PSYCHOFARMACOLOGIE PB1222-242814B
De samenvatting geeft zich vorm volgens de inhoud van de cursus omgeving op
brightspace. Hierdoor kan het zo zijn dat de hoofdstuk opdeling niet logisch op elkaar
volgt let hier dus op. De manier waarop ik samenvat is de stof behandelen en bij alles
een koppeling of voorbeeld op te schrijven, hierdoor kan ik de stof makkelijker opslaan
en ik hoop jullie ook.
Succes met leren!
Studietaken
• Studietaak 1.1 staat stil bij de geschiedenis van de neuropsychologie. We
richten ons daarin met name op Paul Broca, Carl Wernicke en Aleksandr Luria,
die veel hebben betekend voor de neuropsychologie.
• Studietaak 1.2 gaat in op de wetenschappelijke aanpak in de neuropsychologie.
• Studietaak 1.3 behandelt de neuropsychologische praktijk.
• Studietaak 1.4 gaat dieper in op de anatomie van het menselijk brein en de
verschillende beeldvormende technieken die toegepast kunnen worden om de
hersenen te onderzoeken
THEMA 1
Na het afronden van dit thema kun je
• belangrijke bijdragen aan de ontwikkeling van de hedendaagse
neuropsychologie omschrijven
• belangrijke begrippen uit de neuropsychologie uitleggen aan de hand van een
voorbeeld
• het wetenschappelijk gebied van de neuropsychologie en de
neuropsychologische praktijk omschrijven
• uitleg geven over vormen van herstel en behandeling binnen de
neuropsychologie
• uitleg geven over de opbouw van neuronen, de anatomie en de functionele
kenmerken van het menselijk brein
• de kenmerken, voordelen en nadelen van de verschillende
beeldvormingstechnieken toelichten.
,Nadat je deze studietaak hebt bestudeerd, kun je
• de ideeën van Franz Joseph Gall en zijn bijdrage aan de ontwikkeling van de
hedendaagse neuropsychologie beschrijven
• beschrijven hoe casussen van patiënten met hersenbeschadigingen steun gaven
aan de lokalisatietheorie en wat de bijdrage was van Paul Broca en Carl
Wernicke hieraan
• de functionele theorie van Alexandr Luria en zijn bijdrage aan de ontwikkeling
van de hedendaagse neuropsychologie beschrijven.
Hoofdstuk 1
Neuropsychologie= het wetenschapsgebied waarin de samenhang tussen gedrag en
de werking van de hersenen wordt bestudeerd
gedrag> waarneembare acties en reacties + innerlijke en mentale processen zoals
denken en voelen dus gedrag, cognitie en emotie
Dus neuropsychologie is onderdeel van de neurowetenschappen maar verschil is
Het is meer toegepast en klinisch
− Mensen met hersenschade
− Beschadiging en stoornissen gedrag begrijpen
− Emoties en cognitieve functies beïnvloeden
Cognitieve neurwetenschappen= meer fundamenteel en experimenteel vaak bij
mensen die gezond zijn en als doel te begrijpen hoe bepaalde cognitieve processen als
geheugen, waarneming aandacht ontstaan.
We spreken liever van hersendisfuncties dan van hersenaandoeningen, omdat niet alle
aandoeningen zich laten zien op hersenscans. Autisme is bijvoorbeeld niet altijd
zichtbaar daarom wordt dit onderzocht met objectieve meetmethode zoals test en
observaties.
Tools die de klinische neuropsycholoog gebruiken zijn dus: gestandaardiseerde
cognitieve tests, vragenlijsten en observaties.
1.2 historisch perspectief
,Hippocrates (vierde eeuw voor Christus)hield als eerste de hersenen verantwoordelijk
voor het intellect, de zintuigen, kennis en emoties. Hiervoor dachten mensen dat dit
kwam door bovennatuurlijke krachten (afwijkend gedrag en epileptische insulten
zouden hier ook door komen)
Aristoteles (derde eeuw voor Christus) “zetel van het ziel in het hart” hersenen vond hij
van weinig belang. Verschil met Hippocrates was dus dat hij vond dat het hart de
centrale rol speelde bij mentale functies.
