Accounting equation
De basisvergelijking van accounting is: Assets = Liabilities + Equity
Elke transactie beïnvloedt minstens twee rekeningen en houdt deze vergelijking in evenwicht.
Winst verhoogt het eigen vermogen via retained earnings; verlies en dividend verlagen het eigen
vermogen.
Equity-structuur
Eigen vermogen bestaat uit:
• Share capital / paid-in capital: geld ingebracht door aandeelhouders
• Retained earnings: ingehouden winsten
Relatie met winst: Retained earnings eind = Retained earnings begin + Net income –
Dividends
Accrual accounting versus cash accounting
Cash accounting: Opbrengsten en kosten worden verwerkt wanneer cash wordt ontvangen of
betaald.
Accrual accounting: Opbrengsten worden verwerkt wanneer ze verdiend zijn en kosten
wanneer ze gemaakt zijn, ongeacht het moment van betaling. Dit volgt uit het matching
principle: kosten moeten worden verantwoord in dezelfde periode als de bijbehorende
opbrengsten.
Belangrijk:
• Cash ≠ profit
• Net income ≠ operating cash flow
Accrual accounting geeft een beter beeld van economische prestaties, maar veroorzaakt
timingverschillen tussen winst en kasstromen.
Revenue recognition
Het vijfstappenmodel
Onder IFRS/GAAP wordt omzet verantwoord via het vijfstappenmodel:
1. Identificeer het contract met de klant: Er moet een afdwingbare overeenkomst zijn met
commerciële substantie en waarschijnlijke inning.
2. Identificeer de performance obligations: Afzonderlijke prestaties binnen een contract
moeten apart worden beoordeeld.
3. Bepaal de transactieprijs: Dit is het bedrag waarop de onderneming recht verwacht te
hebben, inclusief variabele vergoedingen, kortingen en bonussen.
4. Alloceer de transactieprijs: Verdeel de prijs over de performance obligations op basis
van relatieve standalone selling prices.
5. Erken omzet wanneer of naarmate de performance obligation is voldaan: Omzet
wordt erkend wanneer de controle overgaat op de klant, op een moment (point in time)
of over tijd (over time).
Kernbegrip: controleoverdracht.
Unearned revenue / contract liability
Wanneer cash wordt ontvangen vóór levering van goederen of diensten, ontstaat een
verplichting:
Bij ontvangst:
• Debit Cash
• Credit Unearned Revenue
Bij levering:
• Debit Unearned Revenue
• Credit Revenue
Belangrijk: cashontvangst betekent niet automatisch omzet.
,Right of return
Bij recht op retour mag omzet alleen worden erkend als:
1. de verkoopprijs vaststaat,
2. de klant heeft betaald of een betalingsverplichting heeft,
3. er geen belangrijke toekomstige verplichtingen meer zijn,
4. returns redelijk kunnen worden geschat.
Als returns schatbaar zijn:
• omzet erkennen,
• refund liability / refund reserve opnemen.
Als returns niet schatbaar zijn:
• omzet uitstellen,
• ontvangen cash als liability boeken.
Gross versus net revenue
Principal versus agent: De vraag is of een onderneming omzet bruto of netto moet
rapporteren.
• Principal: de onderneming controleert het goed of de dienst vóór overdracht aan de klant
en erkent de volledige verkoopprijs als omzet.
• Agent: de onderneming bemiddelt slechts en erkent alleen de commissie als omzet.
Indicatoren dat een onderneming principal is:
• inventory risk
• pricing discretion / prijsrisico
• verantwoordelijkheid voor fulfilment / levering
• primary obligor
• soms ook credit risk
Gross vs net effect
Bij brutoverantwoording:
• hoge omzet
• ook cost of sales
Bij nettoverantwoording:
• alleen commissie als omzet
• geen of lagere cost of sales
Belangrijk: brutowinst kan hetzelfde blijven, maar de omzet en kostenpresentatie verschillen
sterk.
Kasstroomoverzicht
Het kasstroomoverzicht toont de werkelijke geldstromen en corrigeert voor accrual accounting.
Het bestaat uit:
• CFFO: cash flow from operating activities
• CFI: cash flow from investing activities
• CFF: cash flow from financing activities
Doel van analyse:
• liquiditeit beoordelen
• winstkwaliteit beoordelen
• financiële flexibiliteit beoordelen
Indirecte methode (CFFO): De indirecte methode berekent operationele kasstroom vanuit
nettoresultaat.
Stappen:
1. Start met net income
2. Tel niet-kaskosten terug op, zoals depreciation, amortization en impairments
3. Corrigeer voor winsten en verliezen op verkoop van activa
o gain aftrekken
o loss optellen
4. Corrigeer voor veranderingen in werkkapitaal
, Werkkapitaalregels
Werkkapitaal = current assets − current liabilities
Effect op CFFO:
• stijging current assets → aftrekken
• daling current assets → optellen
• stijging current liabilities → optellen
• daling current liabilities → aftrekken
Specifiek:
• toename debiteuren → negatieve kasimpact
• toename voorraad → negatieve kasimpact
• toename crediteuren → positieve kasimpact
• toename accrued liabilities → positieve kasimpact
Logica:
• stijging van een actief betekent vaak dat cash nog niet is ontvangen
• stijging van een verplichting betekent vaak dat cash nog niet is betaald
Earnings quality
Vergelijk CFFO met net income:
• CFFO > net income → meestal hoge winstkwaliteit
• CFFO < net income → lagere kasconversie, mogelijk veel accruals
Structurele afwijkingen zijn belangrijker dan één jaar.
Free Cash Flow (FCF)
FCF = CFFO − Capital Expenditures
FCF meet hoeveel cash overblijft na noodzakelijke investeringen.
Interpretatie:
• positieve FCF → ruimte voor dividend, schuldafbouw, aandeleninkoop
• negatieve FCF → externe financiering nodig of onderneming zit in groeifase
CFI en CFF
• Negatieve CFI duidt vaak op investeringen in groei
• Positieve CFF wijst vaak op schuldopname of aandelenuitgifte
• Negatieve CFF wijst vaak op dividend, aandeleninkoop of schuldaflossing
Bedrijfslevenscyclus Typische patronen:
• Start-up: CFO negatief, CFI negatief, CFF positief
• Groei: CFO laag of positief, CFI sterk negatief, CFF vaak positief
• Volwassenheid: CFO sterk positief, CFI beperkt negatief, CFF vaak negatief
• Neergang: dalende CFO, minder investeringen, mogelijk herstructurering
Non-cash transacties
Dit zijn investerings- of financieringstransacties zonder kasbeweging, zoals:
• aankoop van activa via aandelenuitgifte
• conversie van schuld in aandelen
• leasecontract zonder initiële cashbetaling
Deze komen niet in CFO/CFI/CFF, maar worden apart toegelicht.
Receivables en oninbaarheid
Wat zijn receivables? Receivables zijn monetaire vorderingen op derden, vooral door:
• verkopen op krediet
• uitgeleend geld
Twee hoofdtypen:
• Accounts receivable
• Notes receivable
Accounts receivable ontstaan uit accrual accounting: omzet wordt erkend vóór cashontvangst.