Week 1
Het hormonale stelsel
Lesdoelen:
Je kunt benoemen wat wordt bedoeld met het begrip hormoon.
Je kunt de algemene werking van hormonen toelichten en kunt de begrippen
endocriene en neurosecretoire cellen in verband brengen met de productie
van hormonen.
Je kunt het verschil aangeven tussen steroïdhormonen en eiwithormonen en
van beiden een voorbeeld geven.
Je kunt toelichten hoe via een regelkring de concentratie van een hormoon in
het bloed kan worden afgestemd.
Je kunt aangeven hoe het hypothalamus-hypofyse systeem de verbinding
vormt tussen het zenuwstelsel en het hormoonstelsel.
Je kunt de verschillende hormonen benoemen die door de (hypothalamus)
neurohypofyse en adenohypofyse worden afgegeven, hoe deze afgifte wordt
gereguleerd en welke effecten deze hormonen hebben op het lichaam.
Je kunt het effect benoemen van melatonine dat door de epifyse wordt
afgegeven en hoe deze afgifte wordt geregeld.
Je kunt de verschillende hormonen benoemen die door de schildklier worden
afgegeven, hoe deze afgifte wordt gereguleerd en welke effecten deze
hormonen hebben op het lichaam.
Je kunt het effect benoemen van parathormoon dat door de bijschildklier wordt
afgegeven en hoe deze afgifte wordt geregeld.
Je kunt de verschillende hormonen benoemen die door de eilandjes van
Langerhans (α- en β-cellen) worden afgegeven, hoe deze afgifte wordt
gereguleerd en welke effecten deze hormonen hebben op het lichaam.
Je kunt de verschillende hormonen benoemen die door de bijnieren (schors en
merg) worden afgegeven, hoe deze afgifte wordt gereguleerd en welke
effecten deze hormonen hebben op het lichaam.
Je kunt de rol van de bijnieren bij stress toelichten en uitleggen welk effect
langdurige stress (via de stress-as) kan hebben op de lichamelijke en
psychische toestand zoals depressie en burn-out.
Je kunt de verschillende hormonen benoemen die door de geslachtsklieren
worden afgegeven, hoe deze afgifte wordt gereguleerd en welke effecten deze
hormonen hebben op het lichaam.
Je kunt van de volgende weefselhormonen aangeven in welke cellen deze
worden geproduceerd en welk effect deze hormonen hebben op het lichaam:
*renine, *erytropoëtine (EPO), *leptine, *histamine, *prostaglandines
Inleiding
De vegetatieve functies zorgen ervoor dat het lichaam werkt in een
geheel, dit zijn: de circulatie, spijsvertering, uitscheiding, ademhaling en
de begrenzing van de huid. Deze functies worden verzorgd door het
zenuwstelsel en het hormoonstelsel die samenwerken om tot de gewenste
effecten te komen. Het hormonale stelsel bestaat uit hormonen die in het
bloed worden afgegeven en vervolgens elders sturend op
,Hormonen
Een hormoon is een chemische boodschapper die processen in het lichaam
regelt.
Het wordt aangemaakt door klieren en via het bloed vervoerd naar
organen of weefsels om daar een specifiek effect uit te oefenen, dit
worden de doelwitorganen genoemd. Ze bevatten doelwitcellen die
gevoelig zijn voor dat specifieke hormoon
Bij interne secretie wordt het product altijd aan het inwendige milieu
afgegeven, zoals insuline of adrenaline.
Bij externe secretie komt het product in het uitwendige milieu terecht,
denk aan zweet of traanvocht.
Hormoonproductie
De meeste hormonen worden gemaakt door endocriene of neurosecretoire
cellen.
Endocriene cellen zijn gespecialiseerde kliercellen die zich enkel
bezighouden met de productie van een bepaald hormoon, ze vormen
samen een hormoonklier, ook wel een endocriene klier genoemd, (zoals
schildklier of alvleesklier). Neurosecretoire cellen zijn gespecialiseerde
zenuwcellen die nauw in contact staan met het zenuwstelsel en
combineren zenuw- en hormoonfunctie. (Bv in de hypothalamus) Zo zorgt
het lichaam voor snelle communicatie via zenuwen en langzamere,
langdurige regulatie via hormonen.
