Inleiding
- Mailen naar de juiste personen
o Rani = praktijk
§ Niet allemaal live (enkel 1 en 5) 2+3+4 online deadlines online
§ Live = video kijken, prelabtest (VERPLICHT)
§ Inhoud kennen voor examen, NIET
o Gilissen = theorie
- Connect
- Boek = ondersteuning, leerstof = ppt
- Na elke les oefeningen online
- Vragen op discussieforum
- Lesoverzicht online (practica en juiste onderdelen per les!!) MAAR 2 WEKEN ONLINE
o Online practica zelf in het oog houden!!!
- Examen = meerkeuze met gis, er is wel een proefexamen
INHOUDSOPGAVE
• HS 1: De cel p2-6
• HS 2: Celdeling p7-9
• HS 3: Virussen p10-14
• HS 4: Prokaryoten p15-22
• HS 5: Protisten eukarya p23-29
• HS 6: Diversiteit en evolutie bouwplan p30-34
• HS 7: Protostomen p35-40
• HS 8: Deuterostomen deel 1 p41-47
• HS 9: Deuterostomen deel 2 p47-50
• HS 10: Opbouw en regulatie van het lichaam p51-54 TOT HIER PROEFEXAMEN (HS 10 vergeten leren)
• HS 11: Spijsvertering p55-60
• HS 12: Het zenuwstelsel p61-69
• HS 13: Sensorische systemen p70-73
• HS 14: Endocrien systeem p74-80
• HS 15: Circulatie p81-85
• HS 16: Ademhaling p86-90
• HS 17: Musculo- sekeltraal systeem p91-96
• HS 18: Osmoregulatie en het excretiestelsel p97-103
• HS 19: Voortplantingsstelsel p104-109
• HS 20: Ontwikkeling p110-115
• Begrippenlijst
1
,Hoofdstuk 1: De Cel (Hoofdstuk 4 in boek)(slide 1-27)
1.1 Celtheorie
Geschiedenis
Ontdekking cel: 1665 Robert Hooke
1e studie op cel: 1838 Mathias Schleiden, 1839 Theodor Schwann
Celtheorie
1. Alle organismen zijn samengesteld uit cellen
2. Cellen zijn de kleinst levende eenheid
3. Cellen ontstaan ALLEEN uit reeds bestaande cellen
Er is een limiet op de grootte van de cel, anders komt de werking in het gedrang.
Microscopie
Cellen worden hoofdzakelijk hiermee waargenomen na specifieke kleuring endosymbiosetheorie
- Lichtmicroscoop: 200nm van elkaar
- Elektronenmicroscoop: 0.2 nm
Basis celstructuren
- Genetisch materiaal (in kern of nucleus)
- Cytoplasma = cytosol + organellen
- Plasmamembraan (dubbele fosfolipidenlaag)
- Ribosomen
Endoysmbiosetheorie
1.2 soorten cellen
Prokaryote cellen Eukaryote cellen
- Geen celkern (pro= voor kern) - Wel celkern (eu= na kern)
- Plasmamembraan en celwand - Membraan omgeven nucleus
- Geen membraan omgeven organellen - Complexer dan prokaryoten
- Roterend flagellum met flageline - Cytoskelet (behoud en steun celstructuur)
- Haarachtige structuur - Roterend flagellum zonder flageline (=
Studie = microbiologie beweging)
- Endomembranair systeem (= syst. Waar veel
organellen samenwerken, meer uitleg p3)
Studie = celbiologie
Archaea Bacteria Dierlijke Planten
geen peptidoglycaan in Celwand met - Soms vacuole - Altijd vacuole
celwand peptidoglycaan (vetvacuole) - chloroplast
Gram poistief of negatief - Geen chloroplast
Gram +/- o.b.v hvl peptidoglycan aanwezig is (pepti, verstevigd celwand)
2
,1.3 delen van de cel
structuur en functie van een cel hangen aan elkaar vast
Celkern
Functie:
- Nucleaire porieën = passage van eiwitten
- Nucleoli = synthese van rRNA en rRNA-eiwit complexen
- Nucleaire lamina = vorming nucleaire enveloppe
-
Opbouw:
- Bevat genetisch materiaal in vorm van vele lineaire chromosomen (DNA + eiwitten = chromatine)
- Omgeven door een nucleaire enveloppe bestaande uit 2 dubbele fosfolipidenlagen
- Nucleaire lamina (filamenten) EN nucleaire porieën
- Nucleoli
- Nucleolus = cluster van rRNA genen + rRNA + r proteine
Waar: In cytoplasma
Kernporie = mRNA naar
Ribosomen buiten transporteren
richting ribosomen (à
eiwitten)
Functie:
- Eiwitsynthese
Opbouw:
- Ribosomaal RNA (rRNA) en eiwitten
- Grote en kleine subeenheid
