1. Begrippen met betrekking tot het ontstaan van infectieziekten
Besmetting (contaminatie): Het binnendringen van pathogene
micro-organismen in het lichaam via bijvoorbeeld lucht, voedsel of
contact met geïnfecteerde oppervlakken. Het hoeft nog niet tot
een infectie te leiden.
Incubatieperiode: De tijd tussen de besmetting en het optreden
van de eerste symptomen. In deze periode vermenigvuldigen de
ziekteverwekkers zich in het lichaam zonder dat de patiënt
symptomen ervaart.
Infectie: Wanneer pathogenen zich vermenigvuldigen en het
weefsel beschadigen, wat leidt tot symptomen van ziekte.
Pathogenen: Ziekteverwekkers zoals bacteriën, virussen,
schimmels, protozoën, en wormen die infectieziekten kunnen
veroorzaken.
Micro-organismen: Microscopisch kleine organismen, zoals
bacteriën, virussen, en schimmels. Ze kunnen pathogeen of
onschadelijk zijn.
Commensale flora: De normale, niet-schadelijke micro-organismen
die op en in ons lichaam leven, zoals darm- of huidbacteriën, en
bijdragen aan de bescherming tegen ziekteverwekkers.
Opportunistische infectie: Infecties die optreden wanneer het
immuunsysteem verzwakt is, of wanneer commensale organismen
een infectie veroorzaken bij een verstoorde balans.
Reservoir: De natuurlijke bron of omgeving waarin een
ziekteverwekker normaal leeft, zoals een dier, mens of water.
Drager: Een persoon of dier dat een pathogeen bij zich draagt
zonder ziek te zijn, maar dat de ziekteverwekker wel kan
overdragen.
Porte d’entrée: De plek waar een pathogeen het lichaam
binnendringt, zoals de huid, slijmvliezen, luchtwegen of via een
wond.
, Transmissie: De wijze waarop een infectie wordt overgedragen,
bijvoorbeeld via direct contact, druppelinfectie of via besmet
voedsel.
Directe overdracht: Overdracht van ziekteverwekkers door direct
contact met een besmet persoon of dier, bijvoorbeeld via speeksel
of bloed.
Indirecte overdracht: Overdracht via een tussenmedium, zoals
besmette voorwerpen, voedsel of via de lucht (aerosolen).
2. Verschillen tussen virussen, bacteriën, protozoën, schimmels en
wormen
Virussen: Geen levende organismen, ze bestaan uit genetisch
materiaal (DNA of RNA) en kunnen zich alleen vermeerderen in een
gastheercel.
Bacteriën: Eencellige organismen zonder celkern die zelfstandig
kunnen leven en zich delen. Ze kunnen schadelijk (pathogeen) of
onschadelijk (commensaal) zijn.
Protozoën: Eencellige organismen die parasitair kunnen zijn en
leven in vochtige omgevingen of binnen het lichaam van een
gastheer.
Schimmels: Eukaryote organismen die gisten (eencellig) of
schimmels (meercellig) kunnen vormen en infecties kunnen
veroorzaken, vooral bij mensen met een verzwakt immuunsysteem.
Wormen: Meercellige parasieten die in de darmen of weefsels van
de gastheer leven en ziekten veroorzaken door hun aanwezigheid
of metabolische producten.
3. Indelingen van bacteriën
Bacillen: Staafvormige bacteriën.
Kokken: Bolvormige bacteriën, zoals stafylokokken en
streptokokken.
Grampositief: Bacteriën die een dikke celwand hebben en paars
kleuren na de Gram-kleuring.
Gramnegatief: Bacteriën met een dunne celwand en een
buitenmembraan, die roze kleuren na Gram-kleuring.