Inhoud
Leereenheid 0: Voorkennis............................................................................................................................. 3
0.2 Europese integratie: primair en secundair recht.................................3
0.3 Institutionele actoren en besluitvorming............................................6
0.4 Rechtsbeginselen................................................................................9
0.5 Doorwerking......................................................................................12
Leereenheid 1: Europese (markt)integratie................................................................................................... 14
1.2 Hoe komt (markt)integratie tot stand?.............................................14
1.3 (Markt)integratie en rechtstreekse werking......................................17
1.4 Werkingssfeer fundamentele rechten...............................................19
Jurisprudentie..........................................................................................21
Oefenvragen virtuele klas leereenheid 1................................................26
Leereenheid 2: Non-discriminatie en vrij verkeer van goederen....................................................................29
2.2 Vrij verkeer en non-discriminatieregels............................................29
2.3 Vrij verkeer van goederen.................................................................31
Jurisprudentie..........................................................................................35
Oefenvragen virtuele klas leereenheid 2................................................38
Leereenheid 3: Vrij verkeer van personen (EU-burgerschap) en diensten.......................................................41
3.2 Vrij verkeer van personen en EU burgerschap..................................41
3.3 Vrij verkeer van diensten..................................................................45
Jurisprudentie..........................................................................................50
Oefenvragen virtuele klas leereenheid 3................................................52
Leereenheid 4: Vrij verkeer van kapitaal en de Economische en Monetaire Unie...........................................56
4.2 Vrij verkeer van kapitaal...................................................................56
4.3 Economische en monetaire Unie.......................................................59
Jurisprudentie..........................................................................................63
Oefenvragen leereenheid 4....................................................................64
Leereenheid 5: Rechtsbescherming.............................................................................................................. 67
5.2 De rol van de rechter........................................................................67
5.3 Het Hof van Justitie en het Gerecht..................................................68
Beroep wegen niet nakoming (inbreukprocedure)...............................68
1
, Beroep tot nietigverklaring..................................................................69
Actie wegens nalaten...........................................................................71
Niet-contractuele aansprakelijkheid EU...............................................72
5.4 De nationale rechter.........................................................................72
Prejudiciële procedure.........................................................................73
Staatsaansprakelijkheid.......................................................................73
Contractuele aansprakelijkheid EU......................................................74
Jurisprudentie..........................................................................................74
Oefenvragen leereenheid 5....................................................................78
Leereenheid 6: Mededinging........................................................................................................................ 81
6.2 Basisbeginselen en werkingssfeer mededingingsrecht.....................81
6.3 Kartelverbod en machtsmisbruik......................................................84
6.4 Overheidsingrijpen en staatssteun...................................................89
Jurisprudentie.............................................................................................................................................. 93
Oefenvragen virtuele klas leereenheid 6....................................................................................................... 97
Leereenheid 7: Extern beleid...................................................................................................................... 100
7.2 Bevoegdheden extern beleid..........................................................100
7.3 Handelspolitiek, associatie, ontwikkelingsbeleid en het GBVB.......103
Jurisprudentie........................................................................................107
Oefenvragen virtuele klas leereenheid 7..............................................107
2
,Leereenheid 0: Voorkennis
0.2 Europese integratie: primair en secundair recht
Quizvragen
1. Wat is het verschil tussen intergouvernementele en supranationale samenwerking?
Bij intergouvernementele samenwerking behouden staten hun volledige soevereiniteit. Ze werken
samen, maar kunnen niet tegen hun wil worden gebonden aan besluiten die binnen het
samenwerkingsverband worden genomen. Elk land behoudt dus een vetorecht.
Bij supranationale samenwerking wordt (een deel van) de soevereiniteit gedeeld of overgedragen aan
een gezamenlijke organisatie. Deze organisatie kan bindende besluiten nemen, vaak op basis van een
meerderheid, zonder dat individuele staten die besluiten kunnen tegenhouden. Uittreding uit het
verband is dan de enige manier om aan de besluitvorming te ontsnappen – zoals het Verenigd
Koninkrijk deed met Brexit. Het supranationale orgaan krijgt hierdoor eigen bevoegdheden en een
zekere mate van autonomie.
