Vrije Universiteit, bachelor jaar 1
Werkgroep week 1 verbintenissenrecht
Deel I. Multiple-choicevragen
Opgave 1
Frits stort per ongeluk € 200,-- op de bankrekening van Nick. Dit geldbedrag was
eigenlijk bedoeld voor Hester, wiens rekeningnummer één nummer verschilt van die van
Nick. Een geldstorting is een:
a. bloot rechtsfeit.
b. niet-rechtshandeling.
c. eenzijdige rechtshandeling.
d. meerzijdige rechtshandeling.
Antwoord B. Het is een niet-rechtshandeling, want het rechtsgevolg is niet BEOOGD. Dat
komt door deze vraag. In principe is een geldstorting een eenzijdige rechtshandeling.
Antwoord C is niet feit, want er is geen acceptatie van de tegenpartij nodig. Geen wil en
verklaring nodig van beide partijen.
Antwoord A, is fout want een bloot rechtsfeit is bijvoorbeeld een geboorte of overlijden.
Antwoord D, er is geen sprake van wil en verklaring van beide partijen.
Meerzijdige overeenkomst, meerdere wilsverklaringen nodig. Een voorbeeld van een
eenzijdige overeenkomst is schenking. Er zijn wel twee wilsverklaringen nodig (dat slaat op
het meerzijdige karakter van de rechtshandeling). Het eenzijdige van de overeenkomst blijkt
uit het leveren van de schenking. Dus de rechtshandeling is het grotere geheel en daaronder in
“hiërarchie” staan weer de overeenkomsten.
Opgave 2
Kim sluit bij Assurance B.V. een rechtsbijstandverzekering af. Krachtens deze
verzekering zal Assurance B.V. de kosten van rechtsbijstand voldoen in het geval Kim
daar volgens de toepasselijke polisvoorwaarden aanspraak op kan maken. Welke
kwalificatie is van toepassing op de door Kim afgesloten verzekering?
a. Dit is een niet-rechtshandeling.
b. Dit is een eenzijdige rechtshandeling.
c. Dit is een eenzijdige overeenkomst.
d. Dit is een wederkerige overeenkomst.
,Antwoord D. Kim moet de kosten voor de verzekering betalen en de
verzekeringsmaatschappij moet haar de garantie voor de verzekering bieden. Partijen hebben
over en weer rechten en plichten.
Antwoord C is fout, want hierbij heeft slechts een partij een verplichting. Een voorbeeld is de
schenkingsovereenkomst.
Antwoord B, is fout want een eenzijdige rechtshandeling is een op rechtsgevolg gerichte
handeling waarvoor in tegenstelling tot de meerzijdige rechtshandelingen geen
overeenstemmende willen van twee of meer personen nodig zijn. De eenzijdige
rechtshandeling wordt door één persoon tot stand gebracht. Men maakt daarbij onderscheid
tussen gerichte en ongerichte eenzijdige rechtshandelingen. Een gerichte eenzijdige
rechtshandeling wordt jegens een specifieke andere persoon gedaan die geen "partij" is bij de
rechtshandeling, maar de "geadresseerde" ervan. Een voorbeeld hiervan is een testament.
Opgave 3
Harry biedt Frans tijdens een barbecue van een gezamenlijke vriend 12 flessen wijn uit 1995
aan voor € 240,--. Twee dagen later belt Frans Harry op met de mededeling dat hij graag 10
flessen voor € 200,-- wil hebben.
Welk alternatief is juist?
a. Er is een overeenkomst tot stand gekomen.
b. Er is geen overeenkomst tot stand gekomen omdat de aanvaarding afwijkt van het
oorspronkelijke aanbod.
c. Er is geen overeenkomst tot stand gekomen omdat het aanbod inmiddels is ingetrokken.
d. Er is geen overeenkomst tot stand gekomen omdat het aanbod niet onmiddellijk is
aanvaard.
