Stofwisseling in de cellen, weefsels en organen gaat gepaard met de productie
van afvalstoffen. Het bloed en lymfe zorgen voor de afvoering van de
afvalstoffen uit de weefsels. Afvalstoffen en voedingsstoffen (uit de
spijsverteringskanaal) zorgen voor een verstorende invloed op het bloed. Het
urinewegstelsel heeft de taak om afvalstoffen en andere stoffen uit het bloed te
verwijderen en de osmotische druk te handhaven.
Ander woord voor nieren is renes (enkelvoud: ren). Twee boonvormige
organen, even groot als een vuist. Liggen hoog in de buikholte, tegen de
achterste buikwand oftewel retroperitoneaal.
Abdomen organen: Organen in de buikholte.
De linker nier ligt tegen het diafragma. De holle zijde van de nieren zijn naar
elkaar toegekeerd.
Anatomie van de urinewegstelsel:
Ureter: urineleider
Urethra: plasbuis van een man (ongeveer 20cm lang).
Macro anatomie van de nieren:
1
,Les 2.2
2
,• Je kunt de groepen voedingsstoffen die het menselijk lichaam nodig heeft
noemen en tevens de functies van deze voedingsstoffen.
• Je kunt toelichten hoe koolhydraten, vetten en eiwitten worden
afgebroken.
• Je kunt de bouw en functie van de verschillende delen van het
spijsverteringskanaal toelichten en in een afbeelding de verschillende
onderdelen herkennen.
• Je kunt de bouw en functie van de alvleesklier, lever en galwegen
toelichten en in een afbeelding de verschillende onderdelen herkennen.
• Je kunt het begrip peritoneum, mesenterium en omentum aanwijzen,
definiëren en aanduiden in een afbeelding.
Spijsverteringsstelsel voert de volgende taken uit:
- Opname van voedsel uit het uitwendige milieu
- Mechanische verkleining en menging van het voedsel
- Chemische bewerking door enzymen
- Vervoer van voedsel door het spijsverteringskanaal
- Overdracht van de voedingsstoffen aan het bloed
- Uitscheiding van onverteerde en onverteerbare stoffen
De 6 groepen lichaamsstoffen die menselijk lichaam nodig heeft:
- Koolhydraten: Koolhydraten worden op grond van het aantal moleculen
in drie groepen verdeeld: polysachariden, disachariden en monosachariden.
- Lipiden: Lipiden zijn niet oplosbaar in water en hebben een hoge
energetische waarde. De drie groepen lipiden zijn triglyceriden, fosfolipiden en
steroïden.
- Eiwitten: Eiwitten zijn opgebouwd uit aminozuren. Er zijn twintig
verschillende aminozuren. Twaalf daarvan kan het menselijk lichaam zelf maken
(niet-essentiële aminozuren); de andere acht moeten in het voedsel zitten
(essentiële aminozuren).
- Mineralen: Mineralen worden verdeeld in zouten en spoorelementen. De
belangrijkste zouten zijn kalium (K), natrium (Na), chloride (Cl), fosfor (P),
calcium (Ca) en magnesium (Mg).
- Vitaminen: Vitaminen worden in twee groepen verdeeld: in vet oplosbare
vitaminen (A, D, E en K) en in water oplosbare vitaminen (B en C)
- Water. Dat is nodig voor de:
3
, o Hemeostase
o Als bouwstof
o Als oplosmiddel
o Als transportmedium
o Als warmtebuffer
Koolhydraten: Polysachariden worden in het spijsverteringsstelsel stap voor
stap door enzymen omgezet in de volgende monosachariden:
- glucose, de belangrijkste brandstof in het lichaam;
- fructose en galactose, worden door de lever omgezet in glucose;
- ribose, de bouwstof in desoxyribonucleïnezuur (DNA) en
ribonucleïnezuur (RNA).
Lipiden:
Bij de vertering worden lipiden omgezet glycerol en vetzuren; er zijn
onverzadigde en verzadigde vetzuren. In het lichaam worden de lichaamseigen
lipiden uit glycerol en vetzuren gevormd. Lipiden hebben uiteenlopende
functies:
- energiereserve (vetweefsel);
- bouwstof (zoals in celmembranen);
- oplosmiddel voor bepaalde vitaminen;
- elektrische isolatie rondom zenuwceluitlopers;
- brandstof voor de celstofwisseling.
Eiwitten:
Het lichaam bevat honderdduizenden verschillende eiwitten, met
uiteenlopende functies:
- structuureiwitten (bouwstoffen);
- enzymen;
- transporteiwitten in de celmembraan;
- receptoreiwitten in de celmembraan;
- spiereiwitten (actine en myosine);
- antistoffen;
- hormonen;
- stollingsfactoren;
- neurotransmitters en neuroreceptoren;
- energiebron.
4