Inhoudsopgave
Leereenheid 1 Een introductie tot het overeenkomstenrecht en een eerste leerstuk: afgebroken
onderhandelingen.................................................................................................................................................2
Leereenheid 2 Vertegenwoordiging en volmacht...............................................................................................12
Leereenheid 3 Grenzen van contractvrijheid; enkele gronden van nietigheid en vernietigbaarheid en
gevolgen daarvan................................................................................................................................................20
Leereenheid 4 Rechtsgevolgen van de overeenkomst ten aanzien van partijen...............................................30
Leereenheid 5 Algemene voorwaarden..............................................................................................................35
Leereenheid 6 Nakoming en schadevergoeding.................................................................................................44
Leereenheid 7 Opschorting en ontbinding.........................................................................................................53
Leereenheid 8 Inleiding koop en consumentenkoop..........................................................................................59
leereenheid 9 Klachtplicht..................................................................................................................................65
1
,Leereenheden Overeenkomstenrecht Lynn van de Kant
LEEREENHEID 1 EEN INTRODUCTIE TOT HET OVEREENKOMSTENRECHT EN EEN EERSTE
LEERSTUK: AFGEBROKEN ONDERHANDELINGEN
Het algemeen overeenkomstenrecht vormt een belangrijk onderdeel van het verbintenissenrecht.
Het verbintenissenrecht omvat zowel het overeenkomstenrecht als het (buitencontractuele)
aansprakelijkheidsrecht. Het verbintenissenrecht op zijn beurt behoort weer tot het vermogensrecht
-samen met het goederenrecht – en is daarmee een zeer belangrijk deel van het privaatrecht of
burgerlijk recht als geheel.
Overeenkomsten (ook wel aangeduid als contracten) kunnen op verschillende manieren worden
onderscheiden. Zo kan een onderscheid gemaakt worden tussen de onbenoemde en de benoemde
(of bijzondere) overeenkomst. Het meest bekende voorbeeld van een bijzondere overeenkomst is de
koop. Boek 7 BW bevat bepalingen over een veelvoud aan bijzondere overeenkomsten, terwijl Boek
3 BW en Boek 6 BW bepalingen bevatten over het algemeen overeenkomstenrecht. Al deze
bepalingen kunnen via de zogenaamde gelaagde structuur van het BW op één overeenkomst van
toepassing zijn.
Dit vak zal vooral ingaan op het algemeen overeenkomstenrecht. Dat betekent dus de wettelijke
regelingen uit Boek 3 BW en Boek 6 BW. Aan het algemeen overeenkomstenrecht liggen drie
belangrijke beginselen ten grondslag: contractvrijheid, contractuele gebondenheid en vormvrijheid.
Bij de behandeling van de verschillende leerstukken zullen we steeds zien dat deze steeds een
uitwerking van de verhouding bevatten van met name de eerste twee genoemde beginselen.
In dit vak staat bovendien de verbintenisscheppende (obligatoire) overeenkomst centraal. Deze
vormt een bron van verbintenissen. Aan het bestaan van een verbintenis zijn rechtsgevolgen
verbonden. In beginsel is een verbintenis rechtens afdwingbaar (art. 3:296 BW). In beginsel, want ons
recht kent ook niet afdwingbare verbintenissen, de zogenoemde natuurlijke verbintenissen.
Bovendien kan de schuldeiser van een verbintenis in beginsel zijn vordering op alle goederen van zijn
schuldenaar verhalen (art. 3:276 BW). Gezien de ingrijpende rechtsgevolgen die de wet aan het
bestaan van een verbintenis verbindt, is voor het ontstaan van een verbintenis in beginsel een
wettelijke basis vereist (art. 6:1 BW). Deze bepaling maakt daarmee de overeenkomst als bron
waaruit verbintenissen kunnen ontstaan ondergeschikt aan de wet.