3:33 BW, 6:217. Op het tentamen noemen dat aanbod en aanvaarding vereist zijn, op basis
van deze artikelen.
Antwoord D, volgens Art. 6:221 BW. Regel van 6:221 gaat voor de regeling van antwoord B.
Opgave 4
Groothandel „Het Paradijs‟ stuurt op 20 november 2011 een fax naar Leonore B.V.
waarin zij haar een grote partij gelukssnoepjes aanbiedt voor een „vriendenprijs‟ van €
750,--. Op 23 november 2011 stuurt Leonore een brief naar de groothandel met de
mededeling dat zij het aanbod aanvaardt. Die brief bereikt de groothandel op 25
november 2011.
Op 22 november 2011 stuurt de groothandel een brief naar Leonore waarin zij aangeeft
op het aanbod uit de fax van 20 november 2011 te willen terugkomen, welke brief
Leonore op 24 november 2011 bereikt.
, Is er een geldige koopovereenkomst tussen de Groothandel „Het Paradijs‟ en Leonore
B.V. tot stand gekomen?
a. Ja, op 20 november 2011.
b. Ja, op 23 november 2011.
c. Ja, op 25 november 2011.
d. Nee, er is geen geldige koopovereenkomst tot stand gekomen.
Antwoord C, volgens Art. 3:33 en 3:37, Want er is een aanvaarding van een aanbod en een
mededeling gedaan en vanaf dat moment is herroeping niet meer mogelijk. stelt dat een
verklaring werking heeft op het moment van ontvangst. Dit geldt voor het aanbod, de
aanvaarding zowel als voor de herroeping. De herroeping heeft dus pas werking op 24
november 2011. Alleen stelt art.6:219 lid 2 dat een herroeping niet meer mogelijk is wanneer
het aanbod is aanvaard en stelt dat de mededeling houdende de aanvaarding is verzonden, wat
gebeurd op 23 november 2011. Er kan dus niet meer worden herroepen. Aangezien het
aanbod aankomt op 25 november, is er dus pas sprake van een overeenkomst op die dag
(art.3:37 lid 3 Bw). ---- Let op! Er is hier natuurlijk ook sprake van een overeenkomst omdat
wil en verklaring bij beide partijen overeenkomen: art.3:33 Bw juncto art.6:217
Art. 3:37 bekijken.
Antwoord B, is met betrekking tot herroeping, dus hier is pas sprake van Art. 6:219 lid 2
Deel II. Casus
Casus 1
Roderik zegt tijdens een telefoongesprek tegen zijn handelspartner Wouter: “Je mag de
partij graan waarover wij gisteren spraken van mij kopen voor € 5.000,-“. Wouter gaat
op deze mededeling niet in. Drie dagen later belt Wouter Roderik terug met de
mededeling dat hij het aanbod aanvaardt. Roderik zegt dat hij de partij graan nu niet
meer voor die prijs wil verkopen. Wouter zegt dat hij hiertoe, gegeven zijn uitlating drie
dagen eerder, jegens hem wel gehouden is.
Vraag 1
Heeft Wouter gelijk?
Art. 3:33 er is sprake van een rechtshandeling, want de wil is door middel van een verklaring
geopenbaard.
Dan kijk je naar Art 6:213 en 6:217.
Vervolgens is Art. 6:221 van belang, verval van het aanbod. Een mondeling aanbod vervalt
wanneer het niet onmiddellijk wordt aanvaard. Dus er is geen overeenkomst tot stand
gekomen tussen Roderik en Wouter. Wouter heeft geen gelijk.
Roderik schrijft aan zijn handelspartner Wouter: “Je mag de partij graan waarover wij
gisteren spraken van mij kopen voor € 5.000,-“. Wouter schrijft drie weken na ontvangst
van de brief terug: “Ik ga graag akkoord met je aanbod”. Roderik belt Wouter na
ontvangst van zijn brief op en zegt zich niet gebonden te achten. Wouter zegt dat hij dat
wel is.