Hormoongroepen
Op basis van hun chemische structuur en het effect op de doelwitcellen,
worden hormonen in twee groepen verdeeld:
1. Steroïdhormonen: verwant aan cholesterol en in vet oplosbaar, gaan
direct de cel in en beïnvloeden DNA om de aanmaak van bepaalde
enzymen te remmen of juist te starten. Voorbeeld: cortisol,
testosteron
2. Eiwithormonen: ook wel peptidehormonen genoemd, bestaan uit
ketens van aminozuren en in wateroplosbaar. Ze binden zich aan de
receptoren van hun doelwit cel, hierdoor wordt een keten van
reacties in gang gezet.
Voorbeeld: insuline, ADH.
Kenmerk Steroïde hormonen Peptidehormonen
Structuur Vetoplosbaar (cholesterol) Eiwit/peptide (aminozuren)
Transport Via transporteiwitten Vrij in het bloed
Receptorlocatie In de cel (cytoplasma/kern) Op het celmembraan
Werkingsmechanism Genregulatie Tweede boodschapper
e
Werking Traag, langdurig Snel, kortdurend
Voorbeelden Testosteron, cortisol Insuline, ADH
Regelkring
Hormoonspiegels worden meestal via negatieve terugkoppeling geregeld.
Dat betekent dat een stijging van het hormoon of echt effect ervan, de
aanmaak remt. Bijvoorbeeld ADH: bij hoge osmotische waarde in het
,bloed, geeft de hypothalamus extra ADH ad, waardoor de nieren minder
water uitscheiden. Wanneer de osmotische waarde weer daalt, stopt de
ADH-afgifte automatisch.
Het hypothalamus-hypofyse-systeem
In de hersenstam bevinden zich de hypothalamus en de hypofyse. De
hypofyse is een hormoonklier en zit vast aan de hypothalamus. De
neurosecretoire cellen in de hypothalamus produceren:
Peptidehormonen: ADH en oxytocine, worden via zenuwvezels
afgegeven aan de neurohypofyse
Releasing hormonen: stimuleren de adenohypofyse in de afgifte van
hypofysehormonen.
Inhibiting hormonen: remmen de adenohypofyse in de afgifte van
hypofysehormonen.
De hypofyse
Bestaat uit neurohypofyse (achterkwab) en de adenohypofyse (voorkwab).
De neurohypofyse:
- Bestaat uit zenuwweefsel
- Ontvangt ADH en oxytocine van hypothalamus:
- Geeft deze hormonen af aan bloed
ADH (antidiuretisch hormoon) verhoogt waterterugresorptie in de nier
waardoor je minder gaat plassen. Oxytocine veroorzaakt weeën,
melkejectie en zaadejectie doordat het de spieren laat samentrekken, ook
staat het bekend als het knuffelhormoon.
De adenohypofyse staat onder controle van de releasing en inhibiting
hormonen uit de hypothalamus. De adenohypofyse maakt:
Glandotrope hormonen: reguleren andere hormoonklieren door middel van
negatieve terugkoppeling in de regelkring.
Effecthormonen: hebben direct invloed op lichaamsfuncties
Glandotrope hormonen uit de adenohypofyse zijn:
TSH (thyroïdstimulerend hormoon): zet schildklier aan tot vorming
schildklierhormoon.
ACTH (aadrenocorticotroophormoon): zet bijnierschors aan tot
vorming corticosteroïden.
FSH (follikelstimulerend hormoon): stimuleert de ontwikkeling van
follikels in de eierstokken en de vorming van zaadcellen.
LH (luteïnserend hormoon): stimuleert follikelrijping en ovulatie.
ICSH (interstitiëlecelstimulerend hormoon): zelfde hormoon als LH
maar bij de man anders genoemd, stimuleert de cellen in de
zaadballen tot aanmaak van testosteron.
Effecthormonen uit de adenohypofyse zijn:
STH (somatotroop hormoon) ofwel GH (groeihormoon): stimuleert
celdeling in alle weefsels, nodig voor groei en herstel na letsel.
, MSH (melanocytenstimulerend hormoon): stimuleert vorming van
melanine in de huid.
LTH (lactotroop) ofwel prolactine: stimuleert ontwikkeling van
melkklieren tijdens zwangerschap en stimuleert melkproductie.
De epifyse
Ook wel de pijnappelklier, ligt in de hersenstam en produceert melatonine.