In veel gevallen is het sluiten van een overeenkomst een eenvoudige zaak: de overeenkomst komt
tot stand wanneer het aanbod wordt aanvaard. Te denken valt aan het kopen van alledaagse
goederen als een brood, of een kop koffie. De problematiek en de grondslagen rondom de
totstandkoming van dit type eenvoudige overeenkomsten (via aanbod en aanvaarding) wordt in deze
cursus bekend verondersteld (zie ook Leereenheid 0).
In de (internationale) commerciële praktijk is vergt de totstandkoming van overeenkomst soms
onderhandelingen die dagen, weken en zelfs jaren kunnen duren. Op een aanbod volgt dikwijls een
tegenbod, er komen voorovereenkomsten tot stand etc. De uiteindelijke overeenkomst komt pas tot
stand als partijen uit onderhandeld zijn, maar in de praktijk laat dit moment zich vaak moeilijk
bepalen. In deze context kan het dus problematisch zijn of er wel een overeenkomst tot stand is
gekomen en zo ja, op welk moment en wat de exacte inhoud ervan is. Daarop ziet een belangrijk deel
van de te bestuderen stof van deze leereenheid, in het bijzonder de verplicht te bestuderen
jurisprudentie.
LEERDOELEN LEEREENHEID 1
1. uitleggen hoe het overeenkomstenrecht in algemene zin wordt omschreven, welke
onderscheidingen kunnen worden gemaakt (obligatoir/niet-obligatoir,
benoemd/onbenoemd, algemeen/bijzonder), hoe het overeenkomstenrecht zich verhoudt
2
,Leereenheden Overeenkomstenrecht Lynn van de Kant
tot het verbintenissenrecht in het algemeen en welke beginselen aan het
overeenkomstenrecht ten grondslag liggen;
2. uitleggen wat een natuurlijke verbintenis is, en dit begrip toepassen in een concrete casus;
3. het leerstuk van de precontractuele aansprakelijkheid bij afgebroken onderhandelingen, met
inbegrip van de voorgeschreven jurisprudentie, in eigen woorden uitleggen, plaatsen in het
systeem van het Nederlandse contractenrecht en toepassen in concrete casus.
LITERATUUR
Rechtshandeling en Overeenkomst: Hoofdstuk 1, Hoofdstuk 2.3.4.
Verbintenissenrecht Algemeen: Hoofdstuk 1: Paragraaf 1.1 t/m 1.5.
BOEK 3: RECHTSHANDELING EN OVEREENKOMST
Hoofdstuk 1 Algemene indeling ~ gehele hoofdstuk
Paragraaf 1.2 De rechtshandeling
De wetgever heeft geen algemene definitie van het begrip rechtshandeling gegeven. Uit art. 3:33
BW volgt echter wat daarvoor vereist is: een op rechtsgevolg gerichte wil, die zich door een
verklaring heeft geopenbaard. Het wezenlijke kenmerk van de rechtshandeling is dus haar
gerichtheid op rechtsgevolg. In de literatuur wordt zij omschreven als een handeling waarmee een
rechtsgevolg wordt beoogd, zoals het ontstaan, de wijziging of het tenietgaan van een juridische
rechtsverhouding.
Juist deze gerichtheid op rechtsgevolg onderscheidt de rechtshandeling van andere handelingen. Een
onrechtmatige daad is wel een voor het recht relevante menselijke handeling en leidt ook tot
rechtsgevolgen, maar is geen rechtshandeling, omdat het gedrag niet op een rechtsgevolg is gericht;
het recht verbindt daaraan zelfstandig een verbintenis. Rechtshandelingen zijn dus uitsluitend
handelingen die naar hun aard zijn gericht op rechtsgevolgen, zoals het sluiten van een
overeenkomst of het opzeggen van een huur- of arbeidsovereenkomst.
Een rechtsfeit is een feit waaraan het recht een rechtsgevolg verbindt. In het recht wordt
onderscheid gemaakt tussen rechtsfeiten en andere feiten:
- Daaronder vallen rechtshandelingen
- Maar ook andere menselijke handelingen, zoals onrechtmatige daden
- En zogeheten blote feiten, waarbij geen handeling plaatsvindt, maar waaraan toch
rechtsgevolgen zijn verbonden, zoals geboorte of overlijden.
