Boek: Anders kijken (2015 (3e druk))
Deel |: Een beknopte inleiding tot de systeemtheorie.
Hoofdstuk 1: Het karakter en de plaats van de systeemtheorie.
1.1: Theorieën over menselijk gedrag.
Psychoanalyse (Sigmund Freud):
- Relatie met ouders (objecten); onbewuste; angst; ontwikkeling in fasen. Drie fasen:
de ontwikkelingsfasen.
Behaviorisme (Skinner, Pavlov):
- Gedrag wordt aangeleerd of afgeleerd; modelling; conditionering.
Humanistische psychologie (Maslow, Rogers):
- Behoeftehiërarchie; de mens ontwikkelt zich in relatie met anderen; holistisch.
1.2: Een verkenning van de systeemtheorie.
- Een individu is onderdeel van een geheel (context).
- Bredere blik dan alleen op het individu geeft meer informatie.
- Individu wordt beïnvloed door anderen en andersom.
- Er vormen zich allerlei structuren/verbanden/patronen tussen mensen.
- Inclusief denken en kijken: verbanden zien door de omgeving erbij te betrekken.
- Individueel gedrag (groten)deels te verklaren door analyse van de omgeving.
- Systeemtheorie is een theorie die als het ware boven de anderen theorieën ‘hangt’.
- Dat noemt men een ‘metatheorie’.
- Een metatheorie heeft een hoger abstractieniveau dan ‘gewone’ theorieën.
- Het gaat om een manier van kijken, benaderen.
- Komt voort uit andere theorieën en legt ook verbindingen.
Kern systeemtheorie:
- Het geheel is meer dan de som van de delen.
- Ales met elkaar samen.
- Het systeem bepaalt in belangrijke mate ons gedrag.
- Het systeem vertoont overlevingsdrang.
- Het systeem zoekt eventueel naar een andere functie.
- Factoren die het gedrag van mensen beïnvloeden, worden in het systeem gezocht.
- Systeemtheorie is de-individualiserend.
- Motieven, bedoelingen en intenties doen er minder toe.
- Interactieaspecten van bepaalde verschijnselen worden onvoldoende onderkend.
- Informatie versus energie.
Feedback is een wezenlijk kenmerk van sociale systemen.
- Feedback is een begrip uit de cybernetica.
- Vermogen tot bijsturen.
- Betekenis van feedback in algemeen spraakgebruik en in de systeemtheorie is
verschillend.
- Negatieve feedback: draagt bij aan de bestendiging van de situatie, aan het
voortbestaan van de bestaande toestand van het systeem. Negatieve feedback is erop
gericht veranderingen tegen te gaan.
, - Positieve feedback: is er daarentegen op gericht dat het systeem verandert en dat
een bepaalde systeemnorm die tot dan toe gold, wordt losgelaten.
- Hoe langer de tijdsduur, des te meer patroonvorming.
- Beperking.
- Redundantie: geeft aan dat veel informatie binnen het systeem overbodig is, geen
nieuwe informatie bevat, zichzelf herhaalt en volledig past in het patroon dat ons al
bekend was. De begrippen redundantie en patroon gelden binnen de systeemtheorie
als synoniemen.
- Redundantie = patroon.
- Communicatie = interactie = gedrag = beïnvloeding.
- Alle gedrag is communicatie, ook asociaal gedrag.
1.3: Vergelijking tussen de eerdere psychologische stromingen en de systeemtheorie.
De benaderingswijze van de systeemtheorie is interpersoonlijk. Het gaat om relaties en
patronen tussen mensen. Heeft belangstelling voor zichtbare zaken: gedrag, relaties,
coalities, groepsstructuren, relatiepatronen en de wijze waarop het systeem probeert te
voldoen aan de door zichzelf gestelde norm. Gaan ervan uit dat de problemen van nu ook in
het hier en nu moeten worden opgelost. Zoekt niet naar redenen, maar naar de aard van de
patronen. Een andere manier van kijken naar ziekte en ‘vreemd’ gedrag.
AB = lineaire causaliteit.
ABAB = circulaire causaliteit.
1.4: Een ander soort theorie: het metakarakter van de systeemtheorie.
Systeemtheorie is een wijze van benaderen.
Hoofdstuk 2: Het systeembegrip en de belangrijkste kenmerken van open
systemen.
2.1: Het begrip systeem; een definitie.
Een systeem is een samenstel van elementen en van betrekkingen tussen die elementen, dat
als geheel functioneert door de onderlinge afhankelijkheid van de elementen en dat voor de
betrokken elementen bepaalde functies vervult.
Ook wel bijeenplaatsen, groeperen en samenstellen.
