Formeel strafrecht week 1
Hoofdstuk 1: Inleiding Strafprocesrecht
Het strafprocesrecht regelt hoe het materiële strafrecht in de praktijk wordt toegepast en is gericht
op de totstandkoming van een beslissing van de strafrechter. Waar het materiële strafrecht bepaalt
wat strafbaar is, richt het strafprocesrecht zich op de manier waarop dit recht wordt uitgevoerd.
- Het belangrijkste doel: het correct toepassen van het strafrecht, zodat schuldigen worden
gestraft en onschuldigen worden beschermd. Omdat het vaak niet meteen duidelijk is wie
schuldig is, geldt het beginsel in dubio pro reo: verdachte krijgt het voordeel van de twijfel.
- Het strafproces moet de rechten van de verdachte respecteren, bijv. het zwijgrecht
- Tegelijkertijd verdienen ook slachtoffers een correcte behandeling, want een slechte
afhandeling kan hun leed verergeren.
- Verder draagt een eerlijk proces bij aan de aanvaardbaarheid van de uitspraak, ook als die niet
perfect is.
- Tot slot laat een openbare terechtzitting zien dat de overheid haar werk transparant en volgens
de regels doet demonstratiefunctie.
In de rechtsstaat mag de overheid alleen strafvorderlijk handelen als de wet haar daartoe
bevoegdheid geeft (legaliteitsbeginsel, art. 1 Sv). Dat waarborgt rechtsbescherming tegen
machtsmisbruik. Tegelijk moeten we niet vergeten dat die bevoegdheden de overheid ook in staat
stellen het publieke belang te dienen. Het strafproces draait om het maken van
zorgvuldige afwegingen. Volledige bescherming van de verdachte kan botsen met andere belangen,
zoals waarheidsvinding of slachtofferrechten. De beschikbare middelen zijn bovendien beperkt.
Hoe zwaarder de straf, hoe zorgvuldiger het proces moet zijn. En hoe ernstiger het delict,
hoe verder de bevoegdheden van politie en justitie mogen reiken. Uiteindelijk moeten alle belangen
in balans worden gebracht in een proces dat voldoet aan de fundamentele doelen van de
strafvordering.
Hoofdstuk 2: Karakter van het strafprocesrecht
Het strafprocesrecht is historisch gegroeid en kent elementen uit 2 klassieke procesmodellen:
Het inquisitoir: ligt de nadruk op het door de autoriteiten ingestelde onderzoek. De rechter
heeft hierin een actieve rol en de verdachte wordt eerder als object van onderzoek
beschouwd dan als volwaardige procespartij. Dit model is gericht op het achterhalen van
de materiële waarheid.
Het accusatoir: ziet het proces als een gelijkwaardig gevecht tussen 2 partijen:
de aanklager en verdediging. De rechter blijft op de achtergrond en fungeert
als scheidsrechter. De verdachte heeft in dit model een zelfstandige rol en mag zijn eigen
processtrategie kiezen.
In Nederland heeft het strafproces sterke inquisitoire wortels, hoewel het zich in de loop der tijd in
de richting van een gematigd accusatoir model heeft ontwikkeld. In het huidige systeem wordt de
verdachte als procespartij erkend, maar de rechter behoudt een actieve rol, onder meer bij
het vergaren van bewijs tijdens de zitting. Ook het OM is in Nederland niet volledig onafhankelijk,
maar onderdeel van de uitvoerende macht, met een magistratelijke functie.
De hoofdrolspelers binnen het strafproces
1. De rechter: onafhankelijk en benoemd voor het leven, met als taak het vinden van de
materiële waarheid.
2. De officier van justitie: vertegenwoordigt het OM en heeft een belangrijke rol in zowel
de opsporing als de vervolging.
3. De verdachte: beschermd door de onschuldpresumptie en het nemo tenetur-beginsel.
4. De advocaat: ondersteunt de verdachte als partijdige belangenbehartiger.
5. Het slachtoffer: neemt een minder centrale plaats in, omdat het strafbare feit juridisch
wordt gezien als een aanval op de rechtsorde, niet slechts op het slachtoffer.
Het strafproces kent verschillende fases:
1. De opsporing: start zodra een redelijk vermoeden is van een strafbaar feit. Deze wordt
uitgevoerd onder gezag van de OvJ.
2. De vervolging: daarna beslist het OM over vervolging, op basis van het
opportuniteitsbeginsel. Kan via dagvaarding, gerechtelijk vooronderzoek of door het
vorderen van bewaring worden gestart.
, 3. De berechting: begint met dv en mond uit in openbare terechtzitting. De rechter vormt zich
in besloten beraad een oordeel over schuld en strafmaat. De uitspraak wordt wel
altijd openbaar gedaan.
4. Eventueel rechtsmiddelen: Na de uitspraak kan zowel de verdachte als het OM in hoger
beroep bij het gerechtshof, dat de zaak opnieuw beoordeelt. Tegen het arrest van het hof
staat cassatie open bij de Hoge Raad, die uitsluitend kijkt of het recht juist is toegepast.
