,Inhoudsopgave
Inhoudsopgave.......................................................................................................................2
Week 1: H1 + HC1...................................................................................................................4
1.1 Historische achtergrond............................................................................................4
1.2 Wat is space?............................................................................................................. 5
1.2.1 Micro-, meso- en macroniveau............................................................................ 6
1.3 Wat is time?................................................................................................................ 7
1.4 Wat is crime?.............................................................................................................. 8
1.5 Hot spots, hot routes en burning times.........................................................................9
Week 1: H2 + HC2.................................................................................................................10
1.6 Biologische inferioriteit en het feebleminded debate........................................... 11
1.6.1 Positivisme........................................................................................................ 12
1.6.2 The criminal man - Lombroso............................................................................12
1.6.3 The Kallikak Family - Goddard.......................................................................... 13
1.6.4 Kritiek op biologische inferioriteitsverklaringen................................................. 13
1.7 Anomie - Durkheim.................................................................................................. 14
1.8 Chicago School........................................................................................................ 15
1.8.1 Social Ecology - Park........................................................................................ 16
1.8.2 Concentric zone model - Burgess..................................................................... 17
1.8.3 Social disorganization theory - Shaw & McKay.................................................18
1.8.4 Collective efficacy - Sampson........................................................................... 20
Week 2: H3 + HC3.................................................................................................................22
2.1 Klassieke criminologie............................................................................................ 22
2.1.1 Neoklassieke criminologie.................................................................................23
2.2 Rationele keuzetheorie - Cornish & Clarke............................................................24
2.3 Routine Activities Theory - Cohen & Felson......................................................... 25
2.3.1 Problem analysis triangle - toevoeging van controllers..................................... 27
2.3.2 Hirschi en handlers............................................................................................28
Week 2: H4/5 + HC4..............................................................................................................29
2.4 Geometry of Crime - Brantinghams........................................................................29
2.5 Crime Pattern Theory - Brantinghams................................................................... 30
2.6 Situational Action Theory - Wikström.................................................................... 32
2.7 Broken Windows Theory - Wilson & Kelling..........................................................34
Week 3: HC5 (gastcollege).................................................................................................. 38
3.1 Veiligheidsbeleving in de openbare ruimte........................................................... 38
3.2 De rol van de gemeente in veiligheid..................................................................... 39
Week 3: H6 + HC6.................................................................................................................42
3.3 Defensible Space Theory - Newman.......................................................................42
3.4 Crime Prevention Through Environmental Design - Jeffrey................................ 45
3.5 Situational Crime Prevention - Clarke.................................................................... 48
3.5.1 Vijf mechanismen van SCP............................................................................... 49
3.6 Crime displacement................................................................................................. 53
2
,Week 4: H9 + HC7.................................................................................................................56
4.1 Cybercrime................................................................................................................. 57
4.2 Space, time en crime online....................................................................................... 58
4.2.1 Toepassing van omgevingscriminologische theorieën op online criminaliteit....60
4.3 Van theorie naar beleid.............................................................................................. 61
4.3.1 Kritiek op preventiebeleid.................................................................................. 63
4.4 Technologie, onderzoek en safety apps..................................................................... 65
3
,Week 1: H1 + HC1
Aanvullend hoofdstuk: H7 alleen pagina 280-290 over hotspots
Omgevingscriminologie bestudeert de relatie tussen criminaliteit, omgeving, plaats en tijd.
De benadering richt zich minder op de individuele eigenschappen van de dader en meer op
de ecologische context waarin delicten plaatsvinden.
Omgevingscriminologie = benadering die criminaliteit verklaart vanuit de interactie tussen
individu en omgeving. Een delict wordt daarbij niet los gezien van de setting waarin het
plaatsvindt. De centrale focus ligt daarom niet alleen op wie een delict pleegt, maar vooral
op waar, wanneer en onder welke omstandigheden dat gebeurt.
Kernidee: criminal events moeten worden begrepen als het samenkomen van daders,
slachtoffers of targets, in specifieke settings, op bepaalde tijden en plaatsen.
