Steunkousen worden gebruikt bij compressietherapie. Compressietherapie
betekent dat er druk van buitenaf op een lichaamsdeel wordt uitgeoefend,
bijvoorbeeld met een zwachtel of een steunkous. Door deze druk wordt
opgehoopt vocht afgevoerd. Opgehoopt vocht in benen of armen wordt
oedeem genoemd en wanneer het om lymfevocht gaat spreekt men van
lymfoedeem. Vaak wordt vóór het aanmeten van een steunkous eerst een
periode gezwachteld om het oedeem te verminderen. Zodra het been
voldoende is afgeslankt, kan een steunkous worden aangemeten. De arts
geeft altijd de opdracht voor compressietherapie. Compressietherapie kent
twee fasen: de behandelfase en de onderhoudsfase.
In de behandelfase, ook wel de initiële fase genoemd, is het doel het
verminderen van oedeem en het genezen van eventuele wonden of
huidproblemen. In deze fase wordt meestal gekozen voor zwachtelen.
Wanneer deze doelen zijn bereikt, start de onderhoudsfase. In de
onderhoudsfase ligt de nadruk op preventie en is het doel om te
voorkomen dat oedeem of wond- en huidproblemen terugkeren. In deze
fase worden therapeutisch elastische kousen (TEK) gebruikt.
Steunkousen moeten goed aansluiten op het lichaam en worden daarom
altijd aangemeten door een deskundige die vaste meetpunten op het been
opmeet. Steunkousen verschillen in compressieklasse, breiwerk, lengte en
in het al dan niet hebben van een open of gesloten teen. Er zijn korte
kousen tot de knie die alleen het onderbeen ondersteunen, dijbeenkousen
die druk geven op het hele been maar kunnen afzakken, en steunpanty’s
met een broekje die druk geven op beide benen en afzakken kunnen
voorkomen. Er bestaan vier compressieklassen waarbij klasse 1 de minste
druk geeft en klasse 4 de meeste druk. De arts bepaalt de juiste
compressieklasse en houdt daarbij rekening met persoonlijke
omstandigheden. Soms wordt bewust gekozen voor een lagere
compressieklasse om de draagbaarheid te vergroten. Steunkousen kunnen
vlakgebreid zijn, waarbij ze met een naad worden gesloten en exact op
maat gemaakt kunnen worden, of rondgebreid, zonder naad en meestal
dunner. De druk wordt bepaald door de strakheid van het breiwerk.
Daarnaast kan worden gekozen voor een open of gesloten teen; de
werking is gelijk en meestal bepaalt de zorgvrager deze keuze.
Steunkousen zijn verkrijgbaar in verschillende kleuren zodat ze afgestemd
kunnen worden op de huidskleur.
Voor het aan- en uittrekken van steunkousen bestaan diverse
hulpmiddelen. Glijdend materiaal zoals een glijzak maakt het mogelijk de
kous soepel over het been te schuiven. Er bestaan varianten voor open en
gesloten tenen en ook verlengingen zoals de SlideX voor gebruik bij knie
,of bovenbeen. Rollende hulpmiddelen zoals de Doff N’ Donner maken het
mogelijk de kous om het been te rollen. Rekjes zoals de Steve® of
DressBuddy® stellen zorgvragers in staat zelfstandig steunkousen aan en
uit te trekken. Elektronische hulpmiddelen zoals de HelpSoq helpen bij het
aantrekken en de Ort.O.Mate bij het uittrekken van steunkousen.
Daarnaast kunnen speciale steunkousenhandschoenen worden gebruikt;
deze hebben een stroeve binnenkant die extra grip geeft.
