvC moet hij overleg voeren met de OR. Leidt dit niet tot een oplossing dan kan de RvC
de Ok vragen het bezwaar gegrond te verklaren, lid 7. Indien de AVA de voordracht met de
door de OR aanbevolen kandidaat afwijst moet de RvC een nieuwe voordracht doen waarvoor
de OR weer zijn bijzonder aanbevelingsrecht kan uitoefenen. Ik wijs hier nog op artikel 2:160a
voor de NV: personen die op bijzondere aanbeveling van de OR zitting hebben in de RvC
maken steeds deel uit van de remuneratiecommissie van de RvC, indien deze is ingesteld en de
RvC de bezoldiging van bestuurders vaststelt op basis van art. 2: 135 lid 4. Vreemd genoeg is
deze bepaling niet overgenomen voor de BV en ook niet voor de beursgenoteerde BV, hoewel
op die laatste vennootschap wel een veelheid van bepalingen uit het NV recht van toepassing
is, waaronder art. 2:135 lid 4, en de bepalingen van art. 2:135a en 135b over beloningsbeleid
en beloningsverslag, zie art. 2:187. Ik meen dat dit een omissie is en ga ervan uit dat het
voorschrift van art. 2:160a ten minste ook bij de beursgenoteerde BV moet worden toegepast.
4. Schorsing en ontslag van commissarissen
Een commissaris treedt af uiterlijk vier jaren na zijn benoeming, art. 2:271 (161), en kan dan
worden herbenoemd. Een dergelijke bepaling geldt niet in het algemeen voor commissarissen,
al is het wel een mede door de Corporate Governance Code voorgeschreven praktijk (zie nr. 71
hiervoor). Een individuele commissaris kan alleen door de Ok worden ontslagen, op verzoek
van de vennootschap zelf, vertegenwoordigd door de RvC, op verzoek van de AVA of
aandeelhouderscommissie, vertegenwoordigd door een ad hoc aangewezen vertegenwoordiger,
en op verzoek van de OR, doorgaans vertegenwoordigd door zijn voorzitter. Het gaat om
uitzonderlijke gevallen, zie bijv. Ok 4 oktober 2023, JOR 2023/288.
De AVA kan het vertrouwen in de gehele RvC bij besluit opzeggen, art. 2:271a (161a). Dit
besluit vereist een volstrekte meerderheid die ten minste een derde van het geplaatste kapitaal
vertegenwoordigt. De OR moet daarvan tevoren in kennis worden gesteld en een standpunt
kunnen bepalen. Het besluit leidt tot het onmiddellijke ontslag van alle commissarissen, lid 3.
Het bestuur moet daarop de Ok verzoeken tijdelijk een of meer commissarissen te benoemen,
die een nieuwe benoemingsprocedure in gang zetten. Zie bijv. de uitspraak van de Ok van 3
mei 2021, JOR 2021, 242, m.nt. De Nijs Bik (Flynth). Het besluit van de AVA kan door de
rechter worden getoetst aan art. 2:14 en 2:15. Ook kan in een enquêteprocedure bij wijze van
onmiddellijke voorziening de stemming over het opzeggen van het vertrouwen worden
verboden, zie Ok 17 januari 2007, JOR 2007, 42 (Stork), m.nt. Leijten.
5. Taak en bevoegdheid RvC
De RvC heeft twee aanvullende bevoegdheden boven de algemene taak en bevoegdheid van
een RvC:
1. Benoeming en ontslag van bestuurders, art. 2:272 (164). Is toepassing gegeven aan de one-
tier board dan benoemen de niet-uitvoerende bestuurders de uitvoerende bestuurders, art.
2:274a lid 2 (164a lid 2). Ik ga ervan uit dat een dergelijk besluit heeft te gelden als een
besluit van het bestuur, aan welke besluitvorming de uitvoerende bestuurders niet mogen
deelnemen. De benoeming van bestuurders kan niet door enige bindende voordracht
worden beperkt. De AVA moet in kennis worden gesteld van een voorgenomen benoeming
van een bestuurder. De RvC kan een bestuurder pas ontslaan nadat de AVA over het
voorgenomen ontslag is gehoord. Indien de RvC dit verzuimt, is het ontslagbesluit nietig,
zie nr. 95. De RvC kan het oordeel van de AVA wel naast zich neer leggen. Art. 2:272
(162) zegt niets over de bezoldiging van bestuurders. De gewone regels zijn daarop
3
, derhalve van toepassing, art. 2:245 (135) en voor de beursvennootschap art. 2:135a en
135b.