Belangrijk:
● minder nadruk op individuele kenmerken van personen
● meer nadruk op de ecologische context van criminaliteit
● basis in de sociologie
● centrale vraag = waar en wanneer wordt een delict gepleegd?
● criminaliteit heeft dus altijd een ruimtelijke en temporele component
Deze benadering verschilt van criminologische verklaringen die primair naar de dader als
individu kijken. Waar zulke benaderingen vooral verklaren waarom een bepaald persoon
crimineel gedrag vertoont, vraagt omgevingscriminologie waarom een delict juist op die
plaats en dat moment plaatsvindt.
De kernassumptie is dat criminaliteit niet willekeurig plaatsvindt. Misdrijven zijn niet gelijk
verdeeld over ruimte, tijd, sociale netwerken, slachtoffers en targets, maar concentreren zich
in herkenbare patronen.
Belangrijk voorbeeld:
● 10% van de daders is verantwoordelijk voor 50% van het totaal aantal misdrijven
● 10% van de slachtoffers vertegenwoordigt 40% van het totaal aantal misdrijven
● 10% van de geografische gebieden vertegenwoordigt 60% van de gebieden waar
misdrijven worden gepleegd
→ Criminaliteit moet dus niet worden opgevat als toeval, maar als een verschijnsel met
patronen in space, time and crime. Theorie is nodig om die patronen niet alleen te
beschrijven, maar ook te verklaren en te voorspellen.
1.1 Historische achtergrond
De relatie tussen criminaliteit en plaats kreeg al aan het begin van de 19e eeuw
systematische aandacht. De eerste pogingen om criminaliteit ruimtelijk in kaart te brengen
vormden de historische basis van de omgevingscriminologie.
Adriano Balbi en André-Michel Guerry worden doorgaans beschouwd als de eerste
makers van criminaliteitskaarten. Zij combineerden criminaliteitsgegevens met
demografische gegevens uit de volkstelling, zoals armoede, onderwijs en andere
gebiedskenmerken.
4
,Hun belangrijkste bijdrage is dat zij aantoonden dat criminaliteit ruimtelijk varieert en
samenhangt met sociale kenmerken van gebieden. Daarmee verschoof de aandacht van
uitsluitend de dader naar ook de plaats waar criminaliteit voorkomt.
Belangrijkste bevindingen:
● welvarende gebieden rapporteerden relatief veel vermogenscriminaliteit
● gebieden met lage onderwijsniveaus kenden relatief weinig geweldscriminaliteit
→ Hun werk liet zien dat criminaliteit niet gelijk over gebieden is verspreid, maar ruimtelijk
geanalyseerd kan worden.
Een andere belangrijke pionier is Adolphe Quetelet, een Belgische wiskundige en
astronoom. Met behulp van statistische analyses onderzocht hij zowel kenmerken van
personen die van criminaliteit werden beschuldigd als de locaties waar delicten
plaatsvonden. Quetelet liet zien dat verdachten van criminaliteit relatief vaak bepaalde
sociale kenmerken hadden, zoals:
● jong
● man
● arm
● werkloos
Tegelijk stelde hij vast dat arme gebieden niet automatisch hogere geregistreerde
criminaliteitscijfers hadden. Daaruit leidde hij af dat criminaliteit niet alleen samenhangt met
individuele kenmerken, maar ook met de ruimtelijke verdeling van ongelijkheid en kansen.
Kernidee: ongelijkheid vormt een belangrijke prikkel tot criminaliteit. Arme en werkloze
personen plegen delicten niet noodzakelijk binnen hun directe leefomgeving, maar juist
vaker tegen rijkere en beter opgeleide personen of in rijkere gebieden, omdat daar meer
gelegenheden bestaan.