Hersenen vs hart
Hippocrates vs Aristoteles
Herophilus (vierde eeuw voor Christus) bracht de “celtheorie” of “ventrikelleer” tot de
aandacht. Hij onderzocht de hersenen van overledenen en vond holtes “ventrikels” en
zei dat het begrijpen en het geheugen zich hierin moest bevinden die hij ‘cellen’
noemde. De ventrikelleer bleef de gangbare theorie tot in de 18e eeuw.
Daardoor dachten mensen lange tijd dat mentale functies in de hersenholtes inplaats
van in het weefsel zelf zat
Rene descartes (1596-1650) veranderde deze visie weer hij zei rationeel dat lichaam en
geest los stonden van elkaar. Hij zag de geest als onafhankelijk immaterieel eenheid.
Die een specifieke plaats in de hersenen had namelijk in de pijnappelklier. Dus geest
stond los maar wel verbonden via die klier.
1.2.1 Lokalisatie en functiedifferentiatie
Franz Joseph gall (1758-1828)
lokalisatietheorie= mentale functies zijn gelokaliseerd in het brein. Verschillende
mentale functies functioneren zelfstandig die delen zitten in de hersenschors; de
cortex.
Door uitstulpingen (knobbels) op de schedel was volgens Gall af te lezen hoe goed een
bepaalde functie zich had ontwikkeld. Vandaar de uitspraken wiskundeknobbel of
talenknobbel =Frenologie
− Weerstand/kritiek was dat er geen ruimte was voor de ziel; te materialistisch.
> een van de patienten Phineas Cage die stalen buis door zijn hoofd kreeg> geen
beperkingen in zijn cognitie, maar op sociaal gebied gaf dit wel veel wijzigingen.
Gevalsbeschrijvingen taalstoornissen:
, Paul Broca: Linker frontaal-kwab = wel taal begrijpen, niet spreken = het gebied van
Broca
Carl Wernicke: Linker-temporaal-kwab = vloeiend spreken, maar niet begrijpen =
gebied van Wernicke.
Wernicke zei er zijn niet alleen specifieke gebieden voor taal maar die gebieden
communiceren ook met elkaar via verbindingsbanen
> schade hieraan leidt dan ook tot specifieke stoornissen zelfs als de hoofdgebieden
zelf dus niet die baantjes intact zijn
> schade tussen het gebied van Broca en Wernicke leidt bijvoorbeeld tot taal kunnen
begrijpen en spreken maar niet na kunnen zeggen = motorische afasie/afasie van
Broca.
Heinrich Lissauer (1861-1891) het model van objectwaarneming ontwikkelde
theoretisch model waarin het herkennen van objecten in 2 opeenvolgende fasen
verloopt:
1. Apperceptie fase (1)= actief + bewust betekenis geven aan informatie door nieuwe
indrukken te verbinden met kennis die je al hebt of gevoelens die je al hebt (nieuwe info
koppelen aan bestaande info)
- Bij een stoornis in deze fase = apperceptieve agonie = kan iemand losse elementen
van een object NIET meer tot een geheel voegen dus iemand herkent een afbeelding van
een stoel NIET en kan deze ook NIET natekenen.
2. Associatie fase (2)= passief verbinden van beelden of concepten in je geheugen dat
je bij 4 poten en een zitvlak denkt a iets om op te zitten.
- Bij een stoornis in deze fase = Associatieve agonie= iemand kan WEL nauwkeurig een
object natekenen maar heeft geen idee wat het is
Kurt Goldstein: een holistische visie > gedrag niet alleen reactie op prikkel maar ook
bepaald door context! omgeving, herinneringen, gevoelens en motivatie bepalen dus
ook hoe iemand reageert.
Belangrijk inzicht voor hoe de moderne cognitieve revalidatie wordt vormgegeven.
1.2.2 Ontwikkeling van de experimentele psychologie
Wilhelm Wundt (1832-1920) grondlegger van de experimentele psychologie.