Leereenheden materieel strafrecht
Lynn van de Kant
Inhoudsopgave
Leereenheid 1 De objectieve zijde van een strafbaar feit...................................................................2
Aantekeningen werkcollege leereenheid 1.......................................................................................12
Leereenheid 2 De subjectieve zijde van een strafbaar feit................................................................13
Aantekeningen werkcollege leereenheid 2.......................................................................................31
Leereenheid 3 Strafuitsluitingsgronden............................................................................................33
Aantekeningen werkcollege leereenheid 3.......................................................................................45
Leereenheid 4 De strafbare poging en voorbereiding.......................................................................47
Aantekeningen werkcollege leereenheid 4.......................................................................................56
Leereenheid 5 Deelneming aan strafbare feiten...............................................................................58
Aantekeningen werkcollege leereenheid 5.......................................................................................75
Aantekeningen tentamentraining.....................................................................................................76
1
,Leereenheden materieel strafrecht
Lynn van de Kant
LEEREENHEID 1 DE OBJECTIEVE ZIJDE VAN EEN STRAFBAAR FEIT
INLEIDING LEEREENHEID 1
Deze eerste leereenheid gaat over de objectieve zijde van een strafbaar feit. Hieronder wordt
uitgelegd hoe de verschillende deelonderwerpen zich tot elkaar verhouden.
De objectieve zijde van het strafbare feit
Een delictsomschrijving bevat altijd objectieve bestanddelen (o.a. de delictgedraging) en, waar het
misdrijven betreft, veelal ook subjectieve bestanddelen. In deze leereenheid zullen wij ons richten op
de objectieve zijde van een strafbaar feit. *De subjectieve zijde komt aan bod in leereenheid 2.
Objectieve zijde
Dit gaat over de feitelijke, uiterlijke gedraging en omstandigheden die het strafbare feit vormen. Het
gaat dus om datgene wat waarneembaar is in de buitenwereld.
Voorbeelden:
- Het stelen van een fiets (de handeling zelf, het wegnemen van een goed dat van een ander
is).
- Het toebrengen van letsel (de daad en het gevolg, bijvoorbeeld een klap die iemand
verwondt).
- Plaats, tijd en middelen van het delict.
De objectieve zijde beschrijft dus wat er feitelijk is gebeurd.
Objectieve zijde = gedraging + feitelijke omstandigheden
Leerstuk van de strafrechtelijke causaliteit
Bij materiële delicten, concrete gevaarzettingsdelicten en door gevolg gekwalificeerde delicten moet
een causaal verband worden vastgesteld tussen de delictgedraging en het delictgevolg. De vraag
die daarbij centraal staat is de volgende:
‘Wanneer kan gezegd worden dat een (voor bewezenverklaring van een bepaald delict vereist) gevolg
door een (door de verdachte gestelde) gedraging is veroorzaakt?’
Het (strafrechtelijk) leerstuk van de causaliteit is met name ontwikkeld in de jurisprudentie. Daarbij
zijn naar de tijd verschillende heersende theorieën te herkennen. Hoewel verschillende theorieën
niet meer als heersend worden gezien, werken die “oude” theorieën regelmatig door in het huidige
in de rechtspraak toegepast criterium van ‘de redelijke toerekening’. Bestudering van de historische
ontwikkelingen in de jurisprudentie en kennis van die “oude” theorieën is dan ook van belang om tot
een goed begrip en goede toepassing van het leerstuk te komen.
Voormelde vraag naar oorzaak en gevolg wordt gesteld binnen een strafrechtelijke context. Deze
laatste toevoeging is belangrijk omdat we anders terechtkomen in een oeverloze keten van
bijvoorbeeld natuurwetenschappelijke causale verbanden. Hoewel andere wetenschappelijke
disciplines regelmatig dienstig zijn aan een feitelijke invulling van causaliteit in concrete rechtszaken,
gaat het uiteindelijk om een specifiek strafrechtelijk oordeel van de rechter. En dat oordeel heeft een
belangrijke normatieve component (verdient de verdachte het om gezien zijn gedraging en de
omstandigheden waaronder die is begaan, strafrechtelijk aansprakelijk gesteld te worden?). Dit leidt
ook tot een sterk casuïstische invulling van de causaliteit in de rechtspraak: de omstandigheden van
het geval zijn sterk bepalend.
