Motiverende gespreksvoering (MGV) is een cliëntgerichte
gespreksmethode die wordt gebruikt om gedragsverandering te
stimuleren door de intrinsieke motivatie van de patiënt te versterken. De
hulpverlener werkt samen met de patiënt vanuit gelijkwaardigheid, met
respect voor autonomie, en helpt ambivalentie ten aanzien van
verandering te verkennen en te verminderen. Het doel is niet overtuigen
of adviseren, maar het ontlokken van verandertaal.
De uitgangspunten van motiverende gespreksvoering zijn samenwerking,
acceptatie, compassie en evocatie. Acceptatie bestaat uit empathie,
onvoorwaardelijke positieve waardering en respect voor zelfbeschikking.
De hulpverlener sluit aan bij de belevingswereld van de patiënt en
vermijdt confronterende of oordelende communicatie. Door middel van
empathisch luisteren wordt een veilige gespreksomgeving gecreëerd
waarin verandering mogelijk wordt.
Bij motiverende gespreksvoering worden verschillende technieken
toegepast, samengevat in OARS: open vragen, affirmaties (bevestigen van
kwaliteiten en successen), reflectief luisteren en samenvatten. Daarnaast
wordt gebruikgemaakt van het ontlokken en versterken van verandertaal
en het verminderen van behoudtaal. Het omgaan met weerstand gebeurt
door mee te bewegen in plaats van te corrigeren, bijvoorbeeld door
reflecties of het herformuleren van uitspraken.
De vijf basisprincipes van motiverende gespreksvoering zijn: empathie
tonen, discrepantie ontwikkelen tussen huidig gedrag en persoonlijke
doelen of waarden, weerstand niet bestrijden maar accepteren,
zelfeffectiviteit versterken en autonomie respecteren. Deze principes
worden actief toegepast tijdens het gesprek om de patiënt te
ondersteunen bij het maken van eigen keuzes en het nemen van
verantwoordelijkheid voor verandering.
Een belangrijk onderdeel van motiverende gespreksvoering is het
vaststellen van de fase van gedragsverandering waarin de patiënt zich
bevindt, volgens het Transtheoretisch Model. De fasen zijn:
precontemplatie, contemplatie, voorbereiding, actie, onderhoud en
eventueel terugval. Door de fase te herkennen, kan de hulpverlener zijn
benadering en interventies hierop afstemmen.
Tot slot is reflectie op de eigen performance essentieel binnen
motiverende gespreksvoering. De hulpverlener evalueert het eigen
handelen door na te gaan in hoeverre de uitgangspunten en technieken
correct zijn toegepast, of er voldoende ruimte is geboden aan de patiënt
en of de communicatie heeft bijgedragen aan motivatie en
, gedragsverandering. Deze reflectie draagt bij aan professionele
ontwikkeling en het verbeteren van gespreksvaardigheden.
Verpleegkundige als communicator 6.2:
Veel hulpverleners onderschatten hoe moeilijk het voor patiënten is om
gedragsvoorschriften op te volgen; slechts ongeveer 50% houdt zich hieraan.
Gedragsverandering, vooral op de lange termijn, blijkt complex. Duurzame
verandering ontstaat vooral door intrinsieke motivatie: mensen veranderen
pas echt als zij zelf het probleem erkennen en een eigen besluit nemen.
Extrinsieke motivatie (iets doen voor de zorgverlener) werkt vaak tijdelijk en
vergroot afhankelijkheid, al is deze soms onvermijdelijk bij chronische zorg, GGZ,
verstandelijke beperkingen of psychogeriatrie. Het uitgangspunt blijft het
bevorderen van zelfmanagement.
Motiverende gespreksvoering ondersteunt gedragsverandering door samen
met de patiënt te onderzoeken wat haalbaar is, bijvoorbeeld bij medicatietrouw
of leefstijlverandering. De verpleegkundige heeft hierbij een meedenkende,
empathische en onderzoekende houding, zonder te oordelen, waarschuwen
of confronteren. De relatie is coöperatief: de verpleegkundige staat naast de
patiënt. Deze methode bestaat uit twee stappen: eerst het ontwikkelen van
motivatie, daarna het versterken van het vertrouwen in eigen kunnen.
In de eerste fase wordt de ambivalentie van de patiënt verkend: het besef dat
verandering nodig is tegenover de neiging vast te houden aan het vertrouwde.
De verpleegkundige bekrachtigt selectief uitspraken die wijzen op
probleemherkenning, zorgen en bereidheid tot verandering, en vermijdt “ja,
maar” door “ja, en” te gebruiken. In de tweede fase ligt de nadruk op
zelfeffectiviteit: de patiënt bedenkt zelf haalbare doelen, mogelijke
belemmeringen en oplossingen, en reflecteert op steun of reacties uit de sociale
omgeving.
In beide fasen zijn explorerend luisteren, samenvatten, reflecteren en
positief bekrachtigen essentieel.
In een voorlichtingsgesprek kan het model van gedragsverandering worden
toegepast door eerst de eerste drie fasen te doorlopen. In de
precontemplatiefase heeft de patiënt/cliënt nog geen veranderintentie en is
bewustwording het doel. In de contemplatiefase denkt de patiënt na over
verandering en worden voor- en nadelen verkend. In de preparatiefase ontstaat
bereidheid tot actie en kunnen samen concrete doelen en stappen worden
opgesteld. Het is belangrijk om vast te stellen in welke fase van
gedragsverandering iemand zich bevindt, zodat de begeleiding hierop kan
worden afgestemd.
Tijdens het gesprek worden de basisprincipes van motiverende
gespreksvoering toegepast, zoals het tonen van empathie, het ontwikkelen van
discrepantie, het meebewegen met weerstand en het versterken van eigen
effectiviteit. Door open vragen te stellen, reflectief te luisteren en bevestigingen