2. Is de Europese Unie een staat?
De Europese Unie is geen staat in klassieke zin, zoals een natiestaat met één regering en één
grondgebied. Toch vertoont ze kenmerken van een staatkundige structuur, zoals eigen instellingen,
wetgeving en een gemeenschappelijk rechtsorde. Dit komt door haar federalistische elementen en
het supranationale karakter van haar besluitvorming.
3. Waarom is de EEG opgericht?
De EEG is opgericht vanwege:
angst voor de kracht van Duitsland;
de wens om een langdurige vrede te creëren;
de voorwaarden die op basis van het Marshallplan waren gesteld.
4. Wat zijn de belangrijkste verdragswijzigingen in chronologische volgorde?
Verdrag Wijziging
1967 Fusieverdrag Fusering van de Raad, Commissie, Hof van
Justitie en Europees Parlement voor de drie
verdragen (EGKS, EEG, EURATOM)
1986 Europese Akte Herziening die bedoeld was ter afronding van
de interne markt in 1992 (of) afspraak om het
geheel van betrekkingen tussen de lidstaten om
te zetten naar een Europese Unie
1997 Verdrag van Amsterdam Versterking positie Europees Parlement
2001 Verdrag van Nice Institutionele wijzigingen gericht op het
functioneren van een sterk uitgebreide
Europese Unie
2007 Verdrag van Lissabon Hervormingsverdrag: omzetting verdragen naar
VEU en VWEU (of) veel van de -niet in werking
3
, getreden- Grondwet wordt in dit verdrag
opgenomen (of) afschaffing pijlerstructuur;
alleen Euratom blijft apart (in totaal nu dus 2
organisaties)
Brightspace
Europese integratie
Een van de aanleidingen voor het ontstaan van de EU was de wens om – na de Tweede Wereldoorlog
– een langdurige vrede te creëren. Een belangrijke overweging hierbij was dat Duitsland niet weer zo
machtig zou moeten worden op basis van haar sterke industrie (en daarmee economie). Tevens
speelde mee dat voor het Marshallplan (de financiële hulp van de VS aan Europa voor wederopbouw)
onder de voorwaarde van Europese integratie werd gegeven.
Vanuit het plan van Schuman (1950) en de oprichting van een gemeenschappelijke markt voor kolen
en staal (EGKS), en vervolgens het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische
Gemeenschap (EEG) en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) werd de interne
markt neergezet als de kern van de communautaire gemeenschap. Vanuit deze kern is die
gemeenschap zich met steeds meer beleidsterreinen gaan bezighouden, zoals de justitiële en politiële
samenwerking.
Bijzonder aan de Europese integratie is dat bij de oprichting van de Europese Gemeenschap
bewust werd gekozen voor een supranationale structuur, waarbij een Hoge Autoriteit boven de
lidstaten werd geplaatst en niet aan hen verantwoording hoefde af te leggen. Dit betekende een
breuk met het klassieke intergouvernementele model van internationale samenwerking, zoals dat
werd gehanteerd door de Raad van Europa (opgericht in 1949).
De ontwikkeling van de EU en de steeds verdergaande Europese integratie beslaat inmiddels meer
dan zeventig jaar. De zes oprichtingsstaten waren Frankrijk, Duitsland, Italië, België, Nederland en
Luxemburg. Inmiddels telt de EU 27 lidstaten, nadat het Verenigd Koninkrijk in 2020 officieel uit de
Unie is getreden.
Primair recht
Het primair recht vormt het juridische fundament van de Europese Unie. Het primair recht is
overeengekomen tussen de lidstaten ter oprichting van de Europese Gemeenschap (nu Europese
Unie) en heeft zich over de jaren ontwikkeld.
Het primair recht bestaat uit de belangrijkste verdragen die de werking en structuur van de EU
bepalen. De volgende verdragen worden tot het primaire EU-recht gerekend:
1. het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU);
2. het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU);
3. het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (sinds 2009).
Deze verdragen leggen vast welke bevoegdheden de EU-instellingen bezitten, welke doelstellingen de
Unie nastreeft, en welke grondrechten en rechtsbeginselen binnen de Unie gelden.
4