2
,Leereenheden materieel strafrecht
Lynn van de Kant
Wederrechtelijkheid
In Inleiding Strafrecht heeft u kennis genomen van het in de strafrechtelijke dogmatiek gemaakt
onderscheid tussen elementen en bestanddelen, en van de structuur van het strafbaar feit. Uit het
daar door u bestudeerde arrest Veearts blijkt dat wederrechtelijkheid een element is van een
strafbaar feit. Wederrechtelijkheid is daarmee een ongeschreven voorwaarde voor strafrechtelijke
aansprakelijkheid; dat is met name relevant voor delicten waarvoor geldt dat wederrechtelijkheid
niet expliciet is opgenomen in de delictsomschrijving.
In het arrest Veearts ging het om een uitbraak van mond- en klauwzeer waarbij een veearts – de
latere verdachte – niet besmette koeien in contact had gebracht met besmet vee. De niet besmette
koeien waren op dat moment niet melkgevend. De veearts wist dat als niet melkgevende koeien
mond- en klauwzeer oplopen, de ziekte bij hen veel minder ernstig verloopt en deze koeien ook
minder besmettelijk zijn voor ander vee. Redelijkerwijs kon worden aangenomen dat de niet besmette
koeien op enig moment de ziekte zouden oplopen. Hij handelde dus louter preventief, naar juist
veterinair inzicht en in lijn met de strekking van de bepaling uit de Veewet waarvan hij werd verdacht
die te hebben overtreden. Hij had gehandeld ‘als een goed veearts betaamt’. Hoewel de betreffende
strafbepaling niet het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ bevatte, kon de veearts toch met succes een
beroep doen op het ontbreken van de wederrechtelijkheid, hetgeen leidde tot een ontslag van alle
rechtsvervolging, OVAR. Behalve dat de Hoge Raad hiermee het bestaan van wederrechtelijkheid als
element bevestigde, erkende hij ook als buitenwettelijke rechtvaardigingsgrond het ‘ontbreken van
de materiële wederrechtelijkheid’.
Dat betekent dat ook als “wederrechtelijk” niet als bestanddeel is opgenomen in de
delictsomschrijving, alsnog de wederrechtelijkheid aan een bepaalde gedraging kan komen te
ontvallen. Het tenlastegelegde kan dan ook worden bewezen, maar een geslaagd beroep op een
rechtvaardigingsgrond doet de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde feit alsnog
wegvallen.
Wederrechtelijkheid kan worden gedefinieerd als ‘strijd met het objectieve recht’. Er is een bepaalde
norm overschreden: dit kan gaan om een norm van behoren, van maatschappelijke betamelijkheid,
van gebruik en gewoonte, geschreven of ongeschreven normen: het gehele objectieve recht, dus alle
normen die in de betreffende samenleving op een bepaald moment gelden. Die normen kunnen
onder meer een morele of civielrechtelijke oorsprong hebben, of hun oorsprong vinden in hetgeen
binnen een bepaalde context (denk aan een bedrijfstak) als norm wordt beschouwd.
Bij strafrechtelijke wederrechtelijkheid gaat het vervolgens om een beperkte categorie binnen dat
geheel aan onrechtmatigheden. Immers, niet alle in bijvoorbeeld de geldende moraal of het civiele
recht als afkeurenswaardige beschouwde gedragingen (of nalaten) zijn strafbaar gesteld.
Uit het vervuld hebben van de delictsomschrijving volgt doorgaans het oordeel dat sprake is van
strafrechtelijke wederrechtelijkheid. In uitzonderingsgevallen tast een succesvol beroep op een
rechtvaardigingsgrond die in beginsel gegeven (en dus niet afzonderlijk te bewijzen)
wederrechtelijkheid aan. Ten aanzien van delicten waarbij wederrechtelijkheid als bestanddeel in de
delictsomschrijving (en tenlastelegging) is opgenomen dient zich de vraag aan welke betekenis dat
te bewijzen bestanddeel toekomt, dus wat in die strafbepaling onder het begrip wederrechtelijkheid
moet worden verstaan.