2. Goedkeuring van bepaalde categorieën van bestuursbesluiten, art. 2:274 (164). Bij
toepassing van de one-tier board is goedkeuring vereist van de meerderheid van de niet-
uitvoerende bestuurders, art. 2:274a lid 4 (164a lid 4). Deze laatste formulering doet
vreemd aan. De niet-uitvoerende bestuurders nemen in dit geval niet een afzonderlijk
besluit, het gaat bij de bedoelde besluiten om besluiten van het bestuur als orgaan. De
wetgever had kunnen voorschrijven dat bij toepassing van de one-tier board een
meerderheid van de niet-uitvoerende bestuurders voor het bestuursbesluit moet hebben
gestemd, zie ook Asser/ Nieuwe Weme & Salemink 2-IIb 2025/395. Zolang de RvC het
bestuursbesluit niet heeft goedgekeurd, heeft het besluit geen rechtskracht en mag het niet
worden uitgevoerd. Het ontbreken van goedkeuring tast echter de
vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur of bestuurders niet aan, art. 2:274 (164)
lid 3. De in het artikel opgesomde lijst van besluiten is dwingend, de goedkeuring van de
RvC is steeds vereist. De lijst kan wel in de statuten, reglement van de RvC of bij besluit
van de RvC worden uitgebreid.
6.Het structuurregime in concernverhoudingen: vrijstelling en verzwakt regime
De structuurregeling kan op gespannen voet staan met concernverhoudingen. Met de centrale
leiding die een moedermaatschappij over een groep vennootschappen uitoefent is niet te rijmen
dat haar bevoegdheden als aandeelhouder in die vennootschappen door het structuurregime
worden beperkt. Indien het gaat om een internationaal concern kan de bijzondere invloed die
werknemers in Nederland via de OR kunnen uitoefenen op de samenstelling van de RvC
evenzeer wringen. Met het oog daarop heeft de wetgever enkele uitzonderingen in de
structuurregeling opgenomen, in de vorm van volledige vrijstelling en het verzwakt regime.
Volledige vrijstelling houdt in dat de vennootschap die aan de criteria van de structuurregeling
voldoet geen opgaaf bij het handelsregister hoeft te doen, art. 2:263 (153) lid 3 en het
structuurregime in het geheel niet van toepassing op haar wordt. Het verzwakt regime houdt in
dat art. 2:272 (162) en art. 2:274a (164a) lid 2 niet van toepassing zijn: bestuurders (en bij de
one-tier board de uitvoerende bestuurders) worden benoemd door de AVA en niet door de RvC
(en de niet-uitvoerende bestuurders); de overige bepalingen van de structuurregeling gelden
wel, art. 2:265 (155). De toepasselijke bepalingen zijn gecompliceerd en niet altijd eenduidig.
In nr. 146 en 147 in hoofdstuk 15 van de vorige druk worden de regelingen gedetailleerd
uitgelegd, met ingewikkelde voorbeelden. Hier schets ik de hoofdlijnen van vrijstelling en
verzwakt regime.
Volledige vrijstelling wordt gegeven aan:
a. de vennootschap die een afhankelijke maatschappij is van een rechtspersoon
(vennootschap, coöperatie of onderlinge) die onderworpen is aan hetzij het volledig, hetzij
het verzwakt regime;
b. de vennootschap die deel uitmaakt van een internationale groep en daarin uitsluitend de
functie van ‘holding’ vervult;
c. de vennootschap die deel uitmaakt van een internationale groep en daarin uitsluitend de
functie van interne diensten verlenende maatschappij vervult;
d. de 50% of meer ‘joint venture’ van rechtspersonen die onderworpen zijn aan het
structuurregime (volledig of verzwakt) of die afhankelijke maatschappij zijn van zo’n
rechtspersoon.
De vrijstelling onder a geldt voor de afhankelijke maatschappij mits de moedermaatschappij
het structuurregime toepast. In dat geval kan de moedermaatschappij onbelemmerd haar invloed
4