Werkgroep 1 — Vennootschapsbelasting Verdiept
Opgave 1 — Subjectieve belastingplicht en objectieve
vrijstellingen
De casus betreft een gemeenschappelijk NV (de holding) opgericht door vier gemeenten, met
twee dochter-BV's voor respectievelijk huishoudelijk afval (A BV) en bedrijfsafval (B BV). Alle
vennootschappen zijn statutair en feitelijk gevestigd in Nederland.
Wettelijk kader: indirecte overheidsondernemingen (art. 2 lid 1 sub a Wet Vpb 1969)
NV's en BV's zijn op grond van art. 2 lid 1 sub a Wet Vpb 1969 naar hun rechtsvorm integraal
subjectief belastingplichtig.
Dit geldt ongeacht wie de aandeelhouders zijn: ook overheids-NV's en -BV's vallen in beginsel volledig
onder de Vpb-plicht (indirecte overheidsondernemingen).
Voor objectieve vrijstellingen is vervolgens art. 8e en 8f Wet Vpb 1969 bepalend.
1.1 Afvalverwerking Zuid-Drenthe Holding NV
Vraag a — Subjectieve belastingplicht
De holding is een NV, statutair en feitelijk in Nederland gevestigd. Op grond van art. 2 lid 1 sub
a Wet Vpb 1969 is zij als NV integraal binnenlands belastingplichtig. De rechtsvorm is
beslissend; een nadere beoordeling of zij een onderneming drijft is niet vereist.
Grondslag: art. 2 lid 1 sub a jo. art. 2 lid 6 Wet Vpb 1969 (geen 'privésfeer').
Vraag b — Objectieve vrijstelling
De holding verricht als tussenhoudster intern houdsteractiviteiten (houden van aandelen in A BV
en B BV). Daarmee kwalificeert zij voor de interne activiteitenvrijstelling van art. 8e lid 1 sub a
(eerste variant) Wet Vpb 1969, voor zover haar voordelen uitsluitend voortvloeien uit het
houden van deelnemingen in andere overheidsondernemingen. Let op: de voordelen uit de
deelnemingen zijn doorgaans óók vrijgesteld via de deelnemingsvrijstelling (art. 13 Wet Vpb
1969). De overheidstakenvrijstelling (art. 8e lid 1 sub b) is hier minder direct relevant omdat de
holding zelf geen overheidstaak uitvoert.
Aandachtspunt
De interne activiteitenvrijstelling (art. 8e lid 1 sub a Wet Vpb 1969) geldt alleen voor activiteiten verricht
voor andere overheidsdochters of publiekrechtelijke rechtspersonen — niet voor externe derden.
Indien de holding ook activiteiten voor derden verricht, valt dat gedeelte buiten de vrijstelling.
1.2 Afvalverwerking Zuid-Drenthe BV (A BV) — huishoudelijk afval
Vraag a — Subjectieve belastingplicht
,A BV is een BV, statutair en feitelijk in Nederland gevestigd. Op grond van art. 2 lid 1 sub a Wet
Vpb 1969 is zij als BV integraal binnenlands belastingplichtig.
Vraag b — Objectieve vrijstelling: overheidstakenvrijstelling
De inzameling van huisvuil en GFT-afval is bij wet opgelegd aan gemeenten (art. 10.22 Wet
milieubeheer). Dit kwalificeert als overheidstaak. Art. 8e lid 1 sub b Wet Vpb 1969 (objectieve
vrijstelling) is van toepassing, mits aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan:
Toets art. 8e lid 1 sub b Wet Vpb 1969 — Overheidstakenvrijstelling A BV
Voorwaarde 1 Activiteit verricht in verband met uitoefening overheidstaak of publiekrechtelijke
bevoegdheid.
→ Voldaan: huisvuilinzameling is bij wet opgelegd (art. 10.22 Wet Milieubeheer).
Voorwaarde 2 Geen feitelijke concurrentie met ondernemingen van art. 2 lid 1 sub a-e Wet Vpb
1969.
→ Beoordeling: gemeentelijke huisvuilinzameling is exclusief opgedragen aan
de overheid. Private partijen treden hier doorgaans niet als directe concurrent
op.
Uitkomst Als aan beide voorwaarden is voldaan: voordelen uit A BV's activiteiten zijn van
rechtswege objectief vrijgesteld.
