Literatuur Familie en Gezin
De hoofstukken komen uit het boek Pedagogiek in Beeld – Van IJzendoorn & Van Rosmalen
, Week 1
College 1
Maternal sensitivity to infant distress and nondistress as predictors of infant-
mother attachment security – McElwain & Booth-LaForce (2006)
Doel van het onderzoek
Het artikel onderzoekt in hoeverre moederlijke sensitiviteit voor de signalen van een
huilende of distressed baby een betere voorspeller is van een veilige hechting dan
sensitiviteit voor positieve of neutrale signalen (nondistress), in lijn met Bowlby’s idee van
hechting als een “biobehavioral safety- regulating system”.
De auteurs gebruiken data uit de NICHD Study of Early Child Care om dit te testen bij
moeder–baby-dyades in de VS.
Steekproef en methode
Moeders en baby’s werden gevolgd in het eerste levensjaar.
6 maanden en 15 maanden: moeder–baby-speelsessies thuis werden gefilmd.
Moederlijke sensitiviteit voor distress (reactie op huilen, onrust, zichtbaar
ongemak) en voor nondistress (reactie op sociale signalen, spel, positieve
uitingen) werd op een 4-puntsschaal beoordeeld.
15 maanden: hechtingskwaliteit werd gemeten met de Strange Situation (indeling in
veilig vs. onveilig gehecht).
Moeders rapporteerden ook over de moeilijkheid/irriteerbaarheid van het
temperament van hun baby op 1 en 6 maanden
In totaal werden o.a. 357 dyades met bruikbare data op 6 maanden en 230 dyades op 15
maanden geanalyseerd.
Belangrijkste resultaten
1. Sensitiviteit voor distress op 6 maanden voorspelt veilige hechting
Hoe sensitiever moeders reageerden op distress van hun 6 maanden oude
baby, hoe groter de kans dat het kind op 15 maanden veilig gehecht werd
geclassificeerd.
Dit effect bleef bestaan wanneer gecontroleerd werd voor:
sensitiviteit voor nondistress
kindertemperament
minderheidsstatus van het kind.
2. Sensitiviteit voor nondistress voorspelt hechting niet
Sensitiviteit voor nondistress (bij neutrale/positieve signalen) hing niet
significant samen met veilige versus onveilige hechting, zowel op 6 als 15
maanden.
3. Sensitiviteit op 15 maanden voorspelt hechting niet meer
Sensitiviteit (zowel voor distress als nondistress) gemeten op 15
maanden voorspelde hechting niet significant.
Mogelijke redenen:
De meting op 15 maanden is gelijktijdig met de Strange Situation, dus
het gedrag van de moeder heeft mogelijk nog geen effect gehad op de
, hechting, of het gedrag van het kind op dat moment wordt al
beïnvloed door de bestaande hechtingsrelatie.
Oudere baby’s hebben meer actieve strategieën (lopen, praten) om
nabijheid te zoeken, niet alleen via huilen.
4. Temperament van het kind
De gerapporteerde moeilijkheid van het temperament van de baby (1 en 6
maanden) hing niet samen met:
moederlijke sensitiviteit
hechtingsveiligheid op 15 maanden.
De auteurs waarschuwen wel dat dit gebaseerd is op moederrapportages,
waardoor conclusies voorzichtig moeten zijn.
5. Demografie en minderheidsstatus
Kinderen met een minderheidsachtergrond hadden moeders die
gemiddeld minder sensitief werden beoordeeld én zij hadden lagere kansen
op een veilige hechting; dit effect was deels onafhankelijk van andere
sociaaleconomische factoren.
Interpretatie en implicaties
De bevindingen ondersteunen het idee dat specifiek de reactie op
distress (bescherming, troost, veiligheid bieden) cruciaal is voor het ontstaan van
een veilige hechtingsrelatie, vooral in de vroege maanden wanneer huilen een
primaire manier is om nabijheid te zoeken.