Hoofdstuk 3: Het EVRM en het strafprocesrecht
Hoewel veel rechten uit het EVRM ook in de Nederlandse Grondwet terugkomen, ligt de kracht van
het verdrag in de bescherming tegen willekeur en in de mogelijkheid voor burgers om schendingen
aan te vechten bij een internationale rechter. Staten moeten de verdragsrechten niet alleen
respecteren, maar ook actief beschermen. De betekenis van het EVRM wordt pas echt duidelijk in
het licht van de jurisprudentie, dat een internationale standaard ontwikkelt waaraan nationale
procedures worden getoetst. Opvallend is dat het EHRM bij elke zaak een tweezijdig oordeel velt:
Enerzijds of het individuele recht van de burger is geschonden;
Anderzijds of de staat is tekortgeschoten in zijn verplichting dat recht te waarborgen.
Het Hof spreekt steeds over de staat als geheel, zonder onderscheid tussen wetgever, rechter of
uitvoerende macht. Tegelijk krijgen staten enige beoordelingsvrijheid margin of appreciation, bij
het invullen van hun verplichtingen. Het Hof kijkt terughoudend naar feitelijke oordelen van
nationale rechters, maar toetst wel of die feiten zorgvuldig en eerlijk zijn vastgesteld. Klachten
tegen wettelijke regelingen zijn niet mogelijk; het Hof behandelt alleen concrete individuele
klachten. De interpretatie van het verdrag is steeds gericht op effectieve rechtsbescherming, wat
betekent dat het Hof bereid is tot een ruime uitleg als dat nodig is om mensenrechten te
waarborgen. Begrippen uit het EVRM worden bovendien autonoom geïnterpreteerd: de betekenis
ervan hangt dus niet af van hoe die termen nationaal worden ingevuld.
1. Art. 5 EVRM het recht op vrijheid en veiligheid
In art. 5 lid 1 EVRM worden de gronden die een vrijheidsontneming kunnen rechtvaardigen limitatief
opgesomd. Het doel van art. 5 EVRM is het voorkomen van willekeur ten aanzien van onvrijwillige
opnames, arrestaties en detenties. Let wel, art. 5 EVRM geldt bij vrijheidsbeneming en niet bij
vrijheidsbeperking (zoals een straatverbod). Voor vrijheidsbeperking geldt het minder strenge
regime van art. 2 lid 3 Vierde Protocol EVRM. Voordat je art. 5 kunt toepassen moet je 2 vragen
stellen:
1. Gaat het om vrijheidsbeperking of vrijheidsbeneming? Het moet gaan om
vrijheidsbeneming.
2. Valt de vrijheidsbeneming onder een van de 6 gevallen die genoemd worden in art. 5 lid 1?
Voorts stelt art. 5 EVRM eisen aan de kwaliteit van het nationale recht. Deze wet- en regelgeving
dient toegankelijk en voorzienbaar te zijn. Om te bepalen of iemand zijn vrijheid is ontnomen, wordt
de situatie van het individu als uitgangspunt genomen. Hierbij worden de criteria in ogenschouw
genomen, zoals: de aard, duur, gevolgen en de uitvoeringsmodaliteiten van de straf of maatregel.
Het Hof toetst de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming aan de volgende criteria:
Wettigheid: Aan de wettelijke procedurele wet- en regelgeving voldoen en dat die wet- en
regelgeving dient overeen te stemmen met de beginselen van het EVRM.
Legitimiteit van het doel: De vrijheidsontneming moet een geoorloofd doel hebben.
Noodzakelijkheid: De vrijheidsontneming dient te voldoen aan de eisen van subsidiariteit en
proportionaliteit.
2. Art. 6 EVRM recht op een eerlijk proces
Art. 6 EVRM moet worden geïnterpreteerd in het licht van zijn doel. Voorop staat het voorkomen van
willekeurige bestraffing. Cruciaal is dat art. 6 EVRM het recht van de verdachte om zich te
verdedigen als de belangrijkste waarborg tegen willekeurige bestraffing beschouwt. De vraag die
het Hof steeds beantwoord is of het proces in het geheel eerlijk is geweest. Met het recht op
een fair hearing zijn 2 fundamentele noties nauw verweven, de onschuldpresumptie en het nemo
tenetur-beginsel. De eerste staat in art. 6 lid 2 EVRM en de tweede in art. 14 lid 3 sub g IVBPR. Ook
door een op zich terecht uitgesproken veroordeling die te lang op zich heeft laten wachten, kan art.
6 EVRM worden geschonden. De burger mag van de overheid verlangen dat zij zich
van ongefundeerde verdachtmakingen onthoudt en dat zij hem niet als misdadiger behandelt als
zijn schuld niet bewezen kan worden.