Sleutelregel: feitelijke concurrentie (MvT bij Wet modernisering Vpb-plicht
overheidsondernemingen, Kamerstukken II 2014/15, 34003, nr. 3)
Of sprake is van concurrentie is een feitelijke vraag. Niet voldoende dat er potentiële concurrentie
bestaat; er moet sprake zijn van feitelijke concurrerende activiteiten.
Illustratief: in het kennisgroepstandpunt over slagboomparkeren (KG:211:2024:14) oordeelde de
Belastingdienst dat feitelijke concurrentie met een nabijgelegen private parkeergarage de vrijstelling
uitsloot.
Bij gemeentelijke huisvuilinzameling voor eigen burgers is er in de regel géén concurrerende private
markt → vrijstelling van toepassing.
1.3 Bedrijfsafvalverwerkers Zuid-Drenthe BV (B BV) — bedrijfsafval
Vraag a — Subjectieve belastingplicht
B BV is een BV, statutair en feitelijk in Nederland gevestigd. Op grond van art. 2 lid 1 sub a Wet
Vpb 1969 is zij als BV integraal binnenlands belastingplichtig.
Vraag b — Objectieve vrijstelling: bedrijfsafval buiten de overheidstaak
De inzameling van bedrijfsafval is een wezenlijk andere activiteit dan de gemeentelijke taak
voor huishoudelijk afval. Bedrijven sluiten zelf een contract met B BV; facturering geschiedt
rechtstreeks. Dit is een commerciële dienstverlening op de private markt.
Toets art. 8e lid 1 sub b Wet Vpb 1969 — Overheidstakenvrijstelling B BV
Voorwaarde 1 Overheidstaak aanwezig?
, → Twijfelachtig: de wettelijke taak van art. 10.22 Wet milieubeheer betreft
huisvuil/GFT, níét bedrijfsafval. B BV verricht diensten buiten de wettelijke
gemeentelijke taakopdracht.
Voorwaarde 2 Geen feitelijke concurrentie?
→ Niet voldaan: op de markt voor bedrijfsafvalinzameling zijn talrijke private
partijen actief (Renewi, Van Gansewinkel e.a.).
Uitkomst Overheidstakenvrijstelling is NIET van toepassing. B BV's winsten zijn volledig
belast.
Conclusie B BV
B BV treedt feitelijk in concurrentie met private bedrijfsafvalinzamelaars. Zelfs áls
bedrijfsafvalinzameling als overheidstaak zou worden aangemerkt, sluit de concurrentietoets
toepassing van de vrijstelling uit (art. 8e lid 1 sub b, laatste zinsnede, Wet Vpb 1969).
B BV is dus volledig vpb-plichtig over haar winst uit bedrijfsafvalinzameling.
Samenvatting Opgave 1
Holding NV: subjectief belastingplichtig (art. 2 lid 1 sub a). Objectieve vrijstelling deels via interne
activiteitenvrijstelling (art. 8e lid 1 sub a).
A BV: subjectief belastingplichtig (art. 2 lid 1 sub a). Overheidstakenvrijstelling (art. 8e lid 1 sub b) van
toepassing: wettelijk opgelegde taak, geen feitelijke concurrentie.
B BV: subjectief belastingplichtig (art. 2 lid 1 sub a). Géén vrijstelling: buiten wettelijke overheidstaak +
feitelijke concurrentie met private bedrijfsafvalverwerkers.
, Opgave 2 — Buitenlandse belastingplicht: kwalificatie
Braziliaanse S.A.
De vraag is of een Braziliaanse S.A. als buitenlands belastingplichtig lichaam kwalificeert voor
de Wet Vpb 1969. Buitenlandse belastingplicht is geregeld in art. 3 Wet Vpb 1969 (jo. art. 17
e.v.). Essentieel is of de S.A. een lichaam is dat vergelijkbaar is met een naar Nederlands recht
opgericht lichaam dat belastingplichtig zou zijn, én in Nederland inkomen geniet.
Kwalificatiesystematiek buitenlandse entiteiten (art. 3 Wet Vpb 1969)
Nederland hanteert een 'open' kwalificatiesysteem: een buitenlandse entiteit is belastingplichtig indien
zij (i) naar haar aard vergelijkbaar is met een in Nederland belastingplichtig lichaam en (ii) Nederlands
inkomen geniet (art. 17 Wet Vpb 1969).
De vergelijking met een NV of BV geschiedt aan de hand van de kenmerken van de buitenlandse
entiteit (rechtspersoonlijkheid, kapitaalverdeling in aandelen, beperkte aansprakelijkheid,
bestuursstructuur, overdraagbaarheid aandelen).