De studie suggereert dat interventies die gericht zijn op:
het verbeteren van de reactie van moeders op het huilen en de onrust van
hun baby
vroeg in het eerste levensjaar bijzonder veelbelovend zijn om veilige
hechting te bevorderen.
Tegelijkertijd wijzen de auteurs op beperkingen, zoals relatief korte observaties, selectie van
alleen dyades waarbij distress voorkwam, en het feit dat alleen moeders (geen vaders, geen
bredere familiesysteem) zijn onderzocht.
A self-determination theory perspective on parenting – Joussemet, et al. (2011)
Hoofdvraag en theoretisch kader
Het artikel beschrijft opvoeding vanuit de zelfdeterminatietheorie (Self-Determination
Theory, SDT). SDT gaat ervan uit dat kinderen drie basisbehoeften hebben – autonomie,
competentie en verbondenheid – en dat vooral het ondersteunen van de autonomie
cruciaal is voor een gezonde ontwikkeling en internalisatie van regels en waarden.
Het centrale opvoedingsdoel is internalisatie: kinderen nemen regels en waarden van de
sociale omgeving van binnenuit over en gaan deze uiteindelijk zelfstandig en vrijwillig
reguleren.
Kernbegrippen
Autonomie-ondersteunende opvoeding
,Autonomy support betekent dat ouders actief de capaciteit van het kind ondersteunen om
zelf initiatieven te nemen en gedrag vrijwillig te reguleren, in plaats van enkel
gehoorzaamheid of oppervlakkige naleving na te streven.
Vier typische kenmerken van autonomie-ondersteunend handelen zijn:
1. Uitleg en rationale geven bij gedragsverwachtingen;
2. Erkenning tonen voor gevoelens en perspectief van het kind;
3. Keuzes bieden en initiatief aanmoedigen;
4. Minimale inzet van controlerende technieken (dreigen, dwingen, belonen als
drukmiddel).
Belangrijk:
Autonomie-ondersteuning is niet hetzelfde als permissiviteit (geen regels) of
verwaarlozing (geen betrokkenheid).
Het gaat om hoe je structuur en betrokkenheid aanbiedt: warm, democratisch en
met oog voor het perspectief van het kind.
Autonomie-ondersteuning is ook niet gelijk aan onafhankelijkheid; een kind kan zich
autonoom én verbonden voelen. De focus ligt op vrijwilligheid en innerlijke
instemming, niet op “alles zelf doen”.
Psychologische controle vs. gedragscontrole
Psychologische controle: ouders dringen binnen in de innerlijke wereld van het kind
(denken, voelen, willen) via bijvoorbeeld schuldinductie, liefde onthouden of
gevoelens ongeldig verklaren.
Dit ondermijnt intrinsieke motivatie en leidt tot niet-optimale internalisatie.
Gedragscontrole (structure): duidelijke, consequente regels, verwachtingen en
monitoring van gedrag, afgestemd op het ontwikkelingsniveau van het kind.
Deze vorm van structuur ondersteunt het gevoel van competentie en is – mits
warm en respectvol – juist bevorderlijk voor ontwikkeling.
SDT sluit hiermee aan bij het idee van autoritatieve opvoeding: warmte + duidelijke
structuur + autonomie-ondersteuning hangen samen met de beste uitkomsten voor
kinderen.
Onderzoeksbevindingen over autonomie-ondersteuning
De auteurs bespreken drie soorten onderzoeken, met kinderen van verschillende leeftijden.
1. Observatiestudies (jonge kinderen)
Moeders die tijdens spel autonomie-ondersteunend communiceren (mee op de
activiteit voortbouwen, mild sturen, niet dwingend) hebben baby’s en peuters die
later:
meer volharding en taakgericht gedrag laten zien tijdens zelfstandig spel;
meer competent gedrag laten zien.
Bij peuters blijkt dat een stijl van “gentle guidance” (redeneren, beleefd vragen,
positieve opmerkingen, suggesties) leidt tot:
meer gecommitteerde gehoorzaamheid (kind wil echt meedoen met wat
moeder vraagt), in plaats van alleen oppervlakkige, situationele
gehoorzaamheid.