3. Art. 8 EVRM recht op privacy
,Het meest in het oog springend is dat op het terrein van de opsporing. Ieder opsporingsonderzoek
maakt bijna per definitie inbreuk op de privacy van de personen die in het onderzoek worden
betrokken. In beginsel is het artikel een negatieve verplichting voor de overheid. De bescherming
van privacy vraagt soms ook om actieve overheidszorg. Art. 8 lid 2 EVRM maakt duidelijk dat er
uitzonderingen mogelijk zijn en formuleert de voorwaarden waaraan die uitzonderingen moeten
voldoen. De beoordeling door het EHRM of sprake is van een inbreuk verloopt via een vast systeem:
1. Is er sprake van een interference?
2. Is deze interference wel door een public authority (de overheid) gemaakt?
3. Is het in accordance with the law?
4. Heeft het een legitimate aim?
5. Is het noodzakelijk in een democratische samenleving?
Law: Het nationale recht moet, wil het als ‘law’ in aanmerking komen, beantwoorden aan de eisen
van accessibility en foreseeability. Met de eerste eis wordt gedoeld op de toegankelijkheid van het
recht. De tweede eis heeft betrekking op het lex certa-beginsel en daarmee op de voorzienbaarheid
van overheidsoptreden.
Waiver: Van de rechten die het verdrag toekent, behoeft de burger geen gebruik te maken. Als
burgers dit niet doen, wordt er gesproken van afstand van recht doen. 2 vragen kunnen daarbij
worden onderscheiden.
1. Kan van alle verdragsrechten afstand worden gedaan, van welke wel en welke niet?
Hiervoor is het met name van belang hoeveel persoonlijke autonomie zich met een
effectieve bescherming van verdragsrechten verdraagt
2. Als in beginsel afstand van het recht kan worden gedaan, welke eisen dan aan een
rechtsgeldige waiver moeten worden gesteld.
De afstand van recht moet niet alleen in voldoende mate kenbaar zijn, zij moet
ook vrijwillig zijn. Dit brengt met zich mee dat de burger voldoende moet zijn geïnformeerd
met betrekking tot zijn rechten en de consequenties die een waiver voor hem kan hebben.
Hoofdstuk 6.1 -6.3 : Het Openbaar Ministerie en de vervolging
Het OM maakt deel uit van de rechterlijke macht én kan gekwalificeerd worden als een
bestuursorgaan in de zin van art. 1:1 Awb. Let wel, de consequenties van deze kwalificering zijn
voor het OM beperkt. Wie naar art. 1:6 Awb kijkt ziet dat alleen hoofdstuk 9 van toepassing is op
het OM. Dit hoofdstuk gaat over de klachtbehandeling door een bestuursorgaan en door de
nationale ombudsman. Het OM is belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en
met andere bij de wet vastgestelde taken (124 Wet RO). Het OM bestaat uit 6 parketten (art. 134
Wet RO):
1. Parket-Generaal: zijn de procureurs-generaal werkzaam die samen het College vormen (art.
135 Wet RO). Het College van procureurs-generaal staat aan het hoofd van het OM (art. 130
Wet RO). De hoofden van de parketten zijn in hun ambtsuitoefening ondergeschikt aan het
College (art. 139 Wet RO). Hier komt de hiërarchische verhouding van het OM goed naar
voren. Het College van procureurs-generaal kan algemene en bijzondere
aanwijzingen betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het OM geven.
Een algemene aanwijzing van het College komt relatief vaak voor; werp maar een blik op de
website van het OM en kijk onder beleidsregels. Bijzondere aanwijzingen (die worden
gegeven in één concrete zaak) komen minder vaak voor omdat de leden van het OM door
middel van overleg ervoor kunnen zorgen dat ze hetzelfde doel nastreven. Ook de minister
van Justitie en Veiligheid kan aanwijzingen geven aan het OM, maar dat zal in de praktijk
niet vaak voorkomen omdat:
a. Binnen het strafrecht is het niet gebruikelijk dat de minister aanwijzingen geeft aan
het OM. De minister is daar vaak niet voor gekwalificeerd gezien zijn opleiding.
b. Vaak zijn aanwijzingen niet nodig omdat overeenstemming kan worden bereikt door
overleg.
2. De arrondissementsparketten: In elk arrondissement genoemd in art. 134 Wet RO is er een
arrondissementsparket (behoudens één uitzondering). In beginsel hoort dus bij elke
rechtbank een parket. Elk parket staat onder leiding van een hoofdofficier van justitie. Op
elk parket werken officieren van justitie. Zij vertegenwoordigen het OM bij de
arrondissementsrechtbank.
3. Het Landelijk Parket: Bestrijdt (inter)nationaal georganiseerde en ondermijnende
criminaliteit. Bijv. mensenhandel, terrorisme, drugshandel, internationale
(oorlogs)misdrijven, kinderporno en cybercrime. Het Landelijk Parket bundelt haar krachten
met partijen als de Marechaussee en de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst.