Van Veen heeft in dit verband de leer van de facetwederrechtelijkheid ontwikkeld (zie de digitale
tekst 1.3). De Hullu laat zich kritisch uit over de plausibiliteit van deze leer. Ook in de rechtspraak zijn
voorbeelden te vinden van arresten die erop wijzen dat deze leer in de rechtspraktijk niet zomaar en
ten aanzien van alle delicten wordt gevolgd (Arrest Dreigbrief).
Leerdoelen
Na bestudering van leereenheid 1 heb je kennis van en inzicht in:
- De verschillende causaliteit theorieën;
3
, Leereenheden materieel strafrecht
Lynn van de Kant
- De geldende causaliteitscriteria;
- Wederrechtelijkheid als element en als bestanddeel;
- De verschillende verschijningsvormen van wederrechtelijkheid als bestanddeel;
- De leer van de facetwederrechtelijkheid;
- De invulling van de wederrechtelijkheid in de jurisprudentie;
- De invulling die wordt gegeven aan het leerstuk van ‘de locus delicti’ in de rechtspraak.
Na bestudering van deze leereenheid kan je:
- De geldende causaliteitscriteria toepassen in casus;
- Toepassing geven aan het leerstuk van de wederrechtelijkheid;
- Toepassing geven aan het leerstuk van ‘de locus delicti’.
1.1 CAUSALITEIT
Causaliteit betreft de vraag naar de relatie tussen een strafrechtelijke relevante gedraging en een
strafrechtelijk relevant gevolg. Het leerstuk causaliteit heeft echter in directe zin vooral betrekking
op delictsomschrijvingen waarin op de ene of andere manier duidelijk een bepaald gevolg als
bestanddeel is opgenomen.
Onderlinge verhouding causaliteitstheorieën
Voorbeeld 1
Levi is na een week hard werken aan de lopende band op de inpakafdeling van de koekjesfabriek
JABO hard toe aan wat ontspanning. Hij besluit naar discotheek Kinky te gaan om zich eens flink te
laten ‘vollopen’. Voor de zekerheid steekt hij een groot zakmes bij zich. Je weet maar nooit ...! Na zijn
gebruikelijke warming-up (twee pilsjes en een lijntje cocaïne) begint hij aardig in de stemming te
komen. Op dat moment komt een goede vriendin van hem, Imra, innig gearmd met de hem bekende
Dex binnen. Hoewel Imra hem een week geleden nog duidelijk heeft proberen te maken dat zij niets
voelt voor een meer dan oppervlakkige relatie met hem, heeft Levi de hoop niet opgegeven. Hij voelt
een vlaag van jaloezie opkomen. De hieruit voortvloeiende boosheid projecteert hij op Dex. Hij zal
deze sukkel weleens mores leren. Na een half uur ziet hij Dex naar het toilet gaan. Levi springt van
zijn barkruk en loopt achter zijn rivaal aan. Voor het toilet tikt hij de nietsvermoedende Dex op zijn
schouder en steekt hem vervolgens met een mes in diens hals en buik. Dex roept om hulp en stort
vervolgens hevig bloedend ter aarde. De toegesnelde barkeeper verleent eerste hulp en laat een
ambulance bellen. Drie minuten later is deze ter plaatse en Dex wordt met spoed en in kritieke
toestand naar het ziekenhuis gebracht. Hier wordt onmiddellijk besloten om hem te opereren. Na een
operatie van twee uur lijkt het levensgevaar verdwenen. Anderhalve dag later overlijdt Dex toch.
Sectie wijst uit dat de chirurg te weinig hechtingen aan de slagader heeft aangebracht, waardoor de
wond weer is opengegaan.
Kan Levi veroordeeld worden ter zake van doodslag (art. 287 Sr)?
De vaststelling dat Levi met opzet heeft gehandeld, is niet voldoende om tot kwalificering van de
gedraging onder artikel 287 Sr te komen. Er moet eveneens worden vastgesteld dat de messteken de
oorzaak zijn geweest van de dood van Dex. Indien de chirurg betere hechtingen had aangebracht,
was Dex misschien nog in leven geweest. Er kan dus ook geredeneerd worden dat de (onzorgvuldige)
wijze van hechten door de chirurg de oorzaak van de dood is geweest, of misschien de onzorgvuldige
controle door het verplegend personeel.
