1. Waarom internationale handel volgens economen wenselijk is
Internationale handel wordt door economen gezien als welvaart verhogend. Welvaart
betekent hier niet alleen economische groei, maar ook een efficiëntere inzet van
productiefactoren en lagere prijzen voor consumenten.
Belangrijke verklaringen:
Specialisatie: landen richten zich op de productie van goederen waarin zij relatief
het meest efficiënt zijn.
Schaalvoordelen: productie voor een grotere markt verlaagt de gemiddelde kosten
per eenheid, vooral in industrieën met hoge vaste kosten.
Autarkie (volledige zelfvoorziening) wordt daarom beschouwd als economisch inefficiënt.
2. Handelstheorieën
2.1 Klassieke handelstheorie – David Ricardo (1817)
Werk: Principles of Political Economy (1817)
Definitie comparatief kostenvoordeel:
Een land heeft een comparatief voordeel wanneer het een goed kan produceren tegen
lagere opofferingskosten dan een ander land, gemeten in termen van alternatieve
goederen.
Belangrijke punten:
Het gaat om relatieve, niet absolute efficiëntie.
Zelfs een land dat overal minder productief is, kan baat hebben bij handel.
Specialisatie op basis van comparatief voordeel verhoogt de totale productie.
Conclusie: internationale handel leidt tot hogere welvaart voor alle deelnemende landen.
2.2 Heckscher-Ohlin-theorie (1933)
Deze theorie verklaart waarom landen verschillen in comparatief voordeel.
Kernbegrip factoruitrusting:
De relatieve beschikbaarheid van productiefactoren, met name arbeid en kapitaal.
Gevolgen:
Arbeidsrijke landen → specialisatie in arbeidsintensieve goederen.
Kapitaalrijke landen → specialisatie in kapitaalintensieve goederen.
De internationale handelsstructuur weerspiegelt dus verschillen in nationale economieën.
2.3 Nieuwe handelstheorie – Paul Krugman (jaren 1980)
De nieuwe handelstheorie richt zich op handel tussen vergelijkbare landen.
,Intra-industriële handel:
Gelijktijdige import en export van vergelijkbare producten binnen dezelfde sector.
Verklaringen:
Productdifferentiatie: consumenten waarderen variatie.
Schaalvoordelen: grote productievolumes verlagen kosten.
Voorkeuren: verschillen in smaak en kwaliteit.
Overkoepelende conclusie handelstheorieën
Ondanks verschillen in invalshoek concluderen alle theorieën dat vrijhandel leidt tot een
efficiëntere inzet van productiefactoren en hogere welvaart.
3. Protectionisme
Protectionisme verwijst naar beleid waarmee staten hun binnenlandse economie
beschermen tegen buitenlandse concurrentie.
Belangrijke instrumenten:
Invoertarieven
Importquota
Exportsubsidies
Niet-tarifaire handelsbelemmeringen (zoals productnormen en vergunningen)
Doelstellingen:
Bescherming van jonge of kwetsbare industrieën.
Behoud van werkgelegenheid.
4. De economische crisis van de jaren 1930
De Grote Depressie kenmerkte zich door:
Massawerkloosheid
Deflatie
Sterk toenemend protectionisme
Gevolg:
Een scherpe daling van wereldhandel en economische productie, wat de crisis
verergerde.
5. Handelsliberalisering na de Tweede Wereldoorlog
Na 1945 ontstond brede consensus dat protectionisme had bijgedragen aan economische
instabiliteit.
,Belangrijke instituties:
GATT (1947): multilateraal akkoord gericht op tariefverlagingen.
WTO (1995): opvolger van GATT, met bredere bevoegdheden.
Deze ontwikkeling vormt de internationale context waarbinnen Europese integratie
plaatsvindt.
6. Preferentiële handelsintegratie
Preferentiële handelsintegratie betekent dat landen elkaar gunstiger behandelen dan niet-
leden.
Vormen:
Vrijhandelszone (FTA): interne vrijhandel, nationale externe tarieven.
Douane-unie (CU): interne vrijhandel + gemeenschappelijk extern tarief.
Interne markt: ook afschaffing van niet-tarifaire barrières.
Interne markt met vier vrijheden: goederen, diensten, kapitaal en personen.
7. Vrijhandelszone versus douane-unie
Handelsafbuiging (trade deflection) (= parallel import):
Goederen worden ingevoerd via het land met het laagste tarief en vervolgens doorverkocht.
Gevolgen vrijhandelszone:
Certificaten van oorsprong nodig.
Administratieve lasten.
Voordeel douane-unie:
Geen handelsafbuiging door gemeenschappelijk extern tarief.
Nadeel:
Verlies van nationale autonomie over handelsbeleid.
8. Handelscreatie en handelsafbuiging
Handelscreatie (trade creation):
Binnenlandse, dure productie wordt vervangen door goedkopere productie uit partnerlanden.
Handelsafbuiging (trade diversion) (= supply switching):
Efficiëntere producenten buiten het blok worden vervangen door minder efficiënte
producenten binnen het blok.
, Conclusie: de economische effecten van integratie verschillen per actor en zijn niet altijd
positief.
9. Europese integratie na 1945: twee visies
Federalisme: overdracht van soevereiniteit aan supranationale instellingen.
Intergouvernementalisme: samenwerking tussen staten met behoud van
soevereiniteit.
Deze spanning loopt als rode draad door de Europese integratiegeschiedenis.
10. Institutionele uitwerking
Supranationaal:
EGKS (1951)
EEG (1958)
Intergouvernementeel:
OEES (1948)
Raad van Europa (1949)
EVA/EFTA (1960)
11. EEG versus EVA
EEG:
Douane-unie
Gemeenschappelijk extern tarief
Verdrag van Rome (1957)
EVA:
Vrijhandelszone
Nationale handelspolitiek
Administratieve lasten
Ontwikkeling:
1968: voltooiing douane-unie EEG
1973: toetreding VK, Ierland en Denemarken
Volgens Pomfret won de EEG de ‘battle of the blocs’.
12. Landbouw en het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB)