1. Uitleg van het begrip ‘burgerlijke en handelszaken
HvJ EU Obala/NLB Leasing: r.o. 62, 63, 72, 73
Gaat over de uitleg van het begrip ‘burgerlijke en handelszaken’, materieel
toepassingsgebied Brussel I bis-Vo & kwalificatie bij art. 7 (dienst)
r.o. 62: Bepalen of een rechtsvordering onder ‘burgerlijke en
handelszaken’ valt:
a. De rechtsbetrekking tussen procespartijen en het voorwerp van het
geschil worden vastgesteld
b. De grondslag van de vordering & de wijze waarop die wordt ingesteld
R.o. 63: Buiten werkingssfeer en uitsluiting van begrip ‘burgerlijke en
handelszaken’ , indien: bevoegdheden van openbaar gezag worden
uitgeoefend door gebruikmaking van bevoegdheden die buiten het bestel
vallen van de voor betrekkingen tussen particulieren geldende regels,
R.o. 73: Artikel 1, lid 1 Brussel I-bis-Vo moet aldus worden uitgelegd
dat er sprake is van „burgerlijke en handelszaken” in de zin van deze
bepaling bij een vordering die strekt tot inning van het voor een dagkaart
verschuldigde parkeergeld wegens parkeren op een afgebakende
parkeerplaats op de openbare weg en die is ingesteld door een
vennootschap die door een territoriaal lichaam gemachtigd is om
dergelijke parkeerplaatsen te beheren.
Uitleg van het begrip ‘burgerlijke en handelszaken’ (HvJEU
Obala/NLB Leasing): of Obala, want dat is een door een
overheidslichaam opgerichte entiteit, zich anders gedraagt en van andere
rechten gebruik maakt dan een private partij zou kunnen doen. Als het
antwoord ja is, valt het buiten het materieel toepassingsgebied. Maar als
die partij zich precies zo gedraagt dat dezelfde procedure volgt als een
private partij zou doen, valt het erbinnen.
Een vordering tot inning van een parkeervergoeding voor de openbare
weg is een dienst. Het gaat om het beheren van openbare
parkeerplaatsen. In eerdere jurisprudentie van het HvJEU is dienst
gedefinieerd als: Een partij die diensten verstrekt en doet dat tegen een
vergoeding. Dan verricht hij een bepaalde activiteit. Die vergoeding hoeft
geen geld te zijn. Dat kan ook iets anders zijn, een andere tegenprestatie.
Het gaat dus om het verrichten van een bepaalde activiteit.
2. Art. 7 lid 1 Brussel I-bis-Vo – verbintenissen uit overeenkomsten
(forum solutionis): alternatieve bevoegdheden
HvJ EG Falco Privatstiftung
(in arrest over art. 5 Brussel I-Vo) Art. 7 lid 1 Brussel I-bis-Vo –
verbintenissen uit overeenkomsten (forum solutionis): alternatieve
bevoegdheden
r.o. 44 – art. 7 lid 1, sub b, tweede streepje Brussel I-bis-Vo
moet worden uitgelegd dat een overeenkomst waarbij de houder van
, een recht van intellectuele eigendom zijn medecontractant het recht
verleent om tegen vergoeding gebruik te maken van dat recht, geen
overeenkomst voor de verstrekking van diensten in de zin van deze
bepaling is.
Kern: betalingsverplichting o.g.v. licentieovereenkomst is geen dienst.