, 4. Het Functioneel Parket: Is een specialistisch, landelijk opererend onderdeel van het OM, dat
zich toelegt op de bestrijding van complexe fraude en milieucriminaliteit en in het
afwikkelen van complexe ontnemingszaken. Bij het uitvoeren van deze taken is het FP
verantwoordelijk voor de opsporing en vervolging in strafzaken waarin een bijzondere
opsporingsdienst (BOD) het opsporingsonderzoek doet.
5. Het parket centrale verwerking openbaar ministerie: Geeft adviezen over wet- en
regelgeving op verkeersgebied aan andere onderdelen van het OM, justitie en de politie.
Daarnaast beoordeelt CVOM de beroepen die zijn ingediend tegen verkeersboetes
(Mulderbeschikkingen). En worden vrijwel alle alcohol, drugs- en rijbewijszaken behandeld.
6. Het Ressortsparket: De belangrijkste taak is het behandelen van strafzaken in hoger
beroep.
Hoofdstuk 7.1 – 7.4: De verdachte en zijn raadsman
De verdachte is een vrije burger die wordt beschuldigd van het plegen van een strafbaar feit. Zijn
positie wordt beschermd door de onschuldpresumptie en het nemo tenetur-beginsel: hij hoeft niet
mee te werken aan zijn eigen veroordeling. De bewijslast ligt bij de overheid. Binnen het beginsel
van equality of arms heeft de verdachte het recht om zijn eigen proceshouding te bepalen en zich
te verdedigen op de manier die hij zelf kiest. Om die rol als gelijkwaardige partij echt te kunnen
vervullen, is vaak de bijstand van een raadsman vereist. In sommige gevallen moet de overheid
zelfs in gratis rechtsbijstand voorzien.
In art. 27 Sv worden 2 verschillende functies gegeven van de verdachte. Voordat de vervolging is
aangevangen geldt de omschrijving uit lid 1 (materieel) ‘degene te wiens aanzien uit feiten en
omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit’. Na de
aanvang van de vervolging is de verdachte ‘degene tegen wie de vervolging is gericht’ (formeel
begrip). Een burger kan pas als verdachte worden aangemerkt, als ten aanzien van hem sprake is
van een redelijk vermoeden van schuld. Een persoon die wordt vervolgd, is doorgaans ook iemand
die verdachte is in de zin van art. 27 Sv, maar dit geldt niet andersom!
Art. 27 Sv eist een redelijk vermoeden van schuld. Er zijn drie criteria te onderscheiden:
1. Schuld aan een strafbaar feit.
2. Dit vermoeden moet redelijk zijn, dus objectief.
3. Het vermoeden vloeit voort uit feiten en omstandigheden.
Het kan zijn dat het vermoeden berust op feiten die door opsporingsambtenaren zelf zijn
geconstateerd. Maar het vermoeden kan ook zijn gebaseerd op een aangifte of anonieme tip. De
vraag is steeds of de beschikbare informatie in voldoende mate betrouwbaar kan worden geacht. In
geval van aanhouding op heterdaad ontbreekt een dergelijke voorafgaande toetsing. De
vaststelling moet dan heel snel gemaakt worden, of aan de hierboven genoemde eisen voldaan
wordt.
Vergelijking met art. 6 EVRM
In art. 6 EVRM worden rechten toegekend aan ‘everyone charged with a criminal offence’. Er is
sprake van een criminal charge ‘vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een
handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter
zake van een bepaald strafbaar feit door het OM een strafvervolging zal worden ingesteld’. Het
begrip ‘vervolgde’ in art. 6 EVRM heeft dus met het begrip ‘verdachte’ in art. 27 lid 2 Sv gemeen,
dat het bestaan van een redelijke verdenking niet is vereist. Van een criminal charge is vaak al
sprake voordat de vervolging naar Nederlands recht formeel aanvangt. Dat betekent dat iemand
die nog geen verdachte is in de zin van art. 27 lid 2 Sv, al wel ‘vervolgde’ kan zijn in de zin van art.
6 EVRM.
In art. 29 Sv worden voorschriften gegeven met betrekking tot het verhoor van de verdachte.
Afgerekend wordt met een inquisitoir verleden waarin de verdachte werd gezien als een voorwerp
van onderzoek dat desnoods door middel van marteling tot spreken kon worden gebracht. Hij mag
zwijgen en als hij spreekt moet dat zijn vrije keuze zijn. De wetgever zou echter wel een
spreekplicht voor de getuige in het leven kunnen roepen. Een wettelijke spreekplicht zou in strijd
zijn met art. 6 EVRM. Aan het nemo tenetur-beginsel is dus ook de wetgever gebonden.