2. Interviewstudies met ouders (schoolkinderen)
, In klassieke studies van Grolnick & Ryan is bij ouders (van 8–12 jaar) via interviews
gecodeerd in hoeverre zij:
autonomie waarderen boven louter gehoorzaamheid;
autonomie-georiënteerde strategieën gebruiken (uitleg, redeneren i.p.v.
straffen/belonen);
keuzes laten.
Resultaten: kinderen van meer autonomie-ondersteunende ouders tonen:
meer autonome zelfregulatie op school;
betere schoolprestaties en hogere toetsen en cijfers;
betere sociale en academische aanpassing (minder probleemgedrag, meer
motivatie).
Een longitudinale studie laat zien dat autonomie-ondersteuning op 5-jarige leeftijd
drie jaar later nog samenhangt met betere sociale en academische aanpassing en
hogere leesprestaties, zelfs als gecontroleerd wordt voor eerdere kindkenmerken.
3. Zelfrapportages van kinderen en jongeren
Kinderen en adolescenten die hun ouders als meer autonomie-ondersteunend
ervaren, rapporteren:
meer gevoel van competentie en autonomie,
betere schoolaanpassing en prestaties,
betere psychosociale aanpassing (minder probleemgedrag, meer welzijn).
Cross-culturele studies (o.a. Rusland, China, migranten) tonen dat de positieve
effecten van autonomie-ondersteunende opvoeding zich voordoen in zeer
verschillende culturen; dit ondersteunt het idee dat het belang van autonomie-
ondersteuning universeel is.
Waardoor worden ouders meer controlerend of meer autonomie-ondersteunend?
Factoren die controle bevorderen
Druk en stress bij ouders (interne druk zoals zorgen, angst; externe druk zoals
onveiligheid, beperkte middelen) hangen samen met meer controlerend gedrag.
Gedrag van het kind kan ouders onder druk zetten; vooral kinderen met
zelfregulatieproblemen kunnen meer controlling reacties uitlokken, al zijn
bevindingen over temperament niet eenduidig.
Ego-betrokkenheid: als ouders hun eigenwaarde laten afhangen van de prestaties of
sociale reputatie van hun kind, worden zij sneller controlerend, vooral in
beoordelingssituaties.
Factoren die autonomie-ondersteuning bevorderen
Een kernfactor is “trust in organismic development”: het geloof dat kinderen een
natuurlijke neiging hebben om zich te ontwikkelen, te leren en sociale normen te
internaliseren.
Ouders met meer vertrouwen hebben minder rigide ontwikkelingsdoelen,
ervaren minder stress, en vertonen meer autonomie-ondersteunend gedrag.
Longitudinale studies tonen dat dit vertrouwen samenhangt met betere
aanpassing bij zowel moeder als kind.
Vergelijkingen tussen Canadese en Noorse moeders laten zien dat contexten
met meer sociale steun voor gezinnen samenhangen met méér vertrouwen in
natuurlijke ontwikkeling en meer autonomie-ondersteunend gedrag.
, Toekomstig onderzoek en implicaties
De auteurs zien drie hoofdlijnen voor toekomstig onderzoek:
1. Dagelijkse metingen (dagboek/experience sampling) om in kaart te brengen hoe
autonomie-ondersteuning en controle van dag tot dag schommelen, en hoe steun
vanuit omgeving (partner, vrienden, familie) ouders helpt om geduldig en
autonomie-ondersteunend te blijven.
2. Onderzoeken hoe ouders zelf normen en ideeën over “goed ouderschap”
internaliseren, en in welke mate zij dit autonoom (vanuit eigen waarden) of
gecontroleerd (vanuit schuld/schaamte) doen, en wat dat betekent voor hun welzijn
en opvoedstijl.