Dit hormoon regelt ons slaap-waak ritme. De afgifte is afhankelijk van
daglicht, bij minder licht neemt melatonine toe, dit veroorzaakt
slaperigheid en regelt de biologische klok. Ook remt de pijnappelklier de
geslachtsrijping tot de puberteit.
De glandula thyroidea
De schildklier produceert tri-jodothyronine (T3), thyroxine (T4) en
calcitonine.
T3 en T4:
- Verschillen enkel in aantal jodiumatomen, maar hebben zelfde
werking;
- Stimuleren stofwisseling en celgroei
- Worden gevormd door invloed van TSH uit de adenohypofyse
- Werking: bij hoge concentratie T3 en T4 wordt de vorming van TSH
geremd (negatieve terugkoppeling).
Calcitonine verlaagd calcium concentratie in het bloed door:
Calciumopname in de botten te stimuleren;
Terugresorptie van calcium uit de voorurine te verminderen;
Calciumresorptie in de dunne darm te remmen.
De glandulae parathyroidea
De bijschildklieren produceren het parathormoon (PTH), wat de
calciumconcentratie in het bloed juist verhoogd door:
Calciumafgifte van de botten naar het bloed te stimuleren;
Terugresorptie van calcium uit de voorurine te stimuleren;
Calciumresorptie in de dunne darm te stimuleren.
Voor goede werking van PTH is vitamine D noodzakelijk, hoog gehalte
calcium remt de PTH-afgifte automatisch. Calcitonine en PTH zijn
antagonisten van elkaar.
De eilandjes van Langerhans
Bevinden zich in de pancreas en zijn groepjes endocriene cellen, het bevat
2 type cellen:
1. A-cellen: maken glucagon, verhoogd de suikerspiegel door
glycogeen om te zetten in glucose.
2. B-cellen: maken insuline, verlaagt de bloedsuiker door opname van
glucose te stimuleren en door de omzetting van glucose naar
glycogeen.
Glucagon en insuline zijn antagonisten van elkaar.
Werkzaam door regelkring met negatieve terugkoppeing. Bijvoorbeeld: bij
lage bloedsuiker verhoogd de glucagonproductie en verlaagd de
insulinespiegel.
Het hormonale stelsel
Lesdoelen:
Je kunt benoemen wat wordt bedoeld met het begrip hormoon.
Je kunt de algemene werking van hormonen toelichten en kunt de begrippen
endocriene en neurosecretoire cellen in verband brengen met de productie
van hormonen.
Je kunt het verschil aangeven tussen steroïdhormonen en eiwithormonen en
van beiden een voorbeeld geven.
Je kunt toelichten hoe via een regelkring de concentratie van een hormoon in
het bloed kan worden afgestemd.
Je kunt aangeven hoe het hypothalamus-hypofyse systeem de verbinding
vormt tussen het zenuwstelsel en het hormoonstelsel.
Je kunt de verschillende hormonen benoemen die door de (hypothalamus)
neurohypofyse en adenohypofyse worden afgegeven, hoe deze afgifte wordt
gereguleerd en welke effecten deze hormonen hebben op het lichaam.
Je kunt het effect benoemen van melatonine dat door de epifyse wordt
afgegeven en hoe deze afgifte wordt geregeld.
Je kunt de verschillende hormonen benoemen die door de schildklier worden
afgegeven, hoe deze afgifte wordt gereguleerd en welke effecten deze
hormonen hebben op het lichaam.
Je kunt het effect benoemen van parathormoon dat door de bijschildklier wordt
afgegeven en hoe deze afgifte wordt geregeld.
Je kunt de verschillende hormonen benoemen die door de eilandjes van
Langerhans (α- en β-cellen) worden afgegeven, hoe deze afgifte wordt
gereguleerd en welke effecten deze hormonen hebben op het lichaam.
Je kunt de verschillende hormonen benoemen die door de bijnieren (schors en
merg) worden afgegeven, hoe deze afgifte wordt gereguleerd en welke
effecten deze hormonen hebben op het lichaam.
Je kunt de rol van de bijnieren bij stress toelichten en uitleggen welk effect
langdurige stress (via de stress-as) kan hebben op de lichamelijke en
psychische toestand zoals depressie en burn-out.
Je kunt de verschillende hormonen benoemen die door de geslachtsklieren
worden afgegeven, hoe deze afgifte wordt gereguleerd en welke effecten deze
hormonen hebben op het lichaam.
