- Pluriforme samenleving → Een samenleving waarin veel verschillen tussen
mensen bestaan in levensstijlen, godsdienst en andere cultuurkenmerken.
- Cultuur → Alle waarden en normen, gewoonten en andere cultuurkenmerken binnen
een groep of samenleving met elkaar gemeen hebben en vanzelfsprekend zijn.
- Een cultuurkenmerk → Een eigenschap of gedraging die voortkomt uit de cultuur
van mensen zoals waarden, normen en gewoonten.
- Socialisatiefunctie van cultuur → Het proces waardoor de cultuur van de groep
waar iemand bij hoort een deel van zijn persoonlijkheid bepaalt.
- Gemeenschappelijk referentiekader → Alles wat mensen gezamenlijk bezitten aan
kennis, ervaringen, normen, waarden en gewoonten.
- Gedragsregulering → Sturing van het gedrag van mensen zodat het geordend en
voorspelbaar verloopt.
- Dominante cultuur → Alle waarden, normen en gewoonten en andere
cultuurkenmerken die de meerderheid van de bevolking met elkaar deelt en als
vanzelfsprekend beschouwt.
- Subcultuur → Een cultuur waarin sommige waarden, normen, gewoonten en andere
cultuurkenmerken afwijken van de dominante cultuur.
- Culturele diversiteit → Het naast elkaar bestaan van veel verschillende subculturen
en levensstijlen.
- Gender → Culturele verschillen tussen mannen en vrouwen.
- Rolpatronen → Algemene verwachtingen en opvattingen over hoe iemand zich
hoort te gedragen.
- Etnische subcultuur → Cultuur van een groep mensen die zich onderling
verbonden voelt door hun land van herkomst en de daarbij horende waarden,
normen, gewoonten en andere cultuurkenmerken.
- Tegencultuur → Cultuur van groepen die zich verzetten tegen (delen van) de
dominante cultuur en die willen veranderen.
- Sociale cohesie → De mate waarin mensen zich verbonden voelen met elkaar.
Paragraaf 2
- Socialisatie → Het proces waarbij iemand bewust of onbewust de waarden, normen
en andere cultuurkenmerken van de groep of groepen waar hij bij hoort, aanleert.
- Socialiserende instituties → Groepen en organisaties die specifieke waarden,
normen en gewoonten overdragen.
- Sociale controle → De manier waarop mensen anderen stimuleren of dwingen zich
aan de geldende normen te houden.
- Sancties → Maatregel om gedrag te stimuleren of af te keuren.
- Internalisatie → Het proces waarbij mensen zich waarden, normen en gewoonten
eigen maken en zich automatisch gaan gedragen zoals hun omgeving van hen
verwacht.
- Persoonlijke identiteit → Het beeld dat iemand van zichzelf heeft.
- Sociale identiteit → Het deel van het zelfbeeld dat is afgeleid van de groepen en
culturen waarmee iemand zich verbonden voelt.
- Cultuurrelativisme → Visie waarin culturen gelijkwaardig aan elkaar zijn en waarin
je het gedrag van de leden van een cultuurgroep alleen beoordeelt naar de
maatstaven van die cultuur.
, - Cultuuruniversalisme → Visie waarin je uitgaat van universele waarden die voor
iedereen op de wereld gelden en het gedrag van de leden van een cultuurgroep
daaraan afmeet.
- Etnocentrisme → Manier van kijken waarbij de eigen groep wordt gezien als
middelpunt van alles en alle andere daaraan afmeet.
Paragraaf 3
- Wij-zij-denken → Patroon waarbij de ene groep tegenover de andere staat en
zichzelf doorgaans als ‘beter’ ziet.
- Categoriseren → De wereld indelen in hokjes waarin mensen, voorwerpen of
situaties automatisch een plaats krijgen.
- Stereotypen → Een overdreven, vaststaand beeld van een groep mensen dat aan
alle leden hetzelfde kenmerk of dezelfde kenmerken toeschrijft.
- Vooroordelen → Een oordeel over iemand of een groep mensen dat niet gebaseerd
is op feiten.
- Discriminatie → Het ongelijk behandelen van individuen of groepen op grond van
kenmerken die in de gegeven situatie niet van belang zijn.
- Racisme → Het doen van kwetsende en vernederende uitspraken over of
discriminatie van mensen op basis van huidskleur of afkomst.
- Institutioneel racisme → Ongelijke behandeling op grond van huidskleur en
afkomst vastgelegd in regels en procedures van organisaties en in ongeschreven
regels, tradities en gewoonten
- Xenofobie → Angst voor een afkeer van het vreemde.
- Polarisatie → Proces waarbij de tegenstellingen tussen groepen sterker worden
waardoor ze steeds meer tegenover elkaar komen te staan.
- Inclusieve samenleving → Een samenleving waarin iedereen ongeacht afkomst,
geloof, geslacht, geaardheid of handicap mee mag en kan doen.
Paragraaf 4
- Migreren → Verhuizen naar een ander land.
- Gastarbeiders → Mensen die tijdelijk naar een ander land verhuizen om daar arbeid
te verrichten.
- Restrictief toelatingsbeleid → Beleid waarbij strenge voorwaarden worden gesteld
aan het toelaten van migranten.
- Vluchteling → Iemand die zijn woonplaats of land moet verlaten vanwege
oorlogsgeweld of omdat hij gevaar loopt vervolgd te worden vanwege geloof,
politieke overtuiging of seksuele geaardheid.
- Arbeidsmigranten → Iemand die verhuist naar een ander land om daar te gaan
werken.
- Asielzoeker → Iemand die asiel zoekt.
- Kennismigranten → Iemand die verhuist naar een ander land omdat daar grote
behoefte is aan zijn kennis.
- Volgmigratie → Migratie als gevolg van gezinshereniging en gezinsvorming.
- Illegalen → Mensen die geen wettige toestemming hebben om in een land te wonen
en te werken.
, Paragraaf 5
- Irreguliere migratie → Migratie zonder geldige documenten zoals een visum of
paspoort.
- Morele verplichtingen → De plicht om te doen wat juist is.