De overheid is een onderdeel van de collectieve sector. De collectieve sector bestaat uit de
overheid en de sociale fondsen (ze mogen geen winst maken). De sociale fondsen
verzorgen de sociale verzekering, zoals de werkloosheidsverzekering.
De overheid bestaat uit:
Rijksoverheid (nemen beslissingen voor het land)
- regering (bestuurt het land)
- parlement (controleert de regering)
- departementen (ministeries)
Lagere overheden
- provincie (controleert gemeente)
- gemeenten (inwonerszaken: subsidies, woz belasting)
- waterschappen (waterhuishouding)
- sociale fondsen (sociale verzekeringen)
Subsidies: ontvangen zowel consumenten als producenten van de overheid om bepaalde
producten/diensten te stimuleren, want het wordt dan aantrekkelijker om aan te bieden en
aantrekkelijker om te kopen (zonnepanelen).
Accijnzen: zijn een kostenverhogende belasting om gebruik af te remmen. Het wordt minder
aantrekkelijk om aan te bieden doordat bedrijven een deel van de verkoopprijs aan de
overheid afstaan. Het aanbod daalt en het product wordt duurder (tabak, alcohol, brandstof).
Collectieve goederen zijn goederen waar iedereen gebruik van mag/kan maken zoals
straatverlichting, fietspaden en onderwijs. Collectieve goederen zijn niet individueel
verkoopbaar en de collectieve sector zorgt ervoor dat deze goederen aanwezig zijn. De
overheid kan de mensen met belastingheffing wel voor de collectieve goederen laten
betalen.
Nederland heeft een systeem van belasting op inkomen, winst en vermogen (progressief
belastingsysteem) waarbij mensen met een hoog inkomen naar verhouding meer belasting
betalen dan mensen met een laag inkomen. Een voorbeeld hiervan is het oplopende
schijventarief. Mensen zonder inkomen krijgen een uitkering.
Directe belastingen betaal je rechtstreeks aan de overheid, bijvoorbeeld over je inkomen of
winst. Voorbeelden zijn loonbelasting en inkomstenbelasting. Indirecte belastingen zoals btw
en accijnzen, zitten in de prijs van producten of diensten. Je betaalt ze via een omweg
wanneer je iets koopt.