3. Ontwikkelen en testen van op SDT gebaseerde oudercursussen die ouders leren om
autonomie-ondersteunend te reageren. Er zijn aanwijzingen dat trainingen met
nadruk op empathische, autonomie-ondersteunende limit-setting leiden tot beter
gezinsklimaat en opvoedpraktijken.
Conclusie
Het artikel concludeert dat autonomie-ondersteunende opvoeding een sleutelrol speelt in
de ouder–kindrelatie en in gezonde ontwikkeling:
Het is geen “laissez-faire”-opvoeding, maar duidelijke structuur in een
democratische, respectvolle stijl.
Het ondersteunt zowel intrinsieke motivatie als diepe internalisatie van regels en
waarden.
Over verschillende leeftijden, methoden en culturen heen hangt ouderlijke
autonomie-ondersteuning samen met betere motivatie, volharding, schoolse en
sociale aanpassing, en psychosociaal welzijn.
Hoofdstuk 4: Gehechtheidstheorie
Gehechtheidstheorie beschrijft hoe de vroege sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen
een essentiele rol speelt in het later persoonlijk en intermenselijk functioneren
• Vroege ervaringen in de relatie met opvoeders zijn van belang bij de ontwikkeling van
zelfbeeld, en hebben invloed op relaties en vriendschappen van het kind op een
latere leeftijd
Door een verbetering in de volksgezondheid kwam de gedachte voort dat als je het lichaam
gezond kon maken, dit ook mogelijk moest zijn met de geest. De Mental Hygiene Movement
vestige aandacht op de geestelijke gezondheid, rond dezelfde tijd kwam de psychoanalyse in
opkomst
• Psychoanalyse = psychische problemen van volwassenen zijn te herleiden naar echte
of ingebeelde gebeurtenissen die plaats hadden gevonden tijdens de kinderjaren
(Sigmond Freud)
o In de jaren 20 en 30 de meest invloedrijke theorie in de psychologie
Begonnen met focus op kinderen daarna op opvoeding met toenemende aandacht op
ouders
• Steeds vaker moeder gezien als oorzaak van hoe kinderen later terecht kwamen
De hoofstukken komen uit het boek Pedagogiek in Beeld – Van IJzendoorn & Van Rosmalen
, Week 1
College 1
Maternal sensitivity to infant distress and nondistress as predictors of infant-
mother attachment security – McElwain & Booth-LaForce (2006)
Doel van het onderzoek
Het artikel onderzoekt in hoeverre moederlijke sensitiviteit voor de signalen van een
huilende of distressed baby een betere voorspeller is van een veilige hechting dan
sensitiviteit voor positieve of neutrale signalen (nondistress), in lijn met Bowlby’s idee van
hechting als een “biobehavioral safety- regulating system”.
De auteurs gebruiken data uit de NICHD Study of Early Child Care om dit te testen bij
moeder–baby-dyades in de VS.
Steekproef en methode
Moeders en baby’s werden gevolgd in het eerste levensjaar.
6 maanden en 15 maanden: moeder–baby-speelsessies thuis werden gefilmd.
Moederlijke sensitiviteit voor distress (reactie op huilen, onrust, zichtbaar
ongemak) en voor nondistress (reactie op sociale signalen, spel, positieve
uitingen) werd op een 4-puntsschaal beoordeeld.
15 maanden: hechtingskwaliteit werd gemeten met de Strange Situation (indeling in
veilig vs. onveilig gehecht).
Moeders rapporteerden ook over de moeilijkheid/irriteerbaarheid van het
temperament van hun baby op 1 en 6 maanden
In totaal werden o.a. 357 dyades met bruikbare data op 6 maanden en 230 dyades op 15
maanden geanalyseerd.
Belangrijkste resultaten
1. Sensitiviteit voor distress op 6 maanden voorspelt veilige hechting
Hoe sensitiever moeders reageerden op distress van hun 6 maanden oude
baby, hoe groter de kans dat het kind op 15 maanden veilig gehecht werd
geclassificeerd.
Dit effect bleef bestaan wanneer gecontroleerd werd voor:
sensitiviteit voor nondistress
kindertemperament
minderheidsstatus van het kind.
