Overkoepelend: de rol van de sociaal werker.
- Transitie van Rijk naar Gemeenten transformatie hulp (H1):
o Er wordt verwacht dat hij/zij op een andere manier dan voorheen denkt,
handelt en vormgeeft aan de begeleiding van ouders.
o Je moet je terughoudend opstellen coachende rol.
o Werken aan de vertrouwensband met ouders.
o Je moet een balans vinden tussen professionele afstand en nabijheid. En
tussen opvoedingsdoelen van de ouders en de overheid.
o Reflecteren op het eigen handelen in de terughoudende rol.
o Balans zoeken tussen steunen en bevestigen en/& problemen aan de kaak
durven stellen en stimuleren, activeren en motiveren.
- Zorgvuldig omgaan met ouderschap (H1):
o Uitstralen van mildheid, erkenning en vertrouwen.
o Creëren van een veilige en respectvolle context waarbinnen ouders zich
gehoord voelen.
o Aandacht voor wat wél goed gaat (gevoel goede ouder zijn).
o Niet met oplossingen komen, maar ouders aanzetten tot eigen kracht
(empowermentprocesmodel).
o Bewust zijn van de verschillende rollen en van de emoties, behoeften en
verlangens van ouders.
o Nadruk op vraaggerichte houding.
o Streef naar ontmoeten, vertrouwen opbouwen en gesprekken voeren.
o Oog hebben voor zichzelf. Reflectie en intervisie!
- Relationele autonomie en samenredzaamheid (H4):
o Uitgangspunt dient de kracht en inzet van burgers te zijn, die moeten worden
gestimuleerd, ondersteund en aangevuld.
- Versterken en verbinden (H4):
o Eigen kracht van jongeren en hun draagkracht stimuleren. De sociale
omgeving moet hierbij ook benoemd worden.
- Positief werken (H4):
o ‘Invoegen’ in de leefwereld van de hulpvrager.
o Relatie is het fundament van krachtgerichte zorg.
o Persoonlijke, positieve en respecterende houding van de hulpverlener is een
belangrijke graadmeter voor succes.
o Meedenken met twijfels, meebewegen met weerstand, steun geven aan
geloof in eigen kunnen.
- Participatief en inclusief werken (H4):
o Je bent niet de expert die alles weet en top-down handelt, gestuurd door
strakke protocollen en procedures.
- Pedagogische focus versus integrale aanpak (H4):
o Breed kijken, zeker in complexe probleemsituaties, maar ook focussen op
smalle pedagogische doelen.
o Door mee te gaan met de prioritering van de ouders kan het vertrouwen
groeien.
,- Integraal werken (H4):
o Brede integrale bril biedt zicht op de bredere context van de cliënt.
- Oudergericht werken (H6):
o Rekening houden met factoren die het welzijn van ouder en kind bevorderen.
Deze factoren bevorderen zelf- en samenredzaamheid.
- Solidariteit met ouders vergroten (H7):
o Leren stilstaan bij de ervaringen en belemmeringen van de ouder.
o Leren eigen oordeel over opvoeding achterwegen te laten.
o Jij als hulpverlener bent kenner en deskundige, maar soms dit achterwegen
laten en luisteren naar wat de ouder al weet, denkt, voelt, vermoed.
o Doordat het lijkt dat professionals moeite hebben met vertrouwen op eigen
kunnen van de ouder, komt er wantrouwen en gaan de ouder en hulpverlener
tegenover elkaar staan in plaats van naast elkaar.
- Problemen in de partnerrelatie, ouderschap en (v)echtscheiding (H9):
o De cliënt staat met zijn vragen, problemen, context, sociaal netwerk en
mogelijkheden centraal.
o Je biedt ondersteuning bij relatieproblemen of bij het voorkomen van
echtscheiding, door het geven van informatie en voorlichting over relaties en
door het voeren van gesprekken.
o Hoogste prioriteit:
Conflicten tussen ouders verminderen.
Hen leren geen ruzie te maken in het bijzijn van de kinderen.
Hen te wijzen op het belang van het maken van gezamenlijke
afspraken.
o Je richt je niet alleen op de conflictueuze communicatiestijl, maar vooral ook
op de manier waarop de ouders gezamenlijk (vanuit een wij-benadering) vorm
willen geven aan het contact.
o Gericht bezig zijn met het verminderen van de ouderlijke conflicten. De
gevolgen van de kinderen zijn dan minder groot.
o Ouders stimuleren om het belang van hun kind(eren) voorop te stellen.
o Als ouders uit elkaar gaan, wordt van de sociaal werker meerzijdige
partijdigheid verlangd.
o Het is belangrijk over correcte juridische informatie te beschikken en om de
mogelijkheden en onmogelijkheden binnen de juridische context te kennen.