- Pressieverbod: beperkt zich niet tot marteling en ander fysiek geweld dat wordt aangewend
om de verdachte aan het spreken te krijgen. Ook bedreigingen zijn uit den boze. Aandacht
verdient dat de verklaringsvrijheid ook door misleiding en bedrog in het gedrang komt. Ook
andere vormen van manipulatie zijn in strijd met art. 29 Sv. Een beproefde
Hoofdstuk 1: Inleiding Strafprocesrecht
Het strafprocesrecht regelt hoe het materiële strafrecht in de praktijk wordt toegepast en is gericht
op de totstandkoming van een beslissing van de strafrechter. Waar het materiële strafrecht bepaalt
wat strafbaar is, richt het strafprocesrecht zich op de manier waarop dit recht wordt uitgevoerd.
- Het belangrijkste doel: het correct toepassen van het strafrecht, zodat schuldigen worden
gestraft en onschuldigen worden beschermd. Omdat het vaak niet meteen duidelijk is wie
schuldig is, geldt het beginsel in dubio pro reo: verdachte krijgt het voordeel van de twijfel.
- Het strafproces moet de rechten van de verdachte respecteren, bijv. het zwijgrecht
- Tegelijkertijd verdienen ook slachtoffers een correcte behandeling, want een slechte
afhandeling kan hun leed verergeren.
- Verder draagt een eerlijk proces bij aan de aanvaardbaarheid van de uitspraak, ook als die niet
perfect is.
- Tot slot laat een openbare terechtzitting zien dat de overheid haar werk transparant en volgens
de regels doet demonstratiefunctie.
In de rechtsstaat mag de overheid alleen strafvorderlijk handelen als de wet haar daartoe
bevoegdheid geeft (legaliteitsbeginsel, art. 1 Sv). Dat waarborgt rechtsbescherming tegen
machtsmisbruik. Tegelijk moeten we niet vergeten dat die bevoegdheden de overheid ook in staat
stellen het publieke belang te dienen. Het strafproces draait om het maken van
zorgvuldige afwegingen. Volledige bescherming van de verdachte kan botsen met andere belangen,
zoals waarheidsvinding of slachtofferrechten. De beschikbare middelen zijn bovendien beperkt.
Hoe zwaarder de straf, hoe zorgvuldiger het proces moet zijn. En hoe ernstiger het delict,
hoe verder de bevoegdheden van politie en justitie mogen reiken. Uiteindelijk moeten alle belangen
in balans worden gebracht in een proces dat voldoet aan de fundamentele doelen van de
strafvordering.
Hoofdstuk 2: Karakter van het strafprocesrecht
Het strafprocesrecht is historisch gegroeid en kent elementen uit 2 klassieke procesmodellen:
Het inquisitoir: ligt de nadruk op het door de autoriteiten ingestelde onderzoek. De rechter
heeft hierin een actieve rol en de verdachte wordt eerder als object van onderzoek
beschouwd dan als volwaardige procespartij. Dit model is gericht op het achterhalen van
de materiële waarheid.
Het accusatoir: ziet het proces als een gelijkwaardig gevecht tussen 2 partijen:
de aanklager en verdediging. De rechter blijft op de achtergrond en fungeert
als scheidsrechter. De verdachte heeft in dit model een zelfstandige rol en mag zijn eigen
processtrategie kiezen.
In Nederland heeft het strafproces sterke inquisitoire wortels, hoewel het zich in de loop der tijd in
de richting van een gematigd accusatoir model heeft ontwikkeld. In het huidige systeem wordt de
verdachte als procespartij erkend, maar de rechter behoudt een actieve rol, onder meer bij
het vergaren van bewijs tijdens de zitting. Ook het OM is in Nederland niet volledig onafhankelijk,
maar onderdeel van de uitvoerende macht, met een magistratelijke functie.
De hoofdrolspelers binnen het strafproces
1. De rechter: onafhankelijk en benoemd voor het leven, met als taak het vinden van de
materiële waarheid.
2. De officier van justitie: vertegenwoordigt het OM en heeft een belangrijke rol in zowel
de opsporing als de vervolging.
3. De verdachte: beschermd door de onschuldpresumptie en het nemo tenetur-beginsel.
4. De advocaat: ondersteunt de verdachte als partijdige belangenbehartiger.
5. Het slachtoffer: neemt een minder centrale plaats in, omdat het strafbare feit juridisch
wordt gezien als een aanval op de rechtsorde, niet slechts op het slachtoffer.
Het strafproces kent verschillende fases:
1. De opsporing: start zodra een redelijk vermoeden is van een strafbaar feit. Deze wordt
uitgevoerd onder gezag van de OvJ.
2. De vervolging: daarna beslist het OM over vervolging, op basis van het
opportuniteitsbeginsel. Kan via dagvaarding, gerechtelijk vooronderzoek of door het
vorderen van bewaring worden gestart.
, 3. De berechting: begint met dv en mond uit in openbare terechtzitting. De rechter vormt zich
in besloten beraad een oordeel over schuld en strafmaat. De uitspraak wordt wel
altijd openbaar gedaan.
4. Eventueel rechtsmiddelen: Na de uitspraak kan zowel de verdachte als het OM in hoger
beroep bij het gerechtshof, dat de zaak opnieuw beoordeelt. Tegen het arrest van het hof
staat cassatie open bij de Hoge Raad, die uitsluitend kijkt of het recht juist is toegepast.