Besluit kwalificatie buitenlandse samenwerkingsverbanden (Besluit 2009, geactualiseerd) is hierbij
leidend.
Vergelijkingstoets: Braziliaanse S.A. vs. NV / BV
Rechtspersoonlijkhei Art. 44/45 Braziliaans BW: S.A. heeft rechtspersoonlijkheid zodra
d geregistreerd.
→ Voldoet: vergelijkbaar met art. 2:4 BW (NV) / art. 2:175 BW (BV).
Kapitaalverdeling in Art. 1 Braziliaanse Corporations Law: kapitaal verdeeld in aandelen.
aandelen → Voldoet: gelijk aan art. 2:67 BW (NV) / art. 2:175 lid 2 BW (BV).
Beperkte Art. 1 Corp. Law: aandeelhouder alleen aansprakelijk tot uitgifteprijs
aansprakelijkheid aandelen.
→ Voldoet: vergelijkbaar met art. 2:64 lid 1 BW (NV).
Winstrecht Art. 109 Corp. Law: dwingendrechtelijk recht op winstdeling.
aandeelhouders → Voldoet: vgl. art. 2:105 BW.
Stemrecht Art. 110 Corp. Law: stemrecht per aandeel; max. 50% aandelen zonder
stemrecht (art. 15).
→ Voldoet: vergelijkbaar met NV-structuur.
Bestuur & Art. 138 Corp. Law: bestuur met vertegenwoordigingsbevoegdheid.
vertegenwoordiging → Voldoet: vgl. art. 2:129 BW.
Statuten Art. 80 Corp. Law: statuten (by-laws) vereist voor oprichting.
→ Voldoet: vgl. art. 2:64a BW.
Vrije Art. 36 Corp. Law: aandelen in beginsel vrij overdraagbaar; statuten kunnen
overdraagbaarheid dit beperken.
aandelen → Voldoet: vergelijkbaar met NV. Cave: als overdraagbaarheid statutair
sterk beperkt is (vergelijkbaar met BV/besloten karakter), doet dat niet af aan
de kwalificatie als kapitaalvennootschap.
Beursnotering Art. 4 Corp. Law: aandelen kunnen beursgenoteerd zijn.
Opgave 1 — Subjectieve belastingplicht en objectieve
vrijstellingen
De casus betreft een gemeenschappelijk NV (de holding) opgericht door vier gemeenten, met
twee dochter-BV's voor respectievelijk huishoudelijk afval (A BV) en bedrijfsafval (B BV). Alle
vennootschappen zijn statutair en feitelijk gevestigd in Nederland.
Wettelijk kader: indirecte overheidsondernemingen (art. 2 lid 1 sub a Wet Vpb 1969)
NV's en BV's zijn op grond van art. 2 lid 1 sub a Wet Vpb 1969 naar hun rechtsvorm integraal
subjectief belastingplichtig.
Dit geldt ongeacht wie de aandeelhouders zijn: ook overheids-NV's en -BV's vallen in beginsel volledig
onder de Vpb-plicht (indirecte overheidsondernemingen).
Voor objectieve vrijstellingen is vervolgens art. 8e en 8f Wet Vpb 1969 bepalend.
1.1 Afvalverwerking Zuid-Drenthe Holding NV
Vraag a — Subjectieve belastingplicht
De holding is een NV, statutair en feitelijk in Nederland gevestigd. Op grond van art. 2 lid 1 sub
a Wet Vpb 1969 is zij als NV integraal binnenlands belastingplichtig. De rechtsvorm is
beslissend; een nadere beoordeling of zij een onderneming drijft is niet vereist.
Grondslag: art. 2 lid 1 sub a jo. art. 2 lid 6 Wet Vpb 1969 (geen 'privésfeer').
Vraag b — Objectieve vrijstelling
De holding verricht als tussenhoudster intern houdsteractiviteiten (houden van aandelen in A BV
en B BV). Daarmee kwalificeert zij voor de interne activiteitenvrijstelling van art. 8e lid 1 sub a
(eerste variant) Wet Vpb 1969, voor zover haar voordelen uitsluitend voortvloeien uit het
houden van deelnemingen in andere overheidsondernemingen. Let op: de voordelen uit de
deelnemingen zijn doorgaans óók vrijgesteld via de deelnemingsvrijstelling (art. 13 Wet Vpb
1969). De overheidstakenvrijstelling (art. 8e lid 1 sub b) is hier minder direct relevant omdat de
holding zelf geen overheidstaak uitvoert.