Waar: In cytoplasma gebonden interne membranen (er zijn ook vrije membranen), in elke cel
Endomembranair systeem
Functie: Verdeelt cel in compartimenten met verschillende cellulaire functies
Opbouw:
- Endoplasmatisch riticulum
- Golgi apparaat
- Lysosomen
- Hierin is het cisternale ruimte ipv cytosol
Waar: Serie membranen doorheen het cytoplasma
Endoplasmatisch riticulum
Ruw endoplasmatisch riticulum
Functie:
- Synthese van eiwitten
- verzenden verder naar lysosomen of plasmamembranen (krijgen ander membraan door contact met RER
membraan)
3
,Opbouw:
- RER met aangehechte ribosomen, geeft ruw uitzicht
Glad endoplasmatisch riticulum
Functie:
- synthese van membraan lipiden
- intracellulaire calciumopslag
- detoxificatie van vreemde substanties (cf lever)
Opbouw:
- relatief weinig ribosomen
Golgi apparaat
Functie:
- inpakken en distributie van materiaal naar verschillende delen van de cel
- post-translationele modificaties van eiwitten en lipiden voor afgifte via cisternae
- synthese van celwandcomponenten
- eiwit afgezet door RER versmelt met golgi apparaat, word afgesnoerd in vesikel à versmelt vervolgens met
celmembraan en komt zo buiten (vorming extracellulair eiwit/lipiden)
Opbouw:
- golgi cisternae
- platte structuur van geïnterconnecteerde membranen
- voorkant= cis face (richting kern) , achterkant= trans face (richting celwand)
Lysosomen
Functie:
- afbraak macromoleculen en oude celorganellen (autofagie)
- afbraak vreemde stoffen opgenomen via fagocytose (opnemen van voedsel) (endocytose= opnemen van
stoffen)
- zure ph via protonpompactivatie
- lysosomaal storage disorders = verlies van lysosomaal enzymen dat membraanglycolipide afbreekt, leidt tot
aantasting zenuwcelfunctie
Opbouw:
- membraan omgeven vesikels die digestieve enzymes (=afbraak enzymen) bevatten
Microbodies
Opbouw:
- membraan-omgeven vesikels die enzymen bevatten
Gevaarlijk: peroxisomen bevatten oxidatieve enzymen: foute oxidatie zorgt voor problemen
4
,Mitochondria
Functie:
- energie: enzymen voor oxidatief metabolisme overbrengen van energie binnen macromolecules naar ATP
- metaboliseert suiker om ATP te genereren
- cellen binnen een cel (niet autonoom= niet instaat alleen te leven) ENDOSYMBIOSE theorie
Opbouw:
- 2 membranen (gladde uitwendige, gevouwen inwendige (lagen= cristae)
- Matrix binnen inwendig membraan
- Intermembranaire ruimte
- Bevat eigen DNA
Waar: alle eukaryote cellen
Cytoskelet
Functie:
- Onderhoudt vorm van cel
- Houdt organellen op hun vaste locatie
- Helpt bij beweging van materiaal in cel (motor proteïne)
- = actief celorganel
Opbouw:
- netwerk van eiwitvezels (polymeren van identieke eiwitsubeenheden)
- dynamisch (opbouw/afbraak)
soorten:
microfilamenten, cellulaire contracties, kruipen, pinching
alfa, beta tubuline, organisatie en beweging in cel, gevormd vanuit centriolen in
centrosoom
structurele stabiliteit bv. Neurofilmant, vimentine, keratine
Vacuolen
Functie: Osmotische balans en opslag
Opbouw: membraan-omgeven (= tonoplast) structuren met uiteenlopende functies
Types :
- Centrale vacuole in planten
- Contractiele vacuole in protista
- Opslagvacuolen (bv. Vetcellen = dierlijk!)
5
,Chloroplast
Functie: fotosynthese (licht om suikers en ATP te genereren)
Opbouw:
- chlorofyl voor fotosynthese
- 2 gecompartimentaliseerde membranen (thylakoiden en grana (= stapels thylakoiden))
- eigen DNA, delen zichzelf
- chloroplast, amyloplast, leukoplast = plastiden
- endosymbiosetheorie
Waar: in cellen van planten en enkele andere eukaryoten
Opmerking: cellen bestaan niet los van elkaar maar hangen aan elkaar dmv extracellulaire structuren ook het
cytoskelet van verschillende cellen hangt aan elkaar vast!