Zorgvragers die steunkousen nodig hebben, zijn vaak eerst gezwachteld
bij aandoeningen zoals ulcus cruris venosum, lymfoedeem en diepveneuze
trombose. Oedeem kan ontstaan door veneuze afwijkingen zoals
spataderen, diepveneuze insufficiëntie of lymfatische stoornissen, door te
weinig beweging of door rechtszijdig hartfalen (decompensatio cordis
rechts). In een gezond lichaam wordt het bloed in de benen rondgepompt
via het hart, ondersteund door de kuitspierpomp, de elastische
vaatwanden en de kleppen in de aderen die terugstromen van bloed
voorkomen. Wanneer dit systeem niet goed functioneert, blijft bloed in de
aderen hangen, raken de aderen overvuld en ontstaat oedeem.
Compressietherapie zorgt ervoor dat de vaatwanden naar elkaar toe
worden gedrukt, waardoor kleppen beter sluiten en vocht via aderen en
lymfevaten wordt afgevoerd.
In Nederland dragen ruim 400.000 mensen therapeutische elastische
kousen. Dit zijn voornamelijk ouderen, omdat spataderen en oedeem vaker
voorkomen bij het ouder worden, maar ook jongere zorgvragers kunnen
steunkousen dragen bij aandoeningen zoals lymfoedeem, veneuze
insufficiëntie of posttraumatisch oedeem. De arts bepaalt of
compressietherapie wordt toegepast. Contra-indicaties zijn arteriële
insufficiëntie, een totale occlusie van het diepveneuze systeem, ernstige
huidafwijkingen en allergie voor compressiemateriaal. Compressietherapie
mag niet worden toegepast bij een enkeldruk lager dan 60 mmHg of een
enkel-armindex (EAI) lager dan 0,52. Bij waarden tussen 0,52 en 1 is
overleg met de behandelaar noodzakelijk. Bij slecht werkende slagaders
kan compressie leiden tot ischemie, necrose en afsterven van weefsel.
De enkel-armindex is de verhouding tussen de systolische bloeddruk in de
enkels en de armen en geeft inzicht in de arteriële doorbloeding van de
benen. Degene die de steunkous heeft aangemeten of voorgeschreven
controleert regelmatig of de therapie nog effectief is. Als oedeem
toeneemt, kan opnieuw zwachtelen nodig zijn. Zorgverleners hebben een
signalerende functie en letten op slijtage van de kous, ervaringen van de
zorgvrager en veranderingen in oedeem, bijvoorbeeld met behulp van de
pittingtest.
,Het aan- en uittrekken van steunkousen is fysiek belastend. Daarom is
volgens de Praktijkrichtlijn Fysieke Belasting het gebruik van hulpmiddelen
verplicht. De zorgverlener stimuleert de zelfredzaamheid van de
zorgvrager door uitleg, aanmoediging, oefening en het samen kiezen van
een passend hulpmiddel. Een ergotherapeut kan hierbij adviseren.
Een goed zittende steunkous is essentieel. De kous mag niet te hoog
worden opgetrokken, moet zonder plooien zitten, mag niet insnoeren en
de bovenrand mag nooit worden omgeslagen. De hak moet goed in het
hakstuk liggen en links en rechts moeten correct worden gedragen.
Versleten kousen verliezen elasticiteit en moeten opnieuw worden
aangemeten. De gemiddelde levensduur van een steunkous is ongeveer
zes maanden. Hulpmiddelen zoals glijzakken moeten eveneens regelmatig
worden vervangen en onderhouden.
Bij het dragen van steunkousen kunnen complicaties ontstaan zoals
huidbeschadiging, allergische reacties, witte of blauwe tenen, pijn,
huidirritatie, blaren en wonden, vooral bij een slechte pasvorm of
verminderde sensibiliteit zoals bij diabetes. De huid moet daarom goed
verzorgd worden. De benen en voeten worden ’s avonds na het uittrekken
van de kousen ingesmeerd met een vette, pH-neutrale crème. Crème mag
niet vóór het aantrekken worden gebruikt. Bij aanhoudende pijn,
verkleuring van de tenen of ernstige klachten moet de arts worden
gewaarschuwd.
Bij het aantrekken is een goede werkhouding belangrijk, met een
geschikte stoel, juiste zithoogte, werken dicht bij het lichaam en
ondersteuning van het been met bijvoorbeeld een opgerolde handdoek.