HvJ EU Wood Floor Solutions/Silva Trade:
Lokalisering – Art. 7 lid 1 sub b, tweede gedachtestreepje (verstrekking
van diensten)
Betalen van vergoeding voor het beëindiging van de
agentuurovereenkomst en compensatie. Meerdere leveringsplaatsen –
meerdere plaatsen van de dienst
Doelstellingen worden herhaald: nabijheid en voorspelbaarheid
– alternatieve bevoegdheden → nauwe band
HvJ EU Color Drack is in herinnering gebracht. In dit arrest is bepaald
dat indien er meerdere plekken van levering goederen in de
overeenkomst zijn opgenomen, de plaats van levering = de plaats die
de nauwste band tussen de overeenkomst en het bevoegde gerecht
verzekert en dat die nauwste band in de regel aanwezig is op de plaats
van de hoofdlevering.
o Deze regel kan ook overeenkomstig worden toegepast op
levering van diensten – Art. 7 lid 1 sub b, tweede
gedachtestreepje
Meerdere plaatsen van de dienst , dan is plaats van uitvoering diensten
= de plaats waar de handelsagent hoofdzkaleijk diensten verricht.
Punten HvJ EU:
1. R.o. 31: Nauwste band HvJ EU Color Drack
2. R.o. 34: Agentuurovk de handelsagent de voor deze overeenkomst
kenmerkende prestatie en de diensten verricht.
3. R.o. Plaats bepalen, indien de diensten in verschillende lidstaten
wordt verricht
a. R.o. 38: ‘volgens de overeenkomst’: uit de bepalingen halen
waar de diensten hoofdzakelijk worden verricht → op basis van
de contractuele keuze van partijen
b. R.o. 40. Niet kunnen bepalen op basis van bepaling: subsidiair
in aanmerking nemen = de plaats waar de handelsagent zijn
werkzaamheden ter uitvoering van de ovk overwegend heeft
uitgeoefend, mits de verrichting van diensten op die plaats
niet indruist tegen de wil van de partijen zoals die blijkt uit de
bepalingen van de ovk.
4. R.o. 41 + 42: helemaal niet plaats kunnen bepalen, dan pak je als
plaats waar de diensten van een handelsagent hoofdzakelijk zijn
verricht = woonplaats handelsagent.
Kern: plaats waar de diensten hoofdzakelijk worden verricht.
HvJ EU 13 maart 2014 Brogsitter:
Niet-nakoming (verbintenis uit ovk of OD)) & Kwalificatie – art. 7 lid 1
Brussel I bis-Vo
, r.o. 18: ‘verbintenissen uit overeenkomst’ verordeningsautonoom
uitleggen. Dit betekent niet kijken naar de nationale wetgeving. Met
het oog op de eenvormige toepassing van de opzet en doelstellingen
van Brussel I-Vo.
R.o. 21: welke verbintenissen vloeien voort uit de overeenkomst? →
r.o. 24: Daarvan is slechts sprake indien de verweten gedraging kan
worden beschouwd als niet- nakoming van de contractuele
verbintenissen zoals deze kunnen worden bepaald aan de hand van het
voorwerp van de overeenkomst.
R.o. 26: schadevordering betreffen die redelijkerwijze kan worden
gegrond op een schending van de rechten en plichten uit de
overeenkomst tussen partijen in het hoofdgeding, zodat met die
overeenkomst rekening moet worden gehouden om het geschil te
beslechten → verbintenissen uit overeenkomst
o Zo nee: dan is het een OD
Kern (R.o. 29): Ook al heet een vordering volgens nationaal recht een
onrechtmatige daad kan die tóch juridisch worden behandeld als een
contractuele verplichting, indien het gedrag eigenlijk neerkomt op het
niet-nakomen van een contract.
HvJ EU 10 september 2015 (Holterman Ferho):
Kwalificatie – art. 7 lid 1 Brussel I bis-Vo
Vraag 1 – R.o. 49: Speciale regeling in art. 18-21 prevaleert boven
algemene bevoegdheidsregeling in art. 5 van verordening →
waardoor: Onderscheid tussen bestuurder als werknemer en als partij
in vennootschappelijke rechtsverhouding heeft geen betekenis voor
bepaling van internationale bevoegdheid ex. art. 18-21, mits de
bestuurder/directeur (werknemer kan worden gekwalificeerd, maar dat
is aan de verwijzende rechterlijke instantie om te verifiëren):
1) gedurende bepaalde tijd voor,
2) en onder het gezag van die vennootschap prestaties heeft verricht
3) tegen een beloning.