2. Sensitiviteit voor nondistress voorspelt hechting niet
Sensitiviteit voor nondistress (bij neutrale/positieve signalen) hing niet
significant samen met veilige versus onveilige hechting, zowel op 6 als 15
maanden.
3. Sensitiviteit op 15 maanden voorspelt hechting niet meer
Sensitiviteit (zowel voor distress als nondistress) gemeten op 15
maanden voorspelde hechting niet significant.
Mogelijke redenen:
De meting op 15 maanden is gelijktijdig met de Strange Situation, dus
het gedrag van de moeder heeft mogelijk nog geen effect gehad op de
, hechting, of het gedrag van het kind op dat moment wordt al
beïnvloed door de bestaande hechtingsrelatie.
Oudere baby’s hebben meer actieve strategieën (lopen, praten) om
nabijheid te zoeken, niet alleen via huilen.
4. Temperament van het kind
De gerapporteerde moeilijkheid van het temperament van de baby (1 en 6
maanden) hing niet samen met:
moederlijke sensitiviteit
hechtingsveiligheid op 15 maanden.
De auteurs waarschuwen wel dat dit gebaseerd is op moederrapportages,
waardoor conclusies voorzichtig moeten zijn.
5. Demografie en minderheidsstatus
Kinderen met een minderheidsachtergrond hadden moeders die
gemiddeld minder sensitief werden beoordeeld én zij hadden lagere kansen
op een veilige hechting; dit effect was deels onafhankelijk van andere
sociaaleconomische factoren.
Interpretatie en implicaties
De bevindingen ondersteunen het idee dat specifiek de reactie op
distress (bescherming, troost, veiligheid bieden) cruciaal is voor het ontstaan van
een veilige hechtingsrelatie, vooral in de vroege maanden wanneer huilen een
primaire manier is om nabijheid te zoeken.
De studie suggereert dat interventies die gericht zijn op:
het verbeteren van de reactie van moeders op het huilen en de onrust van
hun baby
vroeg in het eerste levensjaar bijzonder veelbelovend zijn om veilige
hechting te bevorderen.
Tegelijkertijd wijzen de auteurs op beperkingen, zoals relatief korte observaties, selectie van
alleen dyades waarbij distress voorkwam, en het feit dat alleen moeders (geen vaders, geen
bredere familiesysteem) zijn onderzocht.
A self-determination theory perspective on parenting – Joussemet, et al. (2011)
Hoofdvraag en theoretisch kader
Het artikel beschrijft opvoeding vanuit de zelfdeterminatietheorie (Self-Determination
Theory, SDT). SDT gaat ervan uit dat kinderen drie basisbehoeften hebben – autonomie,
competentie en verbondenheid – en dat vooral het ondersteunen van de autonomie
cruciaal is voor een gezonde ontwikkeling en internalisatie van regels en waarden.
Het centrale opvoedingsdoel is internalisatie: kinderen nemen regels en waarden van de
sociale omgeving van binnenuit over en gaan deze uiteindelijk zelfstandig en vrijwillig
reguleren.
Kernbegrippen
Autonomie-ondersteunende opvoeding
,Autonomy support betekent dat ouders actief de capaciteit van het kind ondersteunen om
zelf initiatieven te nemen en gedrag vrijwillig te reguleren, in plaats van enkel
gehoorzaamheid of oppervlakkige naleving na te streven.
Vier typische kenmerken van autonomie-ondersteunend handelen zijn:
1. Uitleg en rationale geven bij gedragsverwachtingen;
2. Erkenning tonen voor gevoelens en perspectief van het kind;
3. Keuzes bieden en initiatief aanmoedigen;
4. Minimale inzet van controlerende technieken (dreigen, dwingen, belonen als
drukmiddel).
Belangrijk:
Autonomie-ondersteuning is niet hetzelfde als permissiviteit (geen regels) of
verwaarlozing (geen betrokkenheid).
