1.1
Overal waar mensen samenleven krijg je te maken met botsende belangen. Deze botsingen
ontstaan door verschillen in waarden van mensen. Dit zijn uitgangspunten of principes die
mensen belangrijk vinden in hun leven en die ze daarom willen nastreven. Welke waarden je
belangrijk vindt, heeft onder andere te maken met je opvoeding, je omgeving, je karakter en
je levenservaring. Waarden leiden bijna altijd tot gedragsregels. Deze regels over hoe je je
op grond van een bepaalde waarde behoort te gedragen, noemen we normen.
Als waarden en normen van verschillende groepen in de samenleving botsen, kan er een
maatschappelijk vraagstuk ontstaan. Ze gaan over kwesties op macroniveau met gevolgen
op microniveau. Een maatschappelijk vraagstuk verschilt per plaats, tijd en groep.
We spreken van een maatschappelijk vraagstuk wanneer:
1. grote groepen in de samenleving de gevolgen ervan ondervinden
2. er sprake is van tegengestelde belangen en visies
3. een gemeenschappelijke aanpak nodig is waarbij de overheid vaak een rol heeft
De overheid zijn de bestuurders, volksvertegenwoordigers en ambtenaren samen, die zijn
verantwoordelijk voor het opstellen, de uitvoering en de naleving van alle wetten.
Het constant veranderen van normen, waarden en belangen in een maatschappij noem je
de dynamiek van de samenleving.
Bij het vaststellen van regels en het maken van afspraken heb je te maken met macht.
Macht is het vermogen om het gedrag of denken van anderen te beïnvloeden, desnoods met
dwang. Macht die geaccepteerd is noemen we ook wel gezag. Met machtsbronnen kan
iemand het gedrag en denken van anderen beïnvloeden. Machtsbronnen zijn bijvoorbeeld
geld, functie, beroep, kennis, overtuigingskracht, aanzien, aantal en geweld.
Sociale ongelijkheid is een ongelijke verdeling van kennis, financiële middelen en macht.
Sociale cohesie is de mate waarin mensen zich verbonden voelen met elkaar.
1.2
Desinformatie is onjuiste of misleidende informatie die expres wordt gemaakt en verspreid
om geld te verdienen, de publieke opinie te beïnvloeden en/of iemand, een groep mensen,
een organisatie of een land te beschadigen. Bij desinformatie is sprake van manipulatie: het
opzettelijk verdraaien of weglaten van feiten. De meest extreme vorm van manipulatie is
indoctrinatie. Daarbij krijgen mensen langdurig, systematisch en dwingend eenzijdige
opvattingen opgedrongen met de bedoeling dat zij deze opvattingen kritiekloos overnemen.
De filterbubbel is het verschijnsel waarbij hetgeen iemand online aangeboden krijgt is
afgestemd op wat hij eerder heeft opgezocht, gepost, geliked of gedeeld.
Hoe je informatie waarneemt en oordeelt heeft te maken met je referentiekader: alles wat je
bezit aan kennis, ervaringen, normen, waarden en gewoonten.
, Een stereotype is een vaststaand beeld van een groep mensen die je allemaal hetzelfde
kenmerk of dezelfde kenmerken toeschrijft, dan kan een selectieve waarneming dit
stereotype bevestigen en daardoor in stand houden.
Met de volgende vragen kan je de betrouwbaarheid van informatie beoordelen:
1. Wie is de zender?
2. Wat is het doel van de zender?
3. Is de informatie actueel?
4. Welke bronnen worden er gebruikt voor de feitelijke informatie?
5. Wordt een situatie van verschillende kanten bekeken?
6. Komt de informatie overeen met andere bronnen?
Journalisten worden opgeleid om nieuws zo onafhankelijk en objectief mogelijk in te brengen
en je dus zo goed mogelijk te informeren. De journalistieke normen zijn:
1. Feiten in de berichtgeving controleren
2. Onderscheid aanbrengen tussen feiten, beweringen en meningen
3. hoor en wederhoor toepassen
4. Meerdere bronnen raadplegen
Bij standpuntbepaling gaat het om de volgende drie onderdelen:
1. argumenteren
2. van meerdere kanten bekijken
3. zo nodig het standpunt herzien
Hoofdstuk 3
3.1
Een staat is soeverein als die op een bepaald, duidelijk begrensd gebied het hoogste gezag
uitoefent en het geweldsmonopolie heeft.
Politiek gaat over het maken van keuzes waaraan alleen in een staat zijn gebonden. Deze
keuzes worden in het algemeen in geldende wetten vastgelegd. De meeste onderwerpen
waarmee de politiek zich bezighoudt zijn van algemeen belang, omdat veel mensen er nu of
later mee te maken krijgen.
Bij een directe democratie zijn er volksstemmingen en heeft iedereen een eigen stem. In de
meeste democratische landen heb je een representatieve democratie. Daarbij kiest het volk
vertegenwoordigers die de beslissingen nemen en aan de bevolking verantwoording moeten
afleggen over hun beleid.
Kenmerken van een democratie:
1. individuele vrijheid
2. er gleden politieke grondrechten
3. politie en leger hebben wettelijk beperkte bevoegdheden
4. er bestaat onafhankelijke rechtspraak
5. Er is persvrijheid