Casus: Tom (hoorcolleges) heeft een burn-out en wordt door de huisarts verwezen omdat er
mogelijk meer aan de hand is.
Casus Paticia is voor het practicum. Casus Marcel is voor de werkgroepen.
Leerdoelen:
Bekend raken met tools
Kritisch denken over diagnostiek
Toepassen tools
Verschillende tools gebruiken en combineren.
Academische onderneming.
Resultaten integreren in onderbouwd verslag
Cut-off score: bij hoeveel klachten is de uitslag positief? Dat kan afhangen bij welke
populatie er wordt getest. Hoe erg is het als je test vals positief is?
Bij diagnostiek hoort de diagnostische cyclus.
1. Exploratie: info van verwijzing en hulvraag vat je samen en je probeert de
vervolgstappen te onderzoeken
2. Inductie: formuleren onderzoeksvragen. Wat is er nodig?
3. Deductie: hoe ga je je hypotheses toetsen?
4. Toetsing
5. Evaluatie: belangrijk maar vaak vergeten.
Er zijn 5 thema’s:
1. Onderkenning: Beschrijving van wat er aan de hand is. Inventarisatie van:
i. Klachten en problemen
ii. Krachten/gunstige omstandigheden
b. Ordening en categorisering in de disfunctionele gedragsclusters of stoornissen
c. Inschatten van de ernst van het probleemgedrag
d. Je gebruikt classificatie en diagnose
e. Classificatie is gebaseerd op indeling DSM. Is puur een indeling en zegt niks
over de oorzaken.
f. In psychodiagnostiek hebben we geen harde cut-offs dus daarom is het slim
om zowel categorale als dimensionele modellen te gebruiken.
, g. Diagnose gaat om individuele kenmerken en over een theorie. Wat is er aan
de hand en waarom nu deze klachten? Hoe ontstaan en waardoor in stand
gehouden?
2. Verklaring: wat is de oorzaak van het probleem en wat houdt het in stand of doet het
zelfs toenemen? Je hebt daarvoor kennis nodig over:
a. Over het beloop van stoornissen
b. Kennis van in standhoudende factoren.
c. De verklarende vraag wordt vaak overgeslagen maar dat is niet handig. Twee
patiënten met dezelfde diagnose kunnen een heel andere causale factor
hebben. Kijken naar een verklaring kan dan nuttig zijn.
d. Verklaring uitzoeken kan lastig zijn. Een correlatie is geen causaal verband.
3. Predictie: hoe zal het probleem zich gaan ontwikkelen? Hiervoor heb je kennis nodig
over het beloop en predictoren van stoornissen. Denk aan kans op suïcide, agressieve
recidive en het krijgen van een terugval.
4. Indicatie: dit gaat over de behandeling. Welke behandeling komt het meest in
aanmerking? Hiervoor moet je kennis hebben over welke behandelingen effectief zijn
bij welke stoornissen. Kijk op ggzrichtlijnen.nl
a. Er zijn vaak meerdere evidence based behandelingen. Kijk dan goed naar je
client.
i. Eerste GGZ contact of niet?
ii. Voldoende draagkracht en intelligentie
iii. Ratio vs. emotie
5. Evaluatie: in hoeverre werkt de behandeling? Indien de behandeling niet werkt vraag
je dan af hoe dat komt. Blijf kritisch. Blijf je afvragen of je diagnose juist is. Vraag je af
of je wel alle informatie hebt. Bekijk ook of de behandeling juist is uitgevoerd. Het
gebeurd ook vaak dat niet de eerste keus interventie wordt uitgevoerd.
Je moet je realiseren dat je als diagnosticus ook maar gewoon een mens bent. We hebben
bepaalde neigingen:
We zoeken bevestiging voor onze hypotheses (confirmation bias)
We ‘vergeten’ informatie die niet overeenstemt met onze hypotheses.
Relaties tussen problemen worden overschat
Overdiagnostiek. Wees dus niet té nieuwsgierig
We zijn geneigd om hypes te volgen. Zoals toepassen nieuwe behandeling
Er zijn dus veel valkuilen.
,Belangrijk is een goede onderzoeksopzet. Die bestaat uit vragen, hypotheses en de juiste
tests.
Hoe stel je goede onderzoeksvragen?
o Wees specifiek. Dus niet als onderkenning: ‘wat is er aan de hand?’
Hoe formuleer je hypotheses
o Je hypothese moet toetsbaar zijn
Kies vervolgens de juiste tools bij de juiste vraag
Hoe selecteer je tests?
1. COTAN criteria
a. Validiteit en betrouwbaarheid
b. Dingen zoals interne validiteit zijn vaak lastig te meten. Vooral als het gaat om
een lastig construct.
2. Wat is het doel van je vraag?
a. Eerste diagnose of uitgebreid vervolg PO?
3. Bedenk ook wie je patiënt is. Heeft je patiënt wel geduld voor een vragenlijst en wat
is de intelligentie?
Je kunt ook op een meer medische manier kijken naar testen: diagnostische testwaardes.
Sensitiviteit: percentage terecht positieve uitslagen onder zieke personen
Specificiteit: percentage terecht negatieve uitslagen onder niet-zieke personen.
Normgroepen zijn heel belangrijk. De normgroep moet ongeveer gelijk zijn met de patiënt
die je wil testen.
Take home message:
1. Blijf open staan voor nieuwe ideeën.
2. Maak jezelf niet wijs dat je zomaar onbevooroordeeld gegevens verzamelt.
3. Laat je leiden door de vraag wat spreekt er tegen mijn hypothese?
Hoorcollege 2 intake
College gegeven door Anne Winters. Anne Winters heeft veel ervaring met het doen van
intakes. Eerst wat achtergrond informatie.
Ieder traject begint met een intake. Je doet de eerste exploratie van de klachten en je stelt je
hypotheses op.
, Doel intake:
Wat?
Eerste exploratie van klachten en symptomen
Hypothesen voor verder onderzoek
Hoe?
Creëren van veilige professionele relatie door: 3 voorwaarden
Zorgen voor een rustige veilige omgeving.
Gepast en professioneel gekleed.
Kennis van psychopathologie en (DSM)
Maak gebruik van gesprekstechnieken
Inhoud van het gesprek
Aard van de gegevens volgens Hoekstra (1989): dit hangt ook af in welke instelling je
werkt, wat de vraag is van de client en of je werkt in de basis of specialistische GGZ.
Klachten
Omstandigheden
Persoonlijkheidsontwikkeling
Verdere levensloop
Hulpvraag van de client
2 belangrijke vragen:
o Is er sprake van een DSM diagnose?
o Is deze client hier aan het juiste adres? Voldoet hij aan inclusiecriteria?
Hebben wij de juiste tools om te helpen?
o Deze twee vragen kan je niet altijd al na 1 gesprek beoordelen. Soms duurt
dat even maar je houdt ze wel in je achterhoofd.
o Bedenk hierbij dat een DSM diagnose vaak nodig is om vergoeding te krijgen.
Maar niet alle diagnoses worden vergoed.
Wijze van informatie verzameling:
o SCID – I en II
o MINI