Het gaat om hoe je structuur en betrokkenheid aanbiedt: warm, democratisch en
met oog voor het perspectief van het kind.
Autonomie-ondersteuning is ook niet gelijk aan onafhankelijkheid; een kind kan zich
autonoom én verbonden voelen. De focus ligt op vrijwilligheid en innerlijke
instemming, niet op “alles zelf doen”.
Psychologische controle vs. gedragscontrole
Psychologische controle: ouders dringen binnen in de innerlijke wereld van het kind
(denken, voelen, willen) via bijvoorbeeld schuldinductie, liefde onthouden of
gevoelens ongeldig verklaren.
Dit ondermijnt intrinsieke motivatie en leidt tot niet-optimale internalisatie.
Gedragscontrole (structure): duidelijke, consequente regels, verwachtingen en
monitoring van gedrag, afgestemd op het ontwikkelingsniveau van het kind.
Deze vorm van structuur ondersteunt het gevoel van competentie en is – mits
warm en respectvol – juist bevorderlijk voor ontwikkeling.
SDT sluit hiermee aan bij het idee van autoritatieve opvoeding: warmte + duidelijke
structuur + autonomie-ondersteuning hangen samen met de beste uitkomsten voor
kinderen.
Onderzoeksbevindingen over autonomie-ondersteuning
De auteurs bespreken drie soorten onderzoeken, met kinderen van verschillende leeftijden.
1. Observatiestudies (jonge kinderen)
Moeders die tijdens spel autonomie-ondersteunend communiceren (mee op de
activiteit voortbouwen, mild sturen, niet dwingend) hebben baby’s en peuters die
later:
meer volharding en taakgericht gedrag laten zien tijdens zelfstandig spel;
meer competent gedrag laten zien.
Bij peuters blijkt dat een stijl van “gentle guidance” (redeneren, beleefd vragen,
positieve opmerkingen, suggesties) leidt tot:
meer gecommitteerde gehoorzaamheid (kind wil echt meedoen met wat
moeder vraagt), in plaats van alleen oppervlakkige, situationele
gehoorzaamheid.
2. Interviewstudies met ouders (schoolkinderen)
, In klassieke studies van Grolnick & Ryan is bij ouders (van 8–12 jaar) via interviews
gecodeerd in hoeverre zij:
autonomie waarderen boven louter gehoorzaamheid;
autonomie-georiënteerde strategieën gebruiken (uitleg, redeneren i.p.v.
straffen/belonen);
keuzes laten.
Resultaten: kinderen van meer autonomie-ondersteunende ouders tonen:
meer autonome zelfregulatie op school;
betere schoolprestaties en hogere toetsen en cijfers;
betere sociale en academische aanpassing (minder probleemgedrag, meer
motivatie).
Een longitudinale studie laat zien dat autonomie-ondersteuning op 5-jarige leeftijd
drie jaar later nog samenhangt met betere sociale en academische aanpassing en
hogere leesprestaties, zelfs als gecontroleerd wordt voor eerdere kindkenmerken.
3. Zelfrapportages van kinderen en jongeren
Kinderen en adolescenten die hun ouders als meer autonomie-ondersteunend
ervaren, rapporteren:
meer gevoel van competentie en autonomie,
betere schoolaanpassing en prestaties,
betere psychosociale aanpassing (minder probleemgedrag, meer welzijn).
Cross-culturele studies (o.a. Rusland, China, migranten) tonen dat de positieve
effecten van autonomie-ondersteunende opvoeding zich voordoen in zeer
verschillende culturen; dit ondersteunt het idee dat het belang van autonomie-
ondersteuning universeel is.
Waardoor worden ouders meer controlerend of meer autonomie-ondersteunend?
Factoren die controle bevorderen
Druk en stress bij ouders (interne druk zoals zorgen, angst; externe druk zoals
onveiligheid, beperkte middelen) hangen samen met meer controlerend gedrag.
