Casusbesprekingen
Mei 2026
Inhoudsopgave
Leereenheid 1 2
Leereenheid 2 7
Leereenheid 3 11
Leereenheid 4 16
Leereenheid 5 19
Leereenheid 6 23
Leereenheid 7 28
1
, Leereenheid 1
MC-vragen
Vraag 1
Lees artikel 167 lid 5 VWEU. Op grond van dit artikel blijkt:
a. Dat er geen sprake kan zijn van positieve integratie op het gebied van cultuur.
b. Dat er geen sprake kan zijn van negatieve integratie op het gebied van cultuur.
c. Dat er geen sprake kan zijn van zowel positieve en negatieve integratie op het
gebied van cultuur.
d. Dat er geen sprake kan zijn van bindende maatregelen.
Positieve integratie = harmonisatie. Het betreffende artikel sluit harmonisatie expliciet
uit. Negatieve integratie gaat erover dat lidstaten zich moeten onthouden van
maatregelen die ingaan tegen het unierecht. Het belemmeren van dergelijke bepalingen
is dus niet toegestaan. Stimuleringsmaatregelen zijn wel degelijk bindende maatregelen.
Vraag 2
Waarom wordt geen rechtstreekse werking aangenomen indien nadere handelingen van
de EU-instellingen of de lidstaten noodzakelijk zouden zijn?
a. Dan zou de nationale rechter in plaats van de EU-instellingen treden
b. Dan zou de nationale rechter in plaats van de EU-instellingen of nationale
wetgever treden
c. Dan is er nog geen sprake geweest van positieve integratie
d. Dan is er nog geen sprake geweest van negatieve integratie
Er is rechtstreekse werking wanneer een bepaling voldoende duidelijk en nauwkeurig is,
maar ook deze onvoorwaardelijk is. Als dat niet het geval is, zijn er nadere handelingen
benodigd van andere organen. Dit heeft te maken met de scheiding der machten. Wie de
wet toepast, is in principe niet degene die de wet maakt.
Vraag 3
Stel dat er geen sprake is van rechtstreekse werking. Hoe kan een richtlijn dan alsnog
doorwerking hebben via een nationale rechter en op grond van welk beginsel?
a. De rechter is in dat geval nog steeds verplicht om voorrang te geven aan het
Europees recht op grond van het loyaliteitsbeginsel
2
, b. De rechter is in dat geval nog steeds verplicht om voorrang te geven aan het
Europees recht op grond van het attributiebeginsel
c. De rechter is in dat geval nog steeds verplicht tot richtlijnconforme interpretatie
op grond van het loyaliteitsbeginsel
d. De rechter is in dat geval nog steeds verplicht tot richtlijnconforme interpretatie op
grond van het attributiebeginsel
Het loyaliteitsbeginsel: Op grond van artikel 4 lid 3 VEU geldt dat: de EU en de lidstaten
elkaar respecteren en elkaar steunen bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen
voortvloeien; lidstaten nakoming verzekeren van verplichtingen uit de Verdragen en
handelingen van EU-instellingen; (verdragen refereert naar het primair recht (VEU,
VWEU, Handvest), handelingen zijn rechtshandelingen (zie art. 288 VWEU) secundair
recht hieronder vallen bijvoorbeeld aangenomen richtlijnen en verordeningen).
lidstaten zich onthouden van alle maatregelen die de verwezenlijking van de
doelstellingen van de EU in gevaar kunnen brengen.
Wanneer er geen sprake is van rechtstreekse werking, kan dergelijke voorrang niet in
rechte worden afgedwongen.
Vraag 4
Wat houdt het doeltreffendheidsbeginsel in dat op basis van de Rewe/Comet doctrine?
a. Het procesrecht van de lidstaten moet de handhaving van nationale regels even
doeltreffend behandelen als de handhaving van EU rechtelijke regels
b. Het procesrecht van lidstaten mag het niet nagenoeg onmogelijk maken dat het EU
recht geïmplementeerd kan worden door de nationale wetgever
c. Het procesrecht van lidstaten moet doeltreffend zijn om het EU recht te kunnen
handhaven
d. Het procesrecht van de lidstaten mag niet zodanige regels bevatten die de
handhaving van EU wetgeving nagenoeg onmogelijk maakt.
Er is sprake van procedurele autonomie op het niveau van de lidstaten. Nationale
procesregels worden wel aan twee beginselen getoetst: het gelijkheidsbeginsel en het
doeltreffendheidsbeginsel. Dit laatste gaat er dus over dat het EU recht wel doeltreffend
moet zijn in de zin van dat handhaving ervan niet onmogelijk gemaakt kan worden. Het
gelijkheidsbeginsel betekent dat materiele nationale regels, geen ‘betere’ procedurele
regels mag kennen dan wanneer het Europese wetgeving betreft (zie antwoord alternatief
A).
Vraag 5
Stel dat Jan belasting moet betalen op grond van nationaal recht dat is gebaseerd op de
implementatie van een Europeesrechtelijke richtlijn (de omzettingstermijn is verstreken).
3