Antislipmatjes kunnen helpen bij zelfstandig aantrekken. De uitvoering van
deze handelingen is gebaseerd op Vilans-protocollen, met inachtneming
van instellingsrichtlijnen. Lange steunkousen kunnen afzakken; een
steunpanty kan dan een oplossing zijn. Met hulpmiddelen zoals de Doff N’
Donner of de Ort.O.Mate kunnen zorgvragers, zoals Soraya, zelfstandig
hun steunkousen uittrekken, waarna de benen worden verzorgd met een
vette crème.
2. Vitale functies:
De vitale functies zijn de belangrijkste functies van het menselijk
lichaam en zorgen ervoor dat iemand in leven blijft. Wanneer één of
meerdere vitale functies verstoord raken, kan dit leiden tot ernstige
schade aan het lichaam en uiteindelijk zelfs tot overlijden. Tot de
vitale functies behoren de ademhaling, de hartslag, de bloeddruk,
het bewustzijn en de lichaamstemperatuur. Door deze functies
, zorgvuldig te meten en te beoordelen, krijgt de zorgverlener een
goed beeld van de gezondheidstoestand van de zorgvrager en
kunnen verslechteringen tijdig worden herkend.
De ademhaling verloopt normaal gesproken automatisch en
onbewust en vindt plaats in de luchtwegen en longen. Tijdens het
inademen komt zuurstof het lichaam binnen, die via de longen in het
bloed wordt opgenomen en door de rode bloedcellen naar alle
lichaamsweefsels wordt vervoerd. Tijdens het uitademen worden
koolzuur en afvalstoffen afgevoerd. Het ademcentrum in de
hersenen regelt de ademhaling. Bij het ademhalen worden
ademhalingsspieren gebruikt en er zijn twee vormen van
ademhaling: borstademhaling en buik- of middenrifademhaling. Bij
borstademhaling trekken de tussenribspieren samen, waardoor de
ribben omhoog gaan en de borstkas groter wordt. Bij
buikademhaling trekt het middenrif naar beneden, waardoor de
buikorganen worden weggedrukt en de longen zich vullen met lucht.
Een gezonde ademhaling bestaat uit een combinatie van beide
vormen. In rust ademt een volwassene gemiddeld 12 tot 20 keer per
minuut. Stress, angst of spanning kunnen leiden tot een
oppervlakkige borstademhaling.
De ademhaling wordt beoordeeld door te kijken, luisteren en voelen.
Een normale ademhaling heet eupneu en is rustig, regelmatig,
vrijwel onzichtbaar en geluidloos. Afwijkende ademhalingspatronen
zijn onder andere apneu (ademstilstand), hyperpneu (dieper en
sneller ademen), tachypneu (versnelde ademhaling), bradypneu
(vertraagde ademhaling), hyperventilatie, Cheyne-Stokes-
ademhaling en Kussmaul-ademhaling. Bij benauwdheid kan de
zorgvrager hulpademhalingsspieren gebruiken, wat zichtbaar is ter
hoogte van de hals en schouders. Bij kinderen kan ook het
neusvleugelen worden waargenomen.
De effectiviteit van de ademhaling wordt gemeten met de
zuurstofsaturatie (SpO₂), die aangeeft hoeveel zuurstof aan de
hemoglobine in het bloed is gebonden. Bij gezonde mensen ligt de
saturatie boven de 96%. Bij mensen met chronische
longaandoeningen zoals astma of COPD en bij ouderen kan een
lagere waarde normaal zijn, vaak vanaf 92%. Een saturatie onder de
90% wijst op een zuurstoftekort (hypoxemie of desaturatie). Dit kan
leiden tot klachten zoals cyanose (blauwverkleuring van huid, lippen
en nagels), benauwdheid, verwardheid, sufheid en afwijkingen in
ademhaling en hartslag. De saturatie wordt meestal gemeten aan de
wijsvinger, maar kan ook via de oorlel of teen worden bepaald. Bij