Belangrijk:
● Quetelet keek zowel naar daderkenmerken als naar locaties
● hij gebruikte geavanceerde statistische analyses
● ongelijkheid werd een centrale verklarende factor
● dader en delictlocatie vallen niet noodzakelijk samen
In de late 19e eeuw nam de interesse in de geografie van criminaliteit af. Een belangrijke
reden was dat ruimtelijke analyse technisch moeilijk uitvoerbaar was:
● zonder rekenmachines of statistische programma’s was het lastig om
criminaliteitskaarten te maken en criminaliteitsdata zinvol te vergelijken met
censusgegevens.
● Daarnaast was de beschikbaarheid van data beperkt, omdat criminaliteits- en
censusgegevens in deze periode nog niet op grote schaal beschikbaar waren.
1.2 Wat is space?
Binnen de omgevingscriminologie is het begrip space essentieel, omdat criminaliteit altijd
plaatsvindt in een bepaalde ruimtelijke context. Daarbij gaat het niet alleen om een exacte
locatie, maar ook om de bredere omgeving waarbinnen die locatie ligt.
Place en space moeten van elkaar worden onderscheiden.
Place (plek) = een concrete, individueel afgebakende locatie, zoals een huis of bedrijf
5
, Space (omgeving) = een groter ruimtelijk geheel waarbinnen verschillende plaatsen liggen,
zoals een buurt, wijk, postcodegebied of ander groter territorium.
Het onderscheid tussen beide is belangrijk, omdat omgevingscriminologie niet alleen kijkt
naar het precieze punt waar een delict plaatsvindt, maar ook naar de bredere ruimtelijke
omgeving die criminaliteit mogelijk maakt of juist beperkt. Tegelijk is dit onderscheid niet
altijd absoluut: of iets als place of space wordt gezien, hangt mede af van het perspectief
van degene die de omgeving afbakent.
↳ VB: een school kan worden gezien als één place binnen een wijk, maar ook als een space
met verschillende afzonderlijke places, zoals klaslokalen, gangen en een kantine.
Ruimte kan op verschillende manieren worden begrensd, afhankelijk van hoe men een
gebied benadert of onderzoekt. Vaak worden daarbij drie vormen van ruimtelijke afbakening
onderscheiden:
● officiële grenzen
= formele, bestuurlijke afbakeningen
○ vb: landen, steden of postcodegebieden
● informele grenzen
= sociale of functionele afbakeningen die niet officieel vastliggen
○ vb: gangterritorium of de interne indeling van werkgebieden zoals politie
● persoonlijke grenzen
= subjectieve afbakeningen die voortkomen uit iemands eigen cognitieve of mentale
kaart van een omgeving
○ vb: een bewoner ervaart de straat achter zijn flat als een andere zone dan de
straat voor het gebouw
Daarnaast kan onderscheid worden gemaakt tussen geografische en functionele ruimte:
● Geografische ruimte verwijst naar ruimtelijke eenheden zoals een land, stad of wijk.
● Functionele ruimte verwijst naar plekken die vooral worden afgebakend door hun
functie, zoals een station, bedrijf of school.
1.2.1 Micro-, meso- en macroniveau
De afbakening van ruimte hangt ook samen met het schaalniveau waarop criminaliteit wordt
onderzocht. Niet elke theorie richt zich op dezelfde schaal: sommige verklaren criminaliteit
vanuit directe situaties of concrete plekken, andere vanuit buurten, steden of bredere
maatschappelijke structuren. Daarom wordt gewerkt met micro-, meso- en macroniveau.
Microniveau = het niveau van de directe situatie of specifieke plek.
De focus ligt hier op concrete locaties en onmiddellijke omstandigheden waarin criminaliteit
plaatsvindt, zoals een gebouw, straat, station of individueel adres. Het gaat dus om de vraag
hoe kenmerken van een specifieke setting criminaliteit mogelijk maken of beperken.
Mesoniveau = het niveau van buurten, wijken of andere middelgrote ruimtelijke eenheden.
Hier gaat het om de spreiding van criminaliteit binnen delen van een stad, zoals buurten,
postcodegebieden of andere subgebieden. De nadruk ligt op sociale en ruimtelijke
kenmerken van zulke gebieden, bijvoorbeeld toezicht, sociale samenhang of fysieke
inrichting.
6