4
Lynn van de Kant
Inhoudsopgave
Leereenheid 1 De objectieve zijde van een strafbaar feit...................................................................2
Aantekeningen werkcollege leereenheid 1.......................................................................................12
Leereenheid 2 De subjectieve zijde van een strafbaar feit................................................................13
Aantekeningen werkcollege leereenheid 2.......................................................................................31
Leereenheid 3 Strafuitsluitingsgronden............................................................................................33
Aantekeningen werkcollege leereenheid 3.......................................................................................45
Leereenheid 4 De strafbare poging en voorbereiding.......................................................................47
Aantekeningen werkcollege leereenheid 4.......................................................................................56
Leereenheid 5 Deelneming aan strafbare feiten...............................................................................58
Aantekeningen werkcollege leereenheid 5.......................................................................................75
Aantekeningen tentamentraining.....................................................................................................76
1
,Leereenheden materieel strafrecht
Lynn van de Kant
LEEREENHEID 1 DE OBJECTIEVE ZIJDE VAN EEN STRAFBAAR FEIT
INLEIDING LEEREENHEID 1
Deze eerste leereenheid gaat over de objectieve zijde van een strafbaar feit. Hieronder wordt
uitgelegd hoe de verschillende deelonderwerpen zich tot elkaar verhouden.
De objectieve zijde van het strafbare feit
Een delictsomschrijving bevat altijd objectieve bestanddelen (o.a. de delictgedraging) en, waar het
misdrijven betreft, veelal ook subjectieve bestanddelen. In deze leereenheid zullen wij ons richten op
de objectieve zijde van een strafbaar feit. *De subjectieve zijde komt aan bod in leereenheid 2.
Objectieve zijde
Dit gaat over de feitelijke, uiterlijke gedraging en omstandigheden die het strafbare feit vormen. Het
gaat dus om datgene wat waarneembaar is in de buitenwereld.
Voorbeelden:
- Het stelen van een fiets (de handeling zelf, het wegnemen van een goed dat van een ander
is).
- Het toebrengen van letsel (de daad en het gevolg, bijvoorbeeld een klap die iemand
verwondt).
- Plaats, tijd en middelen van het delict.
De objectieve zijde beschrijft dus wat er feitelijk is gebeurd.
Objectieve zijde = gedraging + feitelijke omstandigheden
Leerstuk van de strafrechtelijke causaliteit
Bij materiële delicten, concrete gevaarzettingsdelicten en door gevolg gekwalificeerde delicten moet
een causaal verband worden vastgesteld tussen de delictgedraging en het delictgevolg. De vraag
die daarbij centraal staat is de volgende:
‘Wanneer kan gezegd worden dat een (voor bewezenverklaring van een bepaald delict vereist) gevolg
door een (door de verdachte gestelde) gedraging is veroorzaakt?’
Het (strafrechtelijk) leerstuk van de causaliteit is met name ontwikkeld in de jurisprudentie. Daarbij
zijn naar de tijd verschillende heersende theorieën te herkennen. Hoewel verschillende theorieën
niet meer als heersend worden gezien, werken die “oude” theorieën regelmatig door in het huidige
in de rechtspraak toegepast criterium van ‘de redelijke toerekening’. Bestudering van de historische
ontwikkelingen in de jurisprudentie en kennis van die “oude” theorieën is dan ook van belang om tot
een goed begrip en goede toepassing van het leerstuk te komen.
Voormelde vraag naar oorzaak en gevolg wordt gesteld binnen een strafrechtelijke context. Deze
laatste toevoeging is belangrijk omdat we anders terechtkomen in een oeverloze keten van
bijvoorbeeld natuurwetenschappelijke causale verbanden. Hoewel andere wetenschappelijke
disciplines regelmatig dienstig zijn aan een feitelijke invulling van causaliteit in concrete rechtszaken,
gaat het uiteindelijk om een specifiek strafrechtelijk oordeel van de rechter. En dat oordeel heeft een
belangrijke normatieve component (verdient de verdachte het om gezien zijn gedraging en de
omstandigheden waaronder die is begaan, strafrechtelijk aansprakelijk gesteld te worden?). Dit leidt
ook tot een sterk casuïstische invulling van de causaliteit in de rechtspraak: de omstandigheden van
het geval zijn sterk bepalend.