Hoofdstuk 3: Het EVRM en het strafprocesrecht
Hoewel veel rechten uit het EVRM ook in de Nederlandse Grondwet terugkomen, ligt de kracht van
het verdrag in de bescherming tegen willekeur en in de mogelijkheid voor burgers om schendingen
aan te vechten bij een internationale rechter. Staten moeten de verdragsrechten niet alleen
respecteren, maar ook actief beschermen. De betekenis van het EVRM wordt pas echt duidelijk in
het licht van de jurisprudentie, dat een internationale standaard ontwikkelt waaraan nationale
procedures worden getoetst. Opvallend is dat het EHRM bij elke zaak een tweezijdig oordeel velt:
Enerzijds of het individuele recht van de burger is geschonden;
Anderzijds of de staat is tekortgeschoten in zijn verplichting dat recht te waarborgen.
Het Hof spreekt steeds over de staat als geheel, zonder onderscheid tussen wetgever, rechter of
uitvoerende macht. Tegelijk krijgen staten enige beoordelingsvrijheid margin of appreciation, bij
het invullen van hun verplichtingen. Het Hof kijkt terughoudend naar feitelijke oordelen van
nationale rechters, maar toetst wel of die feiten zorgvuldig en eerlijk zijn vastgesteld. Klachten
tegen wettelijke regelingen zijn niet mogelijk; het Hof behandelt alleen concrete individuele
klachten. De interpretatie van het verdrag is steeds gericht op effectieve rechtsbescherming, wat
betekent dat het Hof bereid is tot een ruime uitleg als dat nodig is om mensenrechten te
waarborgen. Begrippen uit het EVRM worden bovendien autonoom geïnterpreteerd: de betekenis
ervan hangt dus niet af van hoe die termen nationaal worden ingevuld.
1. Art. 5 EVRM het recht op vrijheid en veiligheid
In art. 5 lid 1 EVRM worden de gronden die een vrijheidsontneming kunnen rechtvaardigen limitatief
opgesomd. Het doel van art. 5 EVRM is het voorkomen van willekeur ten aanzien van onvrijwillige
opnames, arrestaties en detenties. Let wel, art. 5 EVRM geldt bij vrijheidsbeneming en niet bij
vrijheidsbeperking (zoals een straatverbod). Voor vrijheidsbeperking geldt het minder strenge
regime van art. 2 lid 3 Vierde Protocol EVRM. Voordat je art. 5 kunt toepassen moet je 2 vragen
stellen:
1. Gaat het om vrijheidsbeperking of vrijheidsbeneming? Het moet gaan om
vrijheidsbeneming.
2. Valt de vrijheidsbeneming onder een van de 6 gevallen die genoemd worden in art. 5 lid 1?
Voorts stelt art. 5 EVRM eisen aan de kwaliteit van het nationale recht. Deze wet- en regelgeving
dient toegankelijk en voorzienbaar te zijn. Om te bepalen of iemand zijn vrijheid is ontnomen, wordt
de situatie van het individu als uitgangspunt genomen. Hierbij worden de criteria in ogenschouw
genomen, zoals: de aard, duur, gevolgen en de uitvoeringsmodaliteiten van de straf of maatregel.
Het Hof toetst de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming aan de volgende criteria:
Wettigheid: Aan de wettelijke procedurele wet- en regelgeving voldoen en dat die wet- en
regelgeving dient overeen te stemmen met de beginselen van het EVRM.
Legitimiteit van het doel: De vrijheidsontneming moet een geoorloofd doel hebben.
Noodzakelijkheid: De vrijheidsontneming dient te voldoen aan de eisen van subsidiariteit en
proportionaliteit.
2. Art. 6 EVRM recht op een eerlijk proces
Art. 6 EVRM moet worden geïnterpreteerd in het licht van zijn doel. Voorop staat het voorkomen van
willekeurige bestraffing. Cruciaal is dat art. 6 EVRM het recht van de verdachte om zich te
verdedigen als de belangrijkste waarborg tegen willekeurige bestraffing beschouwt. De vraag die
het Hof steeds beantwoord is of het proces in het geheel eerlijk is geweest. Met het recht op
een fair hearing zijn 2 fundamentele noties nauw verweven, de onschuldpresumptie en het nemo
tenetur-beginsel. De eerste staat in art. 6 lid 2 EVRM en de tweede in art. 14 lid 3 sub g IVBPR. Ook
door een op zich terecht uitgesproken veroordeling die te lang op zich heeft laten wachten, kan art.
6 EVRM worden geschonden. De burger mag van de overheid verlangen dat zij zich
van ongefundeerde verdachtmakingen onthoudt en dat zij hem niet als misdadiger behandelt als
zijn schuld niet bewezen kan worden.