Aandachtspunt
De interne activiteitenvrijstelling (art. 8e lid 1 sub a Wet Vpb 1969) geldt alleen voor activiteiten verricht
voor andere overheidsdochters of publiekrechtelijke rechtspersonen — niet voor externe derden.
Indien de holding ook activiteiten voor derden verricht, valt dat gedeelte buiten de vrijstelling.
1.2 Afvalverwerking Zuid-Drenthe BV (A BV) — huishoudelijk afval
Vraag a — Subjectieve belastingplicht
,A BV is een BV, statutair en feitelijk in Nederland gevestigd. Op grond van art. 2 lid 1 sub a Wet
Vpb 1969 is zij als BV integraal binnenlands belastingplichtig.
Vraag b — Objectieve vrijstelling: overheidstakenvrijstelling
De inzameling van huisvuil en GFT-afval is bij wet opgelegd aan gemeenten (art. 10.22 Wet
milieubeheer). Dit kwalificeert als overheidstaak. Art. 8e lid 1 sub b Wet Vpb 1969 (objectieve
vrijstelling) is van toepassing, mits aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan:
Toets art. 8e lid 1 sub b Wet Vpb 1969 — Overheidstakenvrijstelling A BV
Voorwaarde 1 Activiteit verricht in verband met uitoefening overheidstaak of publiekrechtelijke
bevoegdheid.
→ Voldaan: huisvuilinzameling is bij wet opgelegd (art. 10.22 Wet Milieubeheer).
Voorwaarde 2 Geen feitelijke concurrentie met ondernemingen van art. 2 lid 1 sub a-e Wet Vpb
1969.
→ Beoordeling: gemeentelijke huisvuilinzameling is exclusief opgedragen aan
de overheid. Private partijen treden hier doorgaans niet als directe concurrent
op.
Uitkomst Als aan beide voorwaarden is voldaan: voordelen uit A BV's activiteiten zijn van
rechtswege objectief vrijgesteld.
Sleutelregel: feitelijke concurrentie (MvT bij Wet modernisering Vpb-plicht
overheidsondernemingen, Kamerstukken II 2014/15, 34003, nr. 3)
Of sprake is van concurrentie is een feitelijke vraag. Niet voldoende dat er potentiële concurrentie
bestaat; er moet sprake zijn van feitelijke concurrerende activiteiten.
Illustratief: in het kennisgroepstandpunt over slagboomparkeren (KG:211:2024:14) oordeelde de
Belastingdienst dat feitelijke concurrentie met een nabijgelegen private parkeergarage de vrijstelling
uitsloot.
Bij gemeentelijke huisvuilinzameling voor eigen burgers is er in de regel géén concurrerende private
markt → vrijstelling van toepassing.
1.3 Bedrijfsafvalverwerkers Zuid-Drenthe BV (B BV) — bedrijfsafval
Vraag a — Subjectieve belastingplicht
B BV is een BV, statutair en feitelijk in Nederland gevestigd. Op grond van art. 2 lid 1 sub a Wet
Vpb 1969 is zij als BV integraal binnenlands belastingplichtig.
Vraag b — Objectieve vrijstelling: bedrijfsafval buiten de overheidstaak
De inzameling van bedrijfsafval is een wezenlijk andere activiteit dan de gemeentelijke taak
voor huishoudelijk afval. Bedrijven sluiten zelf een contract met B BV; facturering geschiedt
rechtstreeks. Dit is een commerciële dienstverlening op de private markt.
Toets art. 8e lid 1 sub b Wet Vpb 1969 — Overheidstakenvrijstelling B BV
Voorwaarde 1 Overheidstaak aanwezig?
, → Twijfelachtig: de wettelijke taak van art. 10.22 Wet milieubeheer betreft
huisvuil/GFT, níét bedrijfsafval. B BV verricht diensten buiten de wettelijke
gemeentelijke taakopdracht.
Voorwaarde 2 Geen feitelijke concurrentie?
→ Niet voldaan: op de markt voor bedrijfsafvalinzameling zijn talrijke private
partijen actief (Renewi, Van Gansewinkel e.a.).
Uitkomst Overheidstakenvrijstelling is NIET van toepassing. B BV's winsten zijn volledig
belast.