Extracellulaire structuren
Opbouw:
- celwand planten en protista (met cellulose)
- celwand fungi (met chitine)
- dierlijke cellen produceren extracellulaire matrix (= glycoproteïnen en fibreuze eiwitten) à geconnecteerd
met cytoplasma via integrines (= aanwezig in plasmamembraan)
Overzicht slide 27
6
,Hoofdstuk 2: Celdeling (zelfstudie) (hoofdstuk 10-11 boek) (slide 28-59)
2.1 Celsplijting bij bacteria
Door middel van een binaire splijting
à enkelvoudig, circulair dubbelstrengig DNA
wordt gerepliceerd
- bidirectioneel
- een septum vormt en splitst cel in 2
- septatie onder controle van eiwitten
- = clonale reproductie
2.2 Eukaryote chromosomen
- elk organisme heeft een eigen aantal chromosomen (mens 46 oftewel 23 paar)
- bestaan uit chromatine en eiwitten
o heterochromatine (niet tot expressie)
o euchromatine (wel tot expressie)
- dubbele DNA streng is enorm dik gepakt door:
o neucleosoom
o solenoïd
o chromatide
- worden weergegeven in karyogram
- steeds 2 homologe chromosomen (paternale en maternale)
- verbonden door kinetochoren en cohesine
- zusterchromatiden (2 copijen van het gerepliceerde chromosoom)
2.3 eukaryote celdelingen
5 stadia
7
,Interfase
G1: celgroei
S: synthese van DNA (DNA replicatie + productie van 2 zusterchromatiden)
G2: chromosomen condenseren + mitochondria en organellen repliceren
- Centromeren repliceren en verbonden door cohesine eiwitten
- Kinetochoor eiwitten hechten aan centromeren
- Microtubuli hechten aan kinetochoor
- Centriolen repliceren en bewegen elke celpool naar buiten
Mitose en meiose
Mitose meiose
1. Profase 1. Profase 1 6. Profase 2
2. Prometafase 2. Prometafase 1 7. Prometafase 2
3. Metafase 3. Metafase 1 8. Metafase 2
4. Anafase 4. Anafase 1 9. Anafase 2
5. Telofase 5. Telofase1 10. Telofase 2
2 identieke cellen Haploïde cellen die verschillend zijn
Synapsvorming, crossing over
Zusterchromatiden blijven bij elkaar thv centromeren bij meiose 1
Kinetochoren v zusterchromatiden hechten aan zelfde pool
Geen DNA replicatie tussen meiose 1 en 2
Cytokinese: deling van cel in 2 gelijke delen (dierlijke cellen: contractiele kevingsring, plantencellen: celplaat)
Meiose: productie van gameten (ei-zaad cellen, haploïde, sexuele reproductie) (zie slide 42-59 en zelfgemaakte
mindmap)
Mitose:
Profase
- Chromosomen condenseren
- Centriolen naar celpolen
- Spoelfiguur word gevormd
- Nucleaire enveloppe (=kernmembraan) lost op
Prometafase
- Chromosmomen hechten aan spoelfiguur via kinetochoren
- Microtubuli wordt gevormd vanuit celpolen naar kinetochoren
- Microtubuli trekken chromosomen naar centrum cel
Metafase
- Microtubuli vormen metafase plaat (= chromosomen midden cel)
- Polaire microtubuli verbinden de 2 polen
Anafase
- Afbraak cohesine eiwit à scheiding centromeren
- Microtubuli trekken zusterchromatiden naar celpolen
- Kinetochoren uit elkaar getrokken (Anafase A)
- Polen uit elkaar gegroeid (Anafase B)
8
,Telofase
- Spoelfiguur verdwijnt
- Nucleaire enveloppe vormt zich
- Chromosomen ontvouwen
- Nucleolus verschijnt
Bij meiose: crossing-over! (plaats daarvan = chiasmata)
9
, H3: Virussen (hoofdstuk 26 boek) (slide 1-29)
3.1 een virus
Wat is een virus:
- Niet in 1 van de rijken (levensboom) à want kan zich niet verder produceren zonder gastheercel
- Zijn letterlijk ‘parasitaire’ chemicaliën’, bestaande uit DNA of RNA ingepakt in eiwit
- Geen cel, wel virion (= naakte stuk DNA/RNA omgeven door een eiwit)
- Enkel reproduceren binnen een levende cel
- Variëren in grootte en vorm
Basisstructuur virus:
- Nucleïnezuurkern omgeven door capsid
o Kan DNA of RNA, enkel-dubbelstrengig circulair of lineair zijn
o Bij capsid vaak enzymen (bv. Retranscriptase bij retrovirussen)
- Dierlijke virussen vaak omgeven door enveloppe (als virusparticel gastheercel verlaat)
- Reproduceren in een cel, erbuiten metabool inert (totaal afhankelijk)
Doel = gastheercel bereiken en highjacken, hier zo snel mogelijk DNA inbrengen
Ze kunnen jaren lang latent (slapend) blijven indien gewenst (bv. Koortsblaar)
Budding: via budding verlaat virus de cel en kan die zich verder verspreiden
Obligaat intracellulaire parasieten (= niet voorplanten zonder gastheercel)
- Host range = bepaald type van gastheer
- Weefseltropisme = bepaald type van cel
Virale vormen
2 meest voorkomende/simpele vormen:
- helicaal (bv. TMV)
- icosahedraal (bv. Adenovirus) (zie afbeelding hierboven voor vorm)
complexe vormen:
- T4 bacteriofagen (binale symmetrie)
- Pokkenvirus (multigelaagde capsid)
Polymorf virus = virus met enveloppe (= geen symetrie)
10