3. Art. 8 EVRM recht op privacy
,Het meest in het oog springend is dat op het terrein van de opsporing. Ieder opsporingsonderzoek
maakt bijna per definitie inbreuk op de privacy van de personen die in het onderzoek worden
betrokken. In beginsel is het artikel een negatieve verplichting voor de overheid. De bescherming
van privacy vraagt soms ook om actieve overheidszorg. Art. 8 lid 2 EVRM maakt duidelijk dat er
uitzonderingen mogelijk zijn en formuleert de voorwaarden waaraan die uitzonderingen moeten
voldoen. De beoordeling door het EHRM of sprake is van een inbreuk verloopt via een vast systeem:
1. Is er sprake van een interference?
2. Is deze interference wel door een public authority (de overheid) gemaakt?
3. Is het in accordance with the law?
4. Heeft het een legitimate aim?
5. Is het noodzakelijk in een democratische samenleving?
Law: Het nationale recht moet, wil het als ‘law’ in aanmerking komen, beantwoorden aan de eisen
van accessibility en foreseeability. Met de eerste eis wordt gedoeld op de toegankelijkheid van het
recht. De tweede eis heeft betrekking op het lex certa-beginsel en daarmee op de voorzienbaarheid
van overheidsoptreden.
Waiver: Van de rechten die het verdrag toekent, behoeft de burger geen gebruik te maken. Als
burgers dit niet doen, wordt er gesproken van afstand van recht doen. 2 vragen kunnen daarbij
worden onderscheiden.
1. Kan van alle verdragsrechten afstand worden gedaan, van welke wel en welke niet?
Hiervoor is het met name van belang hoeveel persoonlijke autonomie zich met een
effectieve bescherming van verdragsrechten verdraagt
2. Als in beginsel afstand van het recht kan worden gedaan, welke eisen dan aan een
rechtsgeldige waiver moeten worden gesteld.
De afstand van recht moet niet alleen in voldoende mate kenbaar zijn, zij moet
ook vrijwillig zijn. Dit brengt met zich mee dat de burger voldoende moet zijn geïnformeerd
met betrekking tot zijn rechten en de consequenties die een waiver voor hem kan hebben.
Hoofdstuk 6.1 -6.3 : Het Openbaar Ministerie en de vervolging
Het OM maakt deel uit van de rechterlijke macht én kan gekwalificeerd worden als een
bestuursorgaan in de zin van art. 1:1 Awb. Let wel, de consequenties van deze kwalificering zijn
voor het OM beperkt. Wie naar art. 1:6 Awb kijkt ziet dat alleen hoofdstuk 9 van toepassing is op
het OM. Dit hoofdstuk gaat over de klachtbehandeling door een bestuursorgaan en door de
nationale ombudsman. Het OM is belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en
met andere bij de wet vastgestelde taken (124 Wet RO). Het OM bestaat uit 6 parketten (art. 134
Wet RO):
1. Parket-Generaal: zijn de procureurs-generaal werkzaam die samen het College vormen (art.
135 Wet RO). Het College van procureurs-generaal staat aan het hoofd van het OM (art. 130
Wet RO). De hoofden van de parketten zijn in hun ambtsuitoefening ondergeschikt aan het
College (art. 139 Wet RO). Hier komt de hiërarchische verhouding van het OM goed naar
voren. Het College van procureurs-generaal kan algemene en bijzondere
aanwijzingen betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het OM geven.
Een algemene aanwijzing van het College komt relatief vaak voor; werp maar een blik op de
website van het OM en kijk onder beleidsregels. Bijzondere aanwijzingen (die worden
gegeven in één concrete zaak) komen minder vaak voor omdat de leden van het OM door
middel van overleg ervoor kunnen zorgen dat ze hetzelfde doel nastreven. Ook de minister
van Justitie en Veiligheid kan aanwijzingen geven aan het OM, maar dat zal in de praktijk
niet vaak voorkomen omdat:
a. Binnen het strafrecht is het niet gebruikelijk dat de minister aanwijzingen geeft aan
het OM. De minister is daar vaak niet voor gekwalificeerd gezien zijn opleiding.
b. Vaak zijn aanwijzingen niet nodig omdat overeenstemming kan worden bereikt door
overleg.
2. De arrondissementsparketten: In elk arrondissement genoemd in art. 134 Wet RO is er een
arrondissementsparket (behoudens één uitzondering). In beginsel hoort dus bij elke
rechtbank een parket. Elk parket staat onder leiding van een hoofdofficier van justitie. Op
elk parket werken officieren van justitie. Zij vertegenwoordigen het OM bij de
arrondissementsrechtbank.
3. Het Landelijk Parket: Bestrijdt (inter)nationaal georganiseerde en ondermijnende
criminaliteit. Bijv. mensenhandel, terrorisme, drugshandel, internationale
(oorlogs)misdrijven, kinderporno en cybercrime. Het Landelijk Parket bundelt haar krachten
met partijen als de Marechaussee en de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst.