2
,Leereenheden materieel strafrecht
Lynn van de Kant
Wederrechtelijkheid
In Inleiding Strafrecht heeft u kennis genomen van het in de strafrechtelijke dogmatiek gemaakt
onderscheid tussen elementen en bestanddelen, en van de structuur van het strafbaar feit. Uit het
daar door u bestudeerde arrest Veearts blijkt dat wederrechtelijkheid een element is van een
strafbaar feit. Wederrechtelijkheid is daarmee een ongeschreven voorwaarde voor strafrechtelijke
aansprakelijkheid; dat is met name relevant voor delicten waarvoor geldt dat wederrechtelijkheid
niet expliciet is opgenomen in de delictsomschrijving.
In het arrest Veearts ging het om een uitbraak van mond- en klauwzeer waarbij een veearts – de
latere verdachte – niet besmette koeien in contact had gebracht met besmet vee. De niet besmette
koeien waren op dat moment niet melkgevend. De veearts wist dat als niet melkgevende koeien
mond- en klauwzeer oplopen, de ziekte bij hen veel minder ernstig verloopt en deze koeien ook
minder besmettelijk zijn voor ander vee. Redelijkerwijs kon worden aangenomen dat de niet besmette
koeien op enig moment de ziekte zouden oplopen. Hij handelde dus louter preventief, naar juist
veterinair inzicht en in lijn met de strekking van de bepaling uit de Veewet waarvan hij werd verdacht
die te hebben overtreden. Hij had gehandeld ‘als een goed veearts betaamt’. Hoewel de betreffende
strafbepaling niet het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ bevatte, kon de veearts toch met succes een
beroep doen op het ontbreken van de wederrechtelijkheid, hetgeen leidde tot een ontslag van alle
rechtsvervolging, OVAR. Behalve dat de Hoge Raad hiermee het bestaan van wederrechtelijkheid als
element bevestigde, erkende hij ook als buitenwettelijke rechtvaardigingsgrond het ‘ontbreken van
de materiële wederrechtelijkheid’.
Dat betekent dat ook als “wederrechtelijk” niet als bestanddeel is opgenomen in de
delictsomschrijving, alsnog de wederrechtelijkheid aan een bepaalde gedraging kan komen te
ontvallen. Het tenlastegelegde kan dan ook worden bewezen, maar een geslaagd beroep op een
rechtvaardigingsgrond doet de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde feit alsnog
wegvallen.
Wederrechtelijkheid kan worden gedefinieerd als ‘strijd met het objectieve recht’. Er is een bepaalde
norm overschreden: dit kan gaan om een norm van behoren, van maatschappelijke betamelijkheid,
van gebruik en gewoonte, geschreven of ongeschreven normen: het gehele objectieve recht, dus alle
normen die in de betreffende samenleving op een bepaald moment gelden. Die normen kunnen
onder meer een morele of civielrechtelijke oorsprong hebben, of hun oorsprong vinden in hetgeen
binnen een bepaalde context (denk aan een bedrijfstak) als norm wordt beschouwd.
Bij strafrechtelijke wederrechtelijkheid gaat het vervolgens om een beperkte categorie binnen dat
geheel aan onrechtmatigheden. Immers, niet alle in bijvoorbeeld de geldende moraal of het civiele
recht als afkeurenswaardige beschouwde gedragingen (of nalaten) zijn strafbaar gesteld.
Uit het vervuld hebben van de delictsomschrijving volgt doorgaans het oordeel dat sprake is van
strafrechtelijke wederrechtelijkheid. In uitzonderingsgevallen tast een succesvol beroep op een
rechtvaardigingsgrond die in beginsel gegeven (en dus niet afzonderlijk te bewijzen)
wederrechtelijkheid aan. Ten aanzien van delicten waarbij wederrechtelijkheid als bestanddeel in de
delictsomschrijving (en tenlastelegging) is opgenomen dient zich de vraag aan welke betekenis dat
te bewijzen bestanddeel toekomt, dus wat in die strafbepaling onder het begrip wederrechtelijkheid
moet worden verstaan.
