KEUZEVAK HOGESCHOOL ROTTERDAM, 2026
LES 1 |
Waarvoor is sportpsychologie?
• Voor het verbeteren van sportprestaties
• Welzijn van de sporter
Sportpsychologie is het creëren van optimale situaties om de sportprestaties te verbeteren.
Excercise psychology -> gaat in op de psychologie achter het mensen in beweging te krijgen.
Bewegingswetenschappen (kinesiologie) -> hoe het mentale en fysieke samenwerkt.
GESCHIEDENIS:
De oude Grieken van 700 voor Christus – 400 na Christus maakten al gebruik van sportpsychologie. De
echte opkomst was in de jaren 70/80. In deze jaren kreeg het mentale aspect van sporten steeds meer
aandacht. De vereniging voor sportpsychologie (VSPN) werd in 1990 opgericht, 10 jaar later is het niet
meer weg te denken. Amerika, Australie, Groot-Brittanië en Nieuw-Zeeland zijn hierin de voorlopers.
LES 2 |
Synoniemen voor motivatie:
• (Beweeg)redenen
• Drijfveren
• Verklaring
• De waarom?
Nature (jezelf) -> (piramide van Maslow) (biologisch) de motivatie die je hebt is genetisch bepaald.
Nuture (omgeving) -> de omgeving heeft invloed op de motivatie die je hebt (motivatie kun je leren).
Intrinsieke motivatie -> het hoort bij je, het kost bijna geen moeite.
Extrinsieke motivatie -> de motivatie ligt buiten jezelf, je zoekt naar een beloning.
Self-efficacy -> een combinatie zelfkennis en zelfvertrouwen, je motiveert jezelf gemakkelijk.
Autonomy -> je kiest ergens zelf voor, je motiveert jezelf ook hier gemakkelijk.
Level op challange en level of skill hebben ook iets te maken met motivatie, als ze beide consistent zijn,
dan passen de uitdagingen bij jouw niveau. Als dat niet zo is kan het zijn dat je in de “anxiety” of
“boredom” fase terecht komt. De uitdaging is te hoog bij anxiety en als er geen uitdaging is, dan kom in de
boredom fase.
LES 3 |
Waarom doelen stellen?
• Om de motivatie aanwezig/hoog te houden
• Om beter te worden
• Om echt succeservaringen te beleven
, Soorten doelen:
• Resultaatdoelen -> heeft te maken met iemand anders, je bent naast jezelf ook afhankelijk van
een ander (bijvoorbeeld met een wedstrijd winnen)
• Prestatiedoelen -> zijn op jezelf gericht (bijvoorbeeld je pr verbeteren)
• Procesdoelen -> doelen die je helpen om je prestatiedoel te behalen (makkelijk te behalen)
Soorten doelstellingen:
• Taak geörienteerd (task orientated) -> doelstellingen die gaan over jezelf en jouw sportprestatie
(record behalen, harder trainen, meer trainen, ect.) (heeft een positievere invloed op je motivatie)
• Eigen geörienteerd (ego orientated) -> gaat over jezelf in combinatie met de prestatie van een
ander (winnen, geen tegendoelpunten krijgen ect.)
De Achievement Goal Theorie (AGT) maakt onderscheid tussen Master Goal en Performer Goals.
• Master goals -> gaan over jezelf, een andere term voor taak geörienteerd
• Performer goals -> beter presteren dan iemand anders, een andere term voor eigen geörienteerd
• Je hebt beide nodig om een (top)sport te beoefenen, je moet hier een balans in vinden.
LES 4 |
Concentratie en focus zijn niet hetzelfde, er zitten namelijk een paar belangrijke verschillen tussen.
• Concentratie -> heb je altijd, is zeer vergankelijk en is oppervlakkig
• Focus -> heb je niet altijd, is minder vergankelijk en is diep
De cirkel van invloed geeft aan waar je focus is op het moment van de wedstrijd.
CIRKEL
1. Focus (ik en mijn taak in het hier en nu)
2. Directe afleidingen (weer, publiek, scheidsrechter, materiaal ect)
3. Wat ik eigenlijk zou moeten kunnen
4. Winnen / verliezen
5. Gevolgen van winnen of verliezen
6. Zijnsvraag (wat doe ik hier?)
Attributies -> de redenen, oorzaken of smoesjes die jij geeft voor een bepaalde prestatie (zowel negatief
als positief). Het is niet iets vaststaand, maar het is iets wat je jezelf wijst maakt, het is trainbaar
(disfunctioneel)
Functionele attributies -> je bent reëel over die situatie “ik ben herstellende van een blessure, daarom
presteerde ik niet heel goed”
TRAINEN VS HERSTEL
• Fysiek herstel
• Mentaal herstel
FYSIEK HERSTEL