Conclusie B BV
B BV treedt feitelijk in concurrentie met private bedrijfsafvalinzamelaars. Zelfs áls
bedrijfsafvalinzameling als overheidstaak zou worden aangemerkt, sluit de concurrentietoets
toepassing van de vrijstelling uit (art. 8e lid 1 sub b, laatste zinsnede, Wet Vpb 1969).
B BV is dus volledig vpb-plichtig over haar winst uit bedrijfsafvalinzameling.
Samenvatting Opgave 1
Holding NV: subjectief belastingplichtig (art. 2 lid 1 sub a). Objectieve vrijstelling deels via interne
activiteitenvrijstelling (art. 8e lid 1 sub a).
A BV: subjectief belastingplichtig (art. 2 lid 1 sub a). Overheidstakenvrijstelling (art. 8e lid 1 sub b) van
toepassing: wettelijk opgelegde taak, geen feitelijke concurrentie.
B BV: subjectief belastingplichtig (art. 2 lid 1 sub a). Géén vrijstelling: buiten wettelijke overheidstaak +
feitelijke concurrentie met private bedrijfsafvalverwerkers.
, Opgave 2 — Buitenlandse belastingplicht: kwalificatie
Braziliaanse S.A.
De vraag is of een Braziliaanse S.A. als buitenlands belastingplichtig lichaam kwalificeert voor
de Wet Vpb 1969. Buitenlandse belastingplicht is geregeld in art. 3 Wet Vpb 1969 (jo. art. 17
e.v.). Essentieel is of de S.A. een lichaam is dat vergelijkbaar is met een naar Nederlands recht
opgericht lichaam dat belastingplichtig zou zijn, én in Nederland inkomen geniet.
Kwalificatiesystematiek buitenlandse entiteiten (art. 3 Wet Vpb 1969)
Nederland hanteert een 'open' kwalificatiesysteem: een buitenlandse entiteit is belastingplichtig indien
zij (i) naar haar aard vergelijkbaar is met een in Nederland belastingplichtig lichaam en (ii) Nederlands
inkomen geniet (art. 17 Wet Vpb 1969).
De vergelijking met een NV of BV geschiedt aan de hand van de kenmerken van de buitenlandse
entiteit (rechtspersoonlijkheid, kapitaalverdeling in aandelen, beperkte aansprakelijkheid,
bestuursstructuur, overdraagbaarheid aandelen).
Besluit kwalificatie buitenlandse samenwerkingsverbanden (Besluit 2009, geactualiseerd) is hierbij
leidend.
Vergelijkingstoets: Braziliaanse S.A. vs. NV / BV
Rechtspersoonlijkhei Art. 44/45 Braziliaans BW: S.A. heeft rechtspersoonlijkheid zodra
d geregistreerd.
→ Voldoet: vergelijkbaar met art. 2:4 BW (NV) / art. 2:175 BW (BV).
Kapitaalverdeling in Art. 1 Braziliaanse Corporations Law: kapitaal verdeeld in aandelen.
aandelen → Voldoet: gelijk aan art. 2:67 BW (NV) / art. 2:175 lid 2 BW (BV).
Beperkte Art. 1 Corp. Law: aandeelhouder alleen aansprakelijk tot uitgifteprijs
aansprakelijkheid aandelen.
→ Voldoet: vergelijkbaar met art. 2:64 lid 1 BW (NV).
Winstrecht Art. 109 Corp. Law: dwingendrechtelijk recht op winstdeling.
aandeelhouders → Voldoet: vgl. art. 2:105 BW.
Stemrecht Art. 110 Corp. Law: stemrecht per aandeel; max. 50% aandelen zonder
stemrecht (art. 15).
→ Voldoet: vergelijkbaar met NV-structuur.
Bestuur & Art. 138 Corp. Law: bestuur met vertegenwoordigingsbevoegdheid.
vertegenwoordiging → Voldoet: vgl. art. 2:129 BW.
Statuten Art. 80 Corp. Law: statuten (by-laws) vereist voor oprichting.
→ Voldoet: vgl. art. 2:64a BW.
Vrije Art. 36 Corp. Law: aandelen in beginsel vrij overdraagbaar; statuten kunnen
overdraagbaarheid dit beperken.
aandelen → Voldoet: vergelijkbaar met NV. Cave: als overdraagbaarheid statutair
sterk beperkt is (vergelijkbaar met BV/besloten karakter), doet dat niet af aan
de kwalificatie als kapitaalvennootschap.
Beursnotering Art. 4 Corp. Law: aandelen kunnen beursgenoteerd zijn.