Je kunt van de volgende weefselhormonen aangeven in welke cellen deze
worden geproduceerd en welk effect deze hormonen hebben op het lichaam:
*renine, *erytropoëtine (EPO), *leptine, *histamine, *prostaglandines
Inleiding
De vegetatieve functies zorgen ervoor dat het lichaam werkt in een
geheel, dit zijn: de circulatie, spijsvertering, uitscheiding, ademhaling en
de begrenzing van de huid. Deze functies worden verzorgd door het
zenuwstelsel en het hormoonstelsel die samenwerken om tot de gewenste
effecten te komen. Het hormonale stelsel bestaat uit hormonen die in het
bloed worden afgegeven en vervolgens elders sturend op
,Hormonen
Een hormoon is een chemische boodschapper die processen in het lichaam
regelt.
Het wordt aangemaakt door klieren en via het bloed vervoerd naar
organen of weefsels om daar een specifiek effect uit te oefenen, dit
worden de doelwitorganen genoemd. Ze bevatten doelwitcellen die
gevoelig zijn voor dat specifieke hormoon
Bij interne secretie wordt het product altijd aan het inwendige milieu
afgegeven, zoals insuline of adrenaline.
Bij externe secretie komt het product in het uitwendige milieu terecht,
denk aan zweet of traanvocht.
Hormoonproductie
De meeste hormonen worden gemaakt door endocriene of neurosecretoire
cellen.
Endocriene cellen zijn gespecialiseerde kliercellen die zich enkel
bezighouden met de productie van een bepaald hormoon, ze vormen
samen een hormoonklier, ook wel een endocriene klier genoemd, (zoals
schildklier of alvleesklier). Neurosecretoire cellen zijn gespecialiseerde
zenuwcellen die nauw in contact staan met het zenuwstelsel en
combineren zenuw- en hormoonfunctie. (Bv in de hypothalamus) Zo zorgt
het lichaam voor snelle communicatie via zenuwen en langzamere,
langdurige regulatie via hormonen.
Hormoongroepen
Op basis van hun chemische structuur en het effect op de doelwitcellen,
worden hormonen in twee groepen verdeeld:
1. Steroïdhormonen: verwant aan cholesterol en in vet oplosbaar, gaan
direct de cel in en beïnvloeden DNA om de aanmaak van bepaalde
enzymen te remmen of juist te starten. Voorbeeld: cortisol,
testosteron
2. Eiwithormonen: ook wel peptidehormonen genoemd, bestaan uit
ketens van aminozuren en in wateroplosbaar. Ze binden zich aan de
receptoren van hun doelwit cel, hierdoor wordt een keten van
reacties in gang gezet.
Voorbeeld: insuline, ADH.
Kenmerk Steroïde hormonen Peptidehormonen
Structuur Vetoplosbaar (cholesterol) Eiwit/peptide (aminozuren)
Transport Via transporteiwitten Vrij in het bloed
Receptorlocatie In de cel (cytoplasma/kern) Op het celmembraan
Werkingsmechanism Genregulatie Tweede boodschapper
e
Werking Traag, langdurig Snel, kortdurend
Voorbeelden Testosteron, cortisol Insuline, ADH
Regelkring
Hormoonspiegels worden meestal via negatieve terugkoppeling geregeld.
Dat betekent dat een stijging van het hormoon of echt effect ervan, de
aanmaak remt. Bijvoorbeeld ADH: bij hoge osmotische waarde in het
,bloed, geeft de hypothalamus extra ADH ad, waardoor de nieren minder
water uitscheiden. Wanneer de osmotische waarde weer daalt, stopt de
ADH-afgifte automatisch.
Het hypothalamus-hypofyse-systeem
In de hersenstam bevinden zich de hypothalamus en de hypofyse. De
hypofyse is een hormoonklier en zit vast aan de hypothalamus. De
neurosecretoire cellen in de hypothalamus produceren:
Peptidehormonen: ADH en oxytocine, worden via zenuwvezels
afgegeven aan de neurohypofyse
Releasing hormonen: stimuleren de adenohypofyse in de afgifte van
hypofysehormonen.
Inhibiting hormonen: remmen de adenohypofyse in de afgifte van
hypofysehormonen.