Vraag 2 – r.o. 60-65:
o verbintenis uit ovk, die de bestuurder/directeur niet is nagekomen
(r.o. 60) → op basis daarvan de plaats van verrichting van diensten
bepalen = de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de
overeenkomst (moeten) worden/werden verstrekt (diensten
hoofdzakelijk werden verricht),.
o Geen bepaling in ovk die plaats aanwijst (r.o. 64): dit is aan
de verwijzende rechter, mits de verrichting van diensten op d
betrokken plaats niet indruist tegen de wil van partijen zoals die
blijkt uit hetgeen overeengekomen.
Rekening worden gehouden (r.o. 67): met de op die plaats
doorgebrachte tijd en het belang van de werkzaamheden die
er zijn verricht, waarbij het aan de aangezochte nationale
rechter is om gelet op de aan heem voorgelegde
bewijsmiddelen zijn bevoegdheid te bepalen.
, Vraag 3 (R.o. 69): rechtsverhouding tussen een vennootschap en
haar bestuurder = verbintenis uit ovk in de zin van art. 7 lid 1 sub b,
tweede gedachtestreepje.
o R.o. 79: er is sprake van een OD in de zin van art. 7 lid 2, indien
het verweten handelen niet kan worden beschouwd als een niet-
nakoming uit de ovk (ofwel: indien sprake is van niet-nakoming uit
ovk ≠ OD)
JOR 2015/288, HvJ EU, 10-09-2015, C-47/14 (annotatie; Holterman
Ferho)
Onder 8: Volgens het Hof moet worden onderzocht in hoeverre Spies
als aandeelhouder van Holterman de wil kon beïnvloeden van het
bestuursorgaan van die vennootschap waarvan hij bestuurder was: wie
was bevoegd om Spies instructies te geven en om toe te zien op de
uitvoering van die instructies. Als die invloed (van Spies als
aandeelhouder) “niet gering” was, dan is er geen sprake van de – voor
de toepasselijkheid van afdeling 5 – vereiste ondergeschiktheidsband
Van der Plas, onder 8: Zo zal mijns inziens bij een DGA een
ondergeschiktheidsband ontbreken, terwijl bij een statutair bestuurder
die niet tevens (groot)aandeelhouder is vaak wel van
ondergeschiktheid sprake zal zijn.
Onder 13: OD-gevallen en geen verbintenis uit ovk zijn gevallen als
fraude en verduistering door de bestuurder; dat is immers los van elke
overeenkomst onrechtmatig.
Antwoorden op de vragen onder 15: Al met al worden in dit arrest
drie belangrijke kwalificatievragen beantwoord:
1) indien een bestuurder met een vennootschap een
“arbeidsovereenkomst” (ex art. 18 Brussel I) heeft, kan die
vennootschap een vordering uit hoofde van
bestuurdersaansprakelijkheid uitsluitend instellen bij de rechter van de
lidstaat waarin de bestuurder woonplaats heeft;
2) bij gebreke van zo’n arbeidsovereenkomst kan de rechter ten
aanzien van een vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid
bevoegdheid aannemen ex art. 2 of art. 5 lid 1, maar
3) niet ex art. 5 lid 3 Brussel I welke bepaling pas in beeld komt als de
handeling waarop de vordering ziet ongeacht de overeenkomst
onrechtmatig is. Nu is het aan de Nederlandse rechter om deze
antwoorden en die ten aanzien van de lokalisering om te zetten in een
concreet resultaat. Dat is nog best lastig.
HvJ EU 28 november 2024 (VariusSystems):
Lokalisering – art. 7 lid 1: Plaats van uitvoering? Twee plaatsen
R.o. 17: het ging om de verstrekking van diensten ex. art. 7 lid 1 sub b
tweede streepje.
R.o. 21: een softwaredienst is namelijk pas daadwerkelijk verricht
vanaf het moment dat die software kan worden gebruikt en de kwaliteit
ervan kan worden gecontroleerd.