Gedrag van het kind kan ouders onder druk zetten; vooral kinderen met
zelfregulatieproblemen kunnen meer controlling reacties uitlokken, al zijn
bevindingen over temperament niet eenduidig.
Ego-betrokkenheid: als ouders hun eigenwaarde laten afhangen van de prestaties of
sociale reputatie van hun kind, worden zij sneller controlerend, vooral in
beoordelingssituaties.
Factoren die autonomie-ondersteuning bevorderen
Een kernfactor is “trust in organismic development”: het geloof dat kinderen een
natuurlijke neiging hebben om zich te ontwikkelen, te leren en sociale normen te
internaliseren.
Ouders met meer vertrouwen hebben minder rigide ontwikkelingsdoelen,
ervaren minder stress, en vertonen meer autonomie-ondersteunend gedrag.
Longitudinale studies tonen dat dit vertrouwen samenhangt met betere
aanpassing bij zowel moeder als kind.
Vergelijkingen tussen Canadese en Noorse moeders laten zien dat contexten
met meer sociale steun voor gezinnen samenhangen met méér vertrouwen in
natuurlijke ontwikkeling en meer autonomie-ondersteunend gedrag.
, Toekomstig onderzoek en implicaties
De auteurs zien drie hoofdlijnen voor toekomstig onderzoek:
1. Dagelijkse metingen (dagboek/experience sampling) om in kaart te brengen hoe
autonomie-ondersteuning en controle van dag tot dag schommelen, en hoe steun
vanuit omgeving (partner, vrienden, familie) ouders helpt om geduldig en
autonomie-ondersteunend te blijven.
2. Onderzoeken hoe ouders zelf normen en ideeën over “goed ouderschap”
internaliseren, en in welke mate zij dit autonoom (vanuit eigen waarden) of
gecontroleerd (vanuit schuld/schaamte) doen, en wat dat betekent voor hun welzijn
en opvoedstijl.
3. Ontwikkelen en testen van op SDT gebaseerde oudercursussen die ouders leren om
autonomie-ondersteunend te reageren. Er zijn aanwijzingen dat trainingen met
nadruk op empathische, autonomie-ondersteunende limit-setting leiden tot beter
gezinsklimaat en opvoedpraktijken.
Conclusie
Het artikel concludeert dat autonomie-ondersteunende opvoeding een sleutelrol speelt in
de ouder–kindrelatie en in gezonde ontwikkeling:
Het is geen “laissez-faire”-opvoeding, maar duidelijke structuur in een
democratische, respectvolle stijl.
Het ondersteunt zowel intrinsieke motivatie als diepe internalisatie van regels en
waarden.
Over verschillende leeftijden, methoden en culturen heen hangt ouderlijke
autonomie-ondersteuning samen met betere motivatie, volharding, schoolse en
sociale aanpassing, en psychosociaal welzijn.
Hoofdstuk 4: Gehechtheidstheorie
Gehechtheidstheorie beschrijft hoe de vroege sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen
een essentiele rol speelt in het later persoonlijk en intermenselijk functioneren
• Vroege ervaringen in de relatie met opvoeders zijn van belang bij de ontwikkeling van
zelfbeeld, en hebben invloed op relaties en vriendschappen van het kind op een
latere leeftijd
Door een verbetering in de volksgezondheid kwam de gedachte voort dat als je het lichaam
gezond kon maken, dit ook mogelijk moest zijn met de geest. De Mental Hygiene Movement
vestige aandacht op de geestelijke gezondheid, rond dezelfde tijd kwam de psychoanalyse in
opkomst
• Psychoanalyse = psychische problemen van volwassenen zijn te herleiden naar echte
of ingebeelde gebeurtenissen die plaats hadden gevonden tijdens de kinderjaren
(Sigmond Freud)
o In de jaren 20 en 30 de meest invloedrijke theorie in de psychologie
Begonnen met focus op kinderen daarna op opvoeding met toenemende aandacht op
ouders
• Steeds vaker moeder gezien als oorzaak van hoe kinderen later terecht kwamen