De hypofyse
Bestaat uit neurohypofyse (achterkwab) en de adenohypofyse (voorkwab).
De neurohypofyse:
- Bestaat uit zenuwweefsel
- Ontvangt ADH en oxytocine van hypothalamus:
- Geeft deze hormonen af aan bloed
ADH (antidiuretisch hormoon) verhoogt waterterugresorptie in de nier
waardoor je minder gaat plassen. Oxytocine veroorzaakt weeën,
melkejectie en zaadejectie doordat het de spieren laat samentrekken, ook
staat het bekend als het knuffelhormoon.
De adenohypofyse staat onder controle van de releasing en inhibiting
hormonen uit de hypothalamus. De adenohypofyse maakt:
Glandotrope hormonen: reguleren andere hormoonklieren door middel van
negatieve terugkoppeling in de regelkring.
Effecthormonen: hebben direct invloed op lichaamsfuncties
Glandotrope hormonen uit de adenohypofyse zijn:
TSH (thyroïdstimulerend hormoon): zet schildklier aan tot vorming
schildklierhormoon.
ACTH (aadrenocorticotroophormoon): zet bijnierschors aan tot
vorming corticosteroïden.
FSH (follikelstimulerend hormoon): stimuleert de ontwikkeling van
follikels in de eierstokken en de vorming van zaadcellen.
LH (luteïnserend hormoon): stimuleert follikelrijping en ovulatie.
ICSH (interstitiëlecelstimulerend hormoon): zelfde hormoon als LH
maar bij de man anders genoemd, stimuleert de cellen in de
zaadballen tot aanmaak van testosteron.
Effecthormonen uit de adenohypofyse zijn:
STH (somatotroop hormoon) ofwel GH (groeihormoon): stimuleert
celdeling in alle weefsels, nodig voor groei en herstel na letsel.
, MSH (melanocytenstimulerend hormoon): stimuleert vorming van
melanine in de huid.
LTH (lactotroop) ofwel prolactine: stimuleert ontwikkeling van
melkklieren tijdens zwangerschap en stimuleert melkproductie.
De epifyse
Ook wel de pijnappelklier, ligt in de hersenstam en produceert melatonine.
Dit hormoon regelt ons slaap-waak ritme. De afgifte is afhankelijk van
daglicht, bij minder licht neemt melatonine toe, dit veroorzaakt
slaperigheid en regelt de biologische klok. Ook remt de pijnappelklier de
geslachtsrijping tot de puberteit.
De glandula thyroidea
De schildklier produceert tri-jodothyronine (T3), thyroxine (T4) en
calcitonine.
T3 en T4:
- Verschillen enkel in aantal jodiumatomen, maar hebben zelfde
werking;
- Stimuleren stofwisseling en celgroei
- Worden gevormd door invloed van TSH uit de adenohypofyse
- Werking: bij hoge concentratie T3 en T4 wordt de vorming van TSH
geremd (negatieve terugkoppeling).
Calcitonine verlaagd calcium concentratie in het bloed door:
Calciumopname in de botten te stimuleren;
Terugresorptie van calcium uit de voorurine te verminderen;
Calciumresorptie in de dunne darm te remmen.
De glandulae parathyroidea
De bijschildklieren produceren het parathormoon (PTH), wat de
calciumconcentratie in het bloed juist verhoogd door:
Calciumafgifte van de botten naar het bloed te stimuleren;
Terugresorptie van calcium uit de voorurine te stimuleren;
Calciumresorptie in de dunne darm te stimuleren.
Voor goede werking van PTH is vitamine D noodzakelijk, hoog gehalte
calcium remt de PTH-afgifte automatisch. Calcitonine en PTH zijn
antagonisten van elkaar.
De eilandjes van Langerhans
Bevinden zich in de pancreas en zijn groepjes endocriene cellen, het bevat
2 type cellen:
1. A-cellen: maken glucagon, verhoogd de suikerspiegel door
glycogeen om te zetten in glucose.
2. B-cellen: maken insuline, verlaagt de bloedsuiker door opname van
glucose te stimuleren en door de omzetting van glucose naar
glycogeen.
Glucagon en insuline zijn antagonisten van elkaar.
Werkzaam door regelkring met negatieve terugkoppeing. Bijvoorbeeld: bij
lage bloedsuiker verhoogd de glucagonproductie en verlaagd de
insulinespiegel.