Aandelen = een waardepapier van een bedrijf dat de eigenaar recht geeft op een deel van het bedrijf
Vennootschap = een commerciële onderneming waarbij het eigenaarschap onder meerdere vennoten verdeeld kan zijn
Concern = een groep van ondernemingen die samen een economische eenheid vormen en onder een gezamenlijke leiding
opereren
Zeggenschapsbelang = de mate van invloed van de stemrechten op basis van zijn aandeel in het aandelenkapitaal (1/3 of meer)
Financieel belang = aanspraak maken op ten minste 1/3 van het eigen vermogen, inclusief winstreserves
Kapitaal = bezit dat gebruikt wordt om een inkomen te verwerven
Ondernemingskosten = de uitgaven die zijn gedaan met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming
Onttrekkingen = uitgaven voor doeleinden die aan de onderneming vreemd zijn
Winstreserves = het deel van het resultaat dat niet wordt uitgekeerd aan de aandeelhouders, maar wat in de onderneming blijft
Deelneming = het financiële- en zeggenschapsbelang dat een natuurlijke persoon of rechtspersoon heeft in een andere
rechtspersoon
Deelnemingskosten = met de deelneming samenhangende kosten zoals inningskosten voor dividend, beheerskosten etc.
Meesleepregeling = winstbewijzen en hybride geldleningen ook mogen worden aangemerkt als deelnemingen wanneer
de moedermaatschappij reeds een deelneming heeft op basis van de hoofdregels.
Meetrekregeling = aandelenpakketten van minder dan 5%, winstbewijzen en hybride geldleningen worden gelijkgesteld met een
deelneming wanneer de moedermaatschappij samen met haar verbonden lichamen een deelneming heeft in een bepaald
lichaam op grond van de hoofdregels.
Vignet 1
1. Welke lichamen zijn belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting (subject)?
Art. 1 Vbp geeft aan dat de vennootschapsbelasting geheven wordt van lichamen die onder art. 2 en 3 Vbp worden
genoemd. Er wordt onderscheid gemaakt tussen binnenlands belastingplichtige lichamen (art. 2 Vpb) en buitenlandse
belastingplichtige lichamen (art. 3 Vpb). Binnenlands belastingplichtigen zijn in Nederland gevestigde lichamen die in de
heffing van vennootschapsbelasting worden voor hun wereldwijde winst. Buitenlands belastingplichtige worden slechts
betrokken voor hun Nederlandse inkomen (zie ook art. 17 Vpb).
2. Welke activiteiten vallen onder de belastingplicht? Maakt het daarbij nog uit of sprake is van een
vereniging of van een bv (object)?
Art. 2 lid 1 onderdeel a t/m e Wet Vpb geeft aan welke lichamen worden aangemerkt als onbeperkt belastingplichtige
lichamen. Zij worden op grond van art. 2 lid 5 Wet Vpb geacht met behulp van hun gehele vermogen een onderneming te
drijven. Een ondernemingsfictie is alle behaalde resultaten samen vormen de belastbare winst uit onderneming.
Beperkt belastingplichtigen: stichtingen en verenigingen
Volgens art. 2 lid 1 sub e Wet Vpb worden stichtingen en verenigingen in de heffing van de vennootschapsbelasting
betrokken indien en voor zover zij een onderneming drijven. Een onderneming is hetzelfde als wat in art. 3.4 Wet IB staat:
een duurzame organisatie van arbeid en kapitaal die door deelname aan het economische verkeer beoogt winst te halen.
Ondernemingsvereisten:
1. Deelname aan het economische verkeer: een stichting is niet belastingplichtig voor zover zij opereert binnen een
besloten kring. Dit criterium is van toepassing op verenigingen en stichtingen met een besloten karakter.
2. Duurzame organisatie van kapitaal en arbeid: hulpfactoren in de IB. Het vereiste arbeidselement houdt
activiteiten die slechts bestaan uit normaal actief vermogensbeheer buiten de heffing van
vennootschapsbelasting.
3. Winstoogmerk: voor de vaststelling van een winstoogmerk is een in de statuten van de stichting/vereniging
opgenomen verbod op het maken van winst niet van belang: het gaat om de feiten. Als een stichting stelselmatig
exploitatieoverschotten behaalt, wordt een winstoogmerk aanwezig geacht.
a. Winstbestemming voor het goede doel = indien de winst wordt aangewend voor andere doeleinden dan
het belastingplichtige ondernemingsdeel van de stichting of vereniging, is sprake van een niet-aftrekbare
onttrekking
b. Reservevorming voor toekomstige ondernemingsuitgaven = het behalen van exploitatieoverschotten
met het oog op toekomstige uitgaven t.b.v. het ondernemingsdeel van de stichting of vereniging doet
eveneens geen afbreuk aan de aanwezigheid van een winstoogmerk.