, 4. Het Functioneel Parket: Is een specialistisch, landelijk opererend onderdeel van het OM, dat
zich toelegt op de bestrijding van complexe fraude en milieucriminaliteit en in het
afwikkelen van complexe ontnemingszaken. Bij het uitvoeren van deze taken is het FP
verantwoordelijk voor de opsporing en vervolging in strafzaken waarin een bijzondere
opsporingsdienst (BOD) het opsporingsonderzoek doet.
5. Het parket centrale verwerking openbaar ministerie: Geeft adviezen over wet- en
regelgeving op verkeersgebied aan andere onderdelen van het OM, justitie en de politie.
Daarnaast beoordeelt CVOM de beroepen die zijn ingediend tegen verkeersboetes
(Mulderbeschikkingen). En worden vrijwel alle alcohol, drugs- en rijbewijszaken behandeld.
6. Het Ressortsparket: De belangrijkste taak is het behandelen van strafzaken in hoger
beroep.
Hoofdstuk 7.1 – 7.4: De verdachte en zijn raadsman
De verdachte is een vrije burger die wordt beschuldigd van het plegen van een strafbaar feit. Zijn
positie wordt beschermd door de onschuldpresumptie en het nemo tenetur-beginsel: hij hoeft niet
mee te werken aan zijn eigen veroordeling. De bewijslast ligt bij de overheid. Binnen het beginsel
van equality of arms heeft de verdachte het recht om zijn eigen proceshouding te bepalen en zich
te verdedigen op de manier die hij zelf kiest. Om die rol als gelijkwaardige partij echt te kunnen
vervullen, is vaak de bijstand van een raadsman vereist. In sommige gevallen moet de overheid
zelfs in gratis rechtsbijstand voorzien.
In art. 27 Sv worden 2 verschillende functies gegeven van de verdachte. Voordat de vervolging is
aangevangen geldt de omschrijving uit lid 1 (materieel) ‘degene te wiens aanzien uit feiten en
omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit’. Na de
aanvang van de vervolging is de verdachte ‘degene tegen wie de vervolging is gericht’ (formeel
begrip). Een burger kan pas als verdachte worden aangemerkt, als ten aanzien van hem sprake is
van een redelijk vermoeden van schuld. Een persoon die wordt vervolgd, is doorgaans ook iemand
die verdachte is in de zin van art. 27 Sv, maar dit geldt niet andersom!
Art. 27 Sv eist een redelijk vermoeden van schuld. Er zijn drie criteria te onderscheiden:
1. Schuld aan een strafbaar feit.
2. Dit vermoeden moet redelijk zijn, dus objectief.
3. Het vermoeden vloeit voort uit feiten en omstandigheden.
Het kan zijn dat het vermoeden berust op feiten die door opsporingsambtenaren zelf zijn
geconstateerd. Maar het vermoeden kan ook zijn gebaseerd op een aangifte of anonieme tip. De
vraag is steeds of de beschikbare informatie in voldoende mate betrouwbaar kan worden geacht. In
geval van aanhouding op heterdaad ontbreekt een dergelijke voorafgaande toetsing. De
vaststelling moet dan heel snel gemaakt worden, of aan de hierboven genoemde eisen voldaan
wordt.
Vergelijking met art. 6 EVRM
In art. 6 EVRM worden rechten toegekend aan ‘everyone charged with a criminal offence’. Er is
sprake van een criminal charge ‘vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een
handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter
zake van een bepaald strafbaar feit door het OM een strafvervolging zal worden ingesteld’. Het
begrip ‘vervolgde’ in art. 6 EVRM heeft dus met het begrip ‘verdachte’ in art. 27 lid 2 Sv gemeen,
dat het bestaan van een redelijke verdenking niet is vereist. Van een criminal charge is vaak al
sprake voordat de vervolging naar Nederlands recht formeel aanvangt. Dat betekent dat iemand
die nog geen verdachte is in de zin van art. 27 lid 2 Sv, al wel ‘vervolgde’ kan zijn in de zin van art.
6 EVRM.
In art. 29 Sv worden voorschriften gegeven met betrekking tot het verhoor van de verdachte.
Afgerekend wordt met een inquisitoir verleden waarin de verdachte werd gezien als een voorwerp
van onderzoek dat desnoods door middel van marteling tot spreken kon worden gebracht. Hij mag
zwijgen en als hij spreekt moet dat zijn vrije keuze zijn. De wetgever zou echter wel een
spreekplicht voor de getuige in het leven kunnen roepen. Een wettelijke spreekplicht zou in strijd
zijn met art. 6 EVRM. Aan het nemo tenetur-beginsel is dus ook de wetgever gebonden.
- Pressieverbod: beperkt zich niet tot marteling en ander fysiek geweld dat wordt aangewend
om de verdachte aan het spreken te krijgen. Ook bedreigingen zijn uit den boze. Aandacht
verdient dat de verklaringsvrijheid ook door misleiding en bedrog in het gedrang komt. Ook
andere vormen van manipulatie zijn in strijd met art. 29 Sv. Een beproefde