2.2: Niveaus waarop systemen en hun delen geformuleerd kunnen worden.
De niveaus waarop systemen en hun delen worden geformuleerd, variëren van situatie tot
situatie en worden in eerste instantie bepaald door de belangstelling en behoefte van
degene die het systeem beschrijft of bestudeert.
2.3: Het tijdselement.
Een systeem heeft altijd een zekere wordingsgeschiedenis die een bepaalde tijdsduur
impliceert. Een systeem heeft tijd nodig om tot ontwikkeling te komen. Tegenovergestelde is
een ‘hoop’.
2.4: Totaliteit of systeemsamenhang.
Het begrip totaliteit of systeemsamenhang duidt aan dat als er een verandering optreedt in
een deel van het systeem, dat zijn weerslag heeft op het gehele systeem en dat deze
verandering ook veranderingen teweeg zal brengen in alle andere delen van het systeem.
Alles hangt met alles samen. Leden van het systeem zijn door onzichtbare banden met elkaar
verbonden.
2.5: Niet-optelbaarheid.
Het geheel is meer dan de som van de delen. Met het begrip niet-optelbaarheid wordt tot
uitdrukking gebracht dat met een eventuele optelling van de delen niet het wezen van de
, zaak wordt gezien en begrepen, aangezien dat wezen ligt op het niveau van het systeem als
geheel en niet op het niveau van (de optelling van) de delen.
Niet-optelbaarheid verwijst naar het karakter en de eigenschappen van het systeem die niet
herleid kunnen worden tot de eigenschappen van de individuele leden van het systeem,
omdat het om eigenschappen gaat van ‘het systeem als zodanig’, het systeem als geheel.
2.6: Subsysteem.
Een subsysteem is een willekeurige samenstelling van twee of meer leden van het systeem.
Het begrip subsysteem is zeer vrij te gebruiken.
2.7: Coalitie.
Een coalitie is een subsysteem van twee of meer leden van het systeem dat wordt
gekenmerkt door gemeenschappelijke intenties en belangen en door gemeenschappelijke
inspanningen om deze intenties te verwezenlijken. Krachten bundelen en elkaar steunen.
2.8: Homeostase.
De homeostase van een sociaal systeem is een toestand van dynamisch evenwicht die – ook
bij verandering van de externe omstandigheden – gekenmerkt wordt door veelvuldige
onderling afhankelijke acties van de leden van het systeem, die erop gericht zijn de doelen of
normen die voor het betreffende systeem gelden, te realiseren. Het begrip impliceert dus
trouw aan een norm en veronderstelt de samenwerking met betrekking tot het realiseren
van die norm, en het vermogen van het systeem om ondanks veranderende interne en
externe omstandigheden met neig improviseren de norm als uitgangspunt vast te houden.
Een systeem zoekt voortdurend naar aanpassing aan de veranderingen en naar een zeker
behoud van het systeem, dit voortdurende proces normen we homeostase:
‘meebewegend/dynamisch evenwicht’.
2.9: Lenigheid van het systeem.
De lenigheid van het systeem is het vermogen van het systeem om zich aan te passen aan
ingrijpende veranderingen die binnen of buiten het systeem plaatsvinden, waarbij bepaalde
normen, die tot dan toe aan het reilen en zeilen van het systeem richting gaven, worden
losgelaten en waarbij naar een volstrekt nieuw evenwicht wordt gezocht.
2.10: De omgeving van het systeem.
De omgeving van een bepaald systeem is het samenstel:
- Van alle objecten buiten het systeem die – wanneer hun kenmerken veranderen – van
invloed zijn op dat systeem, en…
- Van alle elementen buiten het systeem waarvan de kenmerken worden veranderd
door het gedrag van dat systeem.
Systeem en omgeving beïnvloeden elkaar wederzijds. Je hebt open en gesloten systemen,
open systemen zijn bijvoorbeeld gezinnen, omdat het een sociaal systeem is. Gesloten
systemen vinden we alleen maar in natuurkunde en scheikunde. Sociale systemen zijn per
definitie open systemen. Systeem en omgeving vormen samen een metasysteem.
2.11: Het proces van input, throughput en output van energie en informatie.
Het systeem is tot dusver beschreven als een structuur. Men kan het systeem ook bezien als
een proces. Wanneer men dat doet, dienen de begrippen input, throughput en output zich
aan.
Input: organisatie die communiceert met de omgeving, door mankracht of grondstoffen dat
van buiten komt en dus invloed kan uitoefenen.
Throughput: het primaire proces van die omgeving die invloed heeft. De feitelijke productie.
Output: de productie. De gelegenheid waarbij de output van iets wordt aangeboden aan de
samenleving.