Vaak heeft een stichting/vereniging 2 sferen: belastingplichtige ondernemingssfeer en niet-belastingplichtige privésfeer.
, Concurrentiecriterium
Art. 4 sub a Wet Vpb geeft aan dat een stichting of vereniging belastingplichtig is voor zover zij in concurrentie treedt met
de profitsector door middel van een uiterlijk met een onderneming overeenkomende werkzaamheid. Er is sprake van
concurrentie indien de werkzaamheid ten koste gaat of kan gaan van de omzet van normaal belaste ondernemingen. Van
belang is dat het concurrentiecriterium alleen de afwezigheid repareert van een winstoogmerk, er moet dus nog steeds
sprake zijn van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid.
3. Wat is het tarief van de in de vennootschapsbelasting?
In de vennootschapsbelasting gelden twee tarieven. Het lage Vpb-tarief is 15% en geld tot een bedrag van €245.000. Voor
alle bedragen boven €245.000 geld een tarief van 25% (art. 22 Vpb).
4. Hoe wordt de winst in de vennootschapsbelasting aan de verschillende jaren toegerekend?
Volgens art. 7 Vpb wordt belasting geheven van het belastbare bedrag. Dit is de in een jaar genoten belastbare winst
verminderd met de geleden verliezen. De belastbare winst is de winst verminderd met de aftrekbare giften. Bij
buitenlands belastingplichtigen wordt op grond van art. 17 Wet Vpb slechts het Nederlandse inkomen belast. Art. 8 lid 1
Vpb omschrijft wat begrepen wordt onder winst, hierbij wordt gekeken naar de IB. 3.8 In is van overeenkomstige
toepassing bij het vaststellen van de totale winst. Dit is dus het bedrag van gezamenlijke voordelen uit onderneming. Ook
bij de jaarlijkse bepaling van vennootschapsbelasting geld hetzelfde artikel als in de IB, namelijk 3.25 IB.
Volgens art. 8 Vpb jo. art. 3.8 IB zijn de ondernemingskosten aftrekbaar bij het bepalen van de fiscale winst. De
ondernemingskosten zijn de uitgaven die zijn gedaan met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming.
Onttrekkingen zijn echter niet aftrekbaar. Om te zien of uitgaven van de winst kunnen worden afgetrokken zijn volgens de
totaalwinstconceptie twee stappen nodig:
1. De uitgaven zijn gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder (onzakelijke
uitgaven zijn niet aftrekbaar)
2. Uitgaven die wel een zakelijk karakter hebben kunnen alsnog uitgesloten worden van aftrek wanneer de kosten in
wanverhouding staan met het nut (Cessna-arrest).
Ook geeft art. 10 Vpb een aantal niet-aftrekbare uitgaven. Dit geeft de wettelijke basis voor het klassieke stelsel. Als eerst
wordt de vennootschapsbelasting afgetrokken van de behaalde winst van een lichaam. Vervolgens wordt de winst
uitgekeerd aan een aandeelhouder die hier weer inkomstenbelasting over moet betalen. Dit leidt tot een dubbele heffing
over de winst.
5. Wie is ondernemer in de omzetbelasting?
Een ondernemer is ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent.
Ieder
Onder het begrip ieder vallen natuurlijke personen en rechtspersonen. Ook samenwerkingen zonder rechtspersoonlijkheid
worden aangemerkt als ondernemer. Anders dan bij de inkomstenbelasting waarbij gekeken wordt naar individuele
ondernemers, wordt bij de omzetbelasting naar de eenheid gekeken. Hierdoor kunnen ook bijvoorbeeld verenigingen als
ondernemers worden gezien.
Bedrijf
Een bedrijf is een organisatie van kapitaal en arbeid die gericht is om zo duurzaam mogelijk in het maatschappelijke
ruilverkeer behoeftes te bevredigen. Hierbij hoeft geen winst beoogd te zijn. Dit begrip is dus ook anders binnen de
inkomstenbelasting, omdat daar juist over de winst wordt geheven. De omzetbelasting beoogt omzet te belasten, of er
nou winst is of niet. In de OB wordt ook een zelfstandig uitgeoefend beroep aangemerkt als bedrijf (art. 7 lid 2 OB). Onder
kapitaal kan worden verstaan alle materiele voorzieningen die nodig zijn voor het drijven van een zelfstandige
economische activiteit. Er wordt arbeid verricht wanneer een vermogensbestanddeel zelfstandig wordt geëxploiteerd om
opbrengsten ervan te krijgen.