Samenvatting
Hoofdstuk 1 – Kennismaking met het internationaal
recht
1.1 – Wat is internationaal recht?
Geschiedenis van het internationaal recht
Het internationaal recht is het recht tussen staten onderling.
Recht bestaat al erg lang, al rond 2100 v.Chr. schreven volken in
Mesopotamië hun wetten op een rotsblok.. De koning van Egypte en de
Koning van de Hittieten erkenden ook elkaars grondgebied (deel v
internationaal recht). Volken beseffen dus al lang dat het nuttig is om
afspraken met elkaar te maken. De Grieken legden het natuurrecht vast,
en de Romeinen maakten later het ius gentium (recht voor iedereen) en
het ius civile (recht voor Romeinen).
Ook in de vroegmoderne tijd ontstonden steeds meer verdragen, denk aan
de Vrede van Westfalen in 1648. Hier werd voor het eerst de term
soevereiniteit beschreven.
Hugo de Groot maakte later het zeerecht, omdat de zee van ons allemaal
is.
De belangrijkste recentelijke ontwikkeling vond plaats na WOII, de
oprichting van de VN in 1945.
Internationaal publiekrecht
Binnen het nationale recht creëert de soevereine overheid wetten en
regels voor burgers op het eigen grondgebied. Internationaal gelden er
andere regels, namelijk het internationaal recht.
Het internationaal recht bestaat uit publiekrecht en privaatrecht.
Internationaal publiekrecht richt zich op staten, bijvoorbeeld door het
tegengaan van terrorisme of het klimaatprobleem. Internationaal
privaatrecht daarentegen richt zich vooral op geschillen tussen natuurlijke
personen/rechtspersonen onderling (denk aan een koop). Internationaal
privaatrecht wordt door staten zelf gemaakt, en is dus eigenlijk niet zo
‘internationaal’ als het internationaal publiekrecht.
In BW 10 vinden we onze conflictregels, en in het Rv staan regels over de
bevoegdheidsverdeling van rechters in onder andere internationale
situaties.
,Door de toenemende globalisering en internationalisering zijn er steeds
meer verdragen gesloten tussen landen. Daarom hebben we ook ons
nationale internationale privaatrecht afgestemd met andere landen.
Verdragen en EU-regels die weliswaar inhoudelijk gaan over onderwerpen
van (internationaal) privaatrecht, maar wel gemaakt zijn door
internationale besluitvormingsprocedures, vallen onder het internationaal
publiekrecht.
Het internationale rechtssysteem kent geen handhavingssysteem. Er is
geen centraal systeem van uitvoerende, wetgevende en handhavende
macht. De handhaving ligt eigenlijk bij staten zelf. Wel hebben we een
aantal organisaties opgericht, zoals bijvoorbeeld de VN Veiligheidsraad.
Deze kan sancties opleggen waar VN-lidstaten zich aan moeten houden.
Ook de EU kan via haar instellingen sancties opleggen.
1.2 – Internationale rechtsorde
Decentraal
Staten zijn dus de belangrijkste spelers in de internationale rechtsorde, en
kunnen over van alles en nog wat regels maken. Deze afspraken worden
vaak vastgelegd in schriftelijke overeenkomsten, verdragen. Ook
internationale organisaties kunnen verdragen sluiten, zoals de EU.
Staten zijn (juridisch) min of meer gelijk aan elkaar. Ze zijn zelfstandig
bevoegd om rechtsbetrekkingen met elkaar aan te gaan. Staten zijn dus
soeverein. Die soevereiniteit wordt benadrukt in art. 2 lid 1 van het VN-
Handvest.
We spreken in het internationaal recht van een horizontale rechtsorde.
Staten hebben dus in principe geen hogere macht boven hen. De VN-
veiligheidsraad of sancties van de EU zijn hier wel een uitzondering op.
Staten hebben echter wel zelf gekozen om hier aan deel te nemen, en
kunnen er op terugkomen.
Afhankelijkheid
Staten zijn dus soeverein, maar toch zijn ze ook afhankelijk
(interdependent) van elkaar. Ze moeten bv afspraken maken over
grensoverschrijdende milieuproblemen.
Invloed van politieke factoren en machtsverhoudingen
Politieke factoren hebben ook invloed op het internationaal recht. De ene
groep regeringsleiders zullen andere ideeën hebben over internationale
samenwerkingen dan de andere groep.
Daarnaast is macht ook van invloed. Staten zijn soeverein en juridisch
gelijk, maar de VS heeft meer macht dan bijvoorbeeld Nepal. Machtige
staten zullen vaak met iets meer weg kunnen komen, ook al willen zij wel
natuurlijk wel zo veel mogelijk hun goodwill behouden.
, 1.3 – Doorwerking van internationaal recht in de Nederlandse
rechtsorde
Mensen kunnen zich steeds vaker beroepen op internationaal vastgelegde
rechten, zoals rechten vastgelegd in het EVRM.
In Nederland gebruiken we een gematigd monistisch systeem. Dit
betekent dat internationale verdragen direct werken in de nationale
rechtsorde. Dit staat tegenover het dualistische systeem, wat inhoudt dat
internationaal recht eerst omgezet moet worden in nationaal recht.
In art. 93 Gw staat dat bepalingen van verdragen en besluiten van
volkenrechtelijke organisaties een verbindende kracht hebben nadat zij
zijn bekendgemaakt. Het moet wel gaan om bepalingen die naar haar
inhoud een ieder kunnen verbinden. Die bekendmaking gebeurt in het
Tractatenblad. In het ‘Grenstractaat van Aken’-arrest uit 1919 gaf de HR al
aan dat ieder verbindende verdragsbepalingen direct doorwerken.
De term ‘een ieder verbindende bepaling’ wordt uitgelegd als ‘regels
waaruit je duidelijk een recht of plicht kunt afleiden’. (denk aan de
‘duidelijk en onvoorwaardelijke’ criteria van Van Gend en Loos uit het
Europees Recht.)
Gewoonterecht wordt niet bekendgemaakt, en kunnen particulieren ook
niet gebruiken (NYUGAT-arrest). Vandaar de term ‘gematigd’ monistisch.
Volgens art. 94 Gw (en het voorrangsbeginsel) heeft internationaal recht
voorrang op nationaal recht. Om een internationale bepaling in te roepen
moet hij wel voldoende nauwkeurig (duidelijk) zijn, en geen
uitvoeringsmaatregelen vereisen.
De rechter mag verdragen ook niet toetsen aan de GW (art. 120 GW
toetsingsverbod).
Hoofdstuk 2 – Internationale rechtssubjecten
2.1 – Internationale rechtssubjecten
Rechtssubjecten zijn dragers van rechten en plichten. In het nationale
recht kennen we natuurlijke personen en rechtspersonen. Internationaal
recht heeft ook verschillende rechtssubjecten, die worden in de komende
paragraven behandeld.
2.2 – Staten
De staat is het belangrijkste rechtssubject. Wij hanteren 3 criteria voor
wanneer iets een staat is:
1. Territoir of grondgebied;
2. Bevolking;
3. Een regering oefent er effectief het hoogste gezag uit: soevereiniteit.
Deze criteria zijn gegroeid in het internationaal gewoonterecht.