Ook die in verband met echtscheiding gehanteerd en toegepast worden.
o Ouders stimuleren om in het bijzijn van de kinderen op een begripvolle en
positieve wijze over elkaar te spreken.
- Benodigde vaardigheden van de sociaal werker (H9):
o Signalering: Vroegtijdige signalering van relatieproblemen voorkomt dat
problemen onoplosbaar worden en kinderen daarvan schade ondervinden.
o Samenwerking tussen professionals: Professionals zouden ouders en
jeugdigen meer moeten betrekken bij de (keuze voor) hulp. Zij kunnen samen
doelen vaststellen, gezamenlijk besluiten wat nodig is aan laagdrempelige
ondersteuning of intensievere hulp. Uitgangspunt is oplossingsgericht werken
en zorgen dat de regie zoveel mogelijk bij de partners (ouders) ligt. Het is een
vereiste dat professionals in de samenwerking met elkaar kennis en informatie
, uitwisselen om zo relatie- of scheidingsproblemen vroegtijdig te signaleren en
om de juiste begeleiding in te zitten. ‘Eén gezin, één plan, één regisseur’.
o Samenwerking met ouders: Sociaal werker moet ouders stimuleren om het
belang van hun kind voorop te stellen. Eerste stap is de kwetsbaarheid van het
ouderschap erkennen. Expertise in motiverende gespreksvoering en
oudergericht werken is daarbij een voorwaarde. Je bereikt meer wanneer je
het verlenen of overnemen van hulp kunt loslaten. Taak: jeugdige centraal
stellen in de communicatie rondom het ouderschap en om het proces te
begeleiden. Boodschap uit de Jeugdwet: indien mogelijk dient de cliënt de
regie te hebben en is de professional degene die het proces ondersteunt. Om
ouders te adviseren rondom het hulpaanbod moet de sociaal werker de
sociale kaart rondom de scheiding en relatieversterking kennen. Verdiep je in
verschillende interventies die bestaan voor ouders en jeugdigen.
o Ondersteunen van ouders in een scheiding: Als ouders uit elkaar gaan, wordt
er meerzijdige partijdigheid verlangd. Meerzijdige partijdigheid: afwisselend
moet de sociaal werker de verschillende partijen erkennen en zich kunnen
inleven in ieders positie om zo de dialoog tussen de partijen in gang te zetten.
In vrijwel alle scheidingsgevallen: communicatie tussen ouders dient hersteld
of verbeterd te worden.
Hoofdstuk 1: Perspectieven op het werken met ouders.
Het sociaal werk bevindt zich in een overgangsfase waarin de verzorgingsstaat wordt
vervangen door een participatiesamenleving. Vanaf 1/1/15 kwamen er drie nieuwe wetten:
1) Wet maatschappelijke ondersteuning (wmo), 2) de Participatiewet, 3) De Jeugdwet.
Volgens de Jeugdwet zullen alle vormen van (geïndiceerde) jeugdhulp onder de
verantwoordelijkheid van de gemeenten gaan vallen. Behalve een transitie (van Rijk naar
Gemeenten) vindt er ook een transformatie plaats van hulp aan de jeugd.
Door de Jeugdwet is het accent komen te liggen op het versterken van het opvoedkundig
klimaat in het publieke domein – het creëren van omgevingsfactoren buiten het gezin
waardoor kinderen zich optimaal kunnen ontwikkelen.
Hoofdstuk 2: Opvoeden en sociale verantwoordelijkheid.
2.1: Inleiding.
In de westerse maatschappij wordt opvoeden als een privézaak voor enkel de ouders. Echter
worden ouders beïnvloed door marktmaatschappijen en de overheid in hun ouderschap en
de opvoeding. Overheid: voorkomen kindermishandeling, straatcoaches om ontsporing van
jongeren tegen te gaan, onderwijs vanaf 2,5 jaar om de taal te leren. Marktpartijen:
concurrentie van scholen, commerciële partijen als Triple P binnen Jeugdzorg.
2.2: Opvoeden als maatschappelijke verantwoordelijkheid.
Opvoeden is complex en ouders voelen druk van buitenaf en interne verwachtingen.
Moderne ouders zijn verantwoordelijk voor emotioneel welzijn en geluk van kinderen, niet
alleen basisbehoeften zoals voeding en hygiëne. Het moderne ouderschap is een
onderneming die onder invloed van maatschappelijke veranderingsprocessen als
secularisering, individualisering, emancipatie en informalisering zeer complex is geworden.
Ouders raken hierdoor steeds meer in een isolement kinderen worden gezien als private
worry terwijl ze gezien moeten worden als public worry. Het gaat om burgerlijke
oplettendheid. In een goed functionerende pedagogische civil society: collectieve