Rechtshandelingen worden verder onderverdeeld in meerzijdige en eenzijdige rechtshandelingen:
- Een meerzijdige rechtshandeling wordt verricht door twee of meer personen, zoals een
overeenkomst die tot stand komt door aanbod en aanvaarding.
- Een eenzijdige rechtshandeling wordt door een persoon verricht en vereist geen instemming
van een ander, maar wel dat zij tot een bepaalde persoon is gericht, die als geadresseerde
fungeert, bijvoorbeeld bij vernietiging of opzegging.
- Daarnaast bestaan eenzijdige niet-gerichte rechtshandelingen, waarvoor geen instemming
en geen ontvangst door een ander nodig is, zoals het maken van een testament of het
aanvaarden of verwerpen van een nalatenschap.
3
, Leereenheden Overeenkomstenrecht Lynn van de Kant
Op alle rechtshandelingen zijn de algemene bepalingen van titel 3.2 van het BW van toepassing (art.
3:32–3:59 BW).
Paragraaf 1.3 De overeenkomst
De wet definieert de overeenkomst als een meerzijdige rechtshandeling waarbij een of meer
partijen jegens een of meer anderen een verbintenis aangaan, art. 6:213 lid 1 BW. Kenmerkend is het
verbintenisscheppende (obligatoire) karakter: uit de overeenkomst ontstaan verplichtingen voor
partijen. Zo verplicht een koopovereenkomst de verkoper tot levering en de koper tot betaling. De
termen overeenkomst en contract worden vaak als synoniemen gebruikt.
Niet iedere rechtshandeling is echter een overeenkomst, al is iedere overeenkomst wel een
rechtshandeling.
In het Nederlandse recht wordt onderscheid gemaakt tussen benoemde overeenkomsten (wettelijk
geregeld, zoals koop of huur ) en onbenoemde overeenkomsten (maatwerk, niet specifiek in de wet
beschreven, zoals een franchise- of samenwerkingsovereenkomst ).
Het recht onderscheidt verschillende categorieën overeenkomsten:
- Meestal gaat het om overeenkomsten tussen twee partijen, maar ook
meerpartijenovereenkomsten zijn mogelijk, zoals de driehoeksruil en het derdenbeding, art.
6:213 lid 2 BW.
- Daarnaast kent de wet bijzondere overeenkomsten, die in Boek 7 BW nader zijn geregeld,
zoals koop, huur en arbeidsovereenkomst. Deze vallen binnen een gelaagde structuur: zij zijn
tegelijk rechtshandelingen (Boek 3), overeenkomsten (Boek 6) en bijzondere
overeenkomsten (Boek 7).
- Sommige overeenkomsten zijn gemengd, omdat zij kenmerken van meerdere bijzondere
overeenkomsten combineren.
- Verder wordt onderscheid gemaakt tussen wederkerige overeenkomsten, waarbij beide
partijen over en weer verplichtingen aangaan (art. 6:261 BW), en eenzijdige
overeenkomsten, waarbij dat niet het geval is.
- Ook bestaat het onderscheid tussen overeenkomsten onder bezwarende titel, waarbij
prestaties over en weer samenhangen, en overeenkomsten om niet, waarbij dat verband
ontbreekt.
Het overeenkomstenrecht wordt beheerst door drie grondbeginselen:
1. de contractsvrijheid
partijen zijn vrij om te contracteren met wie zij willen, over wat zij willen en wanneer zij
willen, binnen de grenzen van art. 3:40 BW.
2. de vormvrijheid (consensualisme)
een overeenkomst komt tot stand zodra wilsovereenstemming op enigerlei wijze tot
uitdrukking komt, art. 3:37 lid 1 BW.
3. de verbindende kracht van de overeenkomst (pacta sunt servanda)
overeenkomsten binden partijen en hebben de rechtsgevolgen die zij zijn
overeengekomen, art. 6:248 lid 1 BW.
Gezamenlijk leiden deze beginselen tot het uitgangspunt dat een overeenkomst in beginsel rechtens
verbindend is.
4