Van Veen heeft in dit verband de leer van de facetwederrechtelijkheid ontwikkeld (zie de digitale
tekst 1.3). De Hullu laat zich kritisch uit over de plausibiliteit van deze leer. Ook in de rechtspraak zijn
voorbeelden te vinden van arresten die erop wijzen dat deze leer in de rechtspraktijk niet zomaar en
ten aanzien van alle delicten wordt gevolgd (Arrest Dreigbrief).
Leerdoelen
Na bestudering van leereenheid 1 heb je kennis van en inzicht in:
- De verschillende causaliteit theorieën;
3
, Leereenheden materieel strafrecht
Lynn van de Kant
- De geldende causaliteitscriteria;
- Wederrechtelijkheid als element en als bestanddeel;
- De verschillende verschijningsvormen van wederrechtelijkheid als bestanddeel;
- De leer van de facetwederrechtelijkheid;
- De invulling van de wederrechtelijkheid in de jurisprudentie;
- De invulling die wordt gegeven aan het leerstuk van ‘de locus delicti’ in de rechtspraak.
Na bestudering van deze leereenheid kan je:
- De geldende causaliteitscriteria toepassen in casus;
- Toepassing geven aan het leerstuk van de wederrechtelijkheid;
- Toepassing geven aan het leerstuk van ‘de locus delicti’.
1.1 CAUSALITEIT
Causaliteit betreft de vraag naar de relatie tussen een strafrechtelijke relevante gedraging en een
strafrechtelijk relevant gevolg. Het leerstuk causaliteit heeft echter in directe zin vooral betrekking
op delictsomschrijvingen waarin op de ene of andere manier duidelijk een bepaald gevolg als
bestanddeel is opgenomen.
Onderlinge verhouding causaliteitstheorieën
Voorbeeld 1
Levi is na een week hard werken aan de lopende band op de inpakafdeling van de koekjesfabriek
JABO hard toe aan wat ontspanning. Hij besluit naar discotheek Kinky te gaan om zich eens flink te
laten ‘vollopen’. Voor de zekerheid steekt hij een groot zakmes bij zich. Je weet maar nooit ...! Na zijn
gebruikelijke warming-up (twee pilsjes en een lijntje cocaïne) begint hij aardig in de stemming te
komen. Op dat moment komt een goede vriendin van hem, Imra, innig gearmd met de hem bekende
Dex binnen. Hoewel Imra hem een week geleden nog duidelijk heeft proberen te maken dat zij niets
voelt voor een meer dan oppervlakkige relatie met hem, heeft Levi de hoop niet opgegeven. Hij voelt
een vlaag van jaloezie opkomen. De hieruit voortvloeiende boosheid projecteert hij op Dex. Hij zal
deze sukkel weleens mores leren. Na een half uur ziet hij Dex naar het toilet gaan. Levi springt van
zijn barkruk en loopt achter zijn rivaal aan. Voor het toilet tikt hij de nietsvermoedende Dex op zijn
schouder en steekt hem vervolgens met een mes in diens hals en buik. Dex roept om hulp en stort
vervolgens hevig bloedend ter aarde. De toegesnelde barkeeper verleent eerste hulp en laat een
ambulance bellen. Drie minuten later is deze ter plaatse en Dex wordt met spoed en in kritieke
toestand naar het ziekenhuis gebracht. Hier wordt onmiddellijk besloten om hem te opereren. Na een
operatie van twee uur lijkt het levensgevaar verdwenen. Anderhalve dag later overlijdt Dex toch.
Sectie wijst uit dat de chirurg te weinig hechtingen aan de slagader heeft aangebracht, waardoor de
wond weer is opengegaan.
Kan Levi veroordeeld worden ter zake van doodslag (art. 287 Sr)?
De vaststelling dat Levi met opzet heeft gehandeld, is niet voldoende om tot kwalificering van de
gedraging onder artikel 287 Sr te komen. Er moet eveneens worden vastgesteld dat de messteken de
oorzaak zijn geweest van de dood van Dex. Indien de chirurg betere hechtingen had aangebracht,
was Dex misschien nog in leven geweest. Er kan dus ook geredeneerd worden dat de (onzorgvuldige)
wijze van hechten door de chirurg de oorzaak van de dood is geweest, of misschien de onzorgvuldige
controle door het verplegend personeel.
4