Opsporing: plaats in het strafproces
Strafvordering omvat de hele strafprocedure: opsporing, vervolging en tenuitvoerlegging.
Volgens art. 1 Sv mag strafvordering alleen plaatsvinden op de wijze bij de wet voorzien.
Dit is de kern van het legaliteitsbeginsel.
Binnen het voorbereidend onderzoek (art. 132 Sv) zijn er drie vormen van onderzoek:
1. Opsporingsonderzoek
2. Onderzoek door de rechter-commissaris (RC)
3. Strafrechtelijk financieel onderzoek
De definitie van opsporing staat in art. 132a Sv:
Opsporing is = onderzoek in verband met strafbare feiten, onder gezag van de oKicier
van justitie, met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen.
Daaruit volgen drie elementen:
- Er moet sprake zijn van onderzoek in verband met strafbare feiten;
- Het onderzoek staat onder gezag van de OvJ;
- Het doel is het nemen van strafvorderlijke beslissingen.
Belangrijk: opsporing begint dus niet pas bij een verdenking. De verdenking is vooral
relevant als voorwaarde voor bepaalde bevoegdheden.
Historische ontwikkeling
Vroeger stond in het voorbereidend onderzoek vooral de RC centraal. De politie speelde
toen meer een voorbereidende rol: strafbare feiten opsporen en melden aan de OvJ,
waarna ingewikkelde zaken vaak naar de RC gingen in een gerechtelijk vooronderzoek
(GVO).
Sinds 2013 is het gerechtelijk vooronderzoek afgeschaft. Nu geldt:
- Het vooronderzoek is in de kern het opsporingsonderzoek;
- De OvJ is de leider van dat onderzoek;
- De RC is vooral de rechter in het vooronderzoek, met een toezichthoudende
en corrigerende rol.
Begin van de opsporing
In klassieke zin begint opsporing wanneer een vermoeden ontstaat dat een strafbaar feit
is gepleegd, bijvoorbeeld door:
- Aangifte,
- Eigen ontdekking door autoriteiten,
- Heterdaad
Maar het moderne opsporingsbegrip is ruimer.
Ook zonder concrete verdenking kan al sprake zijn van opsporing, zolang het onderzoek:
- Betrekking heeft op strafbare feiten,
- Onder gezag van de OvJ plaatsvindt,
, - En gericht is op strafvorderlijke beslissingen.
Typen opsporingsonderzoek
Er worden doorgaans vijf typen opsporing onderscheiden:
1. Klassieke opsporing
Reactief onderzoek naar een vermoedelijk gepleegd strafbaar feit, gericht op
opheldering van wat in het verleden is gebeurd.
2. Repressieve controle
Onderzoek naar mogelijk gepleegde strafbare feiten zonder dat al sprake is van een
concrete verdenking.
Doel blijft strafrechtelijke handhaving. Dit moet worden onderscheiden van preventieve
controle of bestuursrechtelijk toezicht.
3. Proactieve opsporing
Gericht op ernstige criminaliteit en vaak mede op toekomstige strafbare feiten,
bijvoorbeeld een volgend drugstransport.
Deze vorm kreeg een wettelijke basis via de Wet BOB (2000) en later aanvullingen voor
terrorismebestrijding.
4. Inlichtingenwerk
Bijvoorbeeld door de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE). Informatie van informanten is
meestal geen direct bewijsmateriaal, maar heeft een sturingsfunctie in het onderzoek.
5. Verkennend onderzoek
Onderzoek naar aard en omvang van criminaliteit in een sector of omgeving, ter
voorbereiding van eventuele opsporing.
Wie zijn met opsporing belast?
Art. 141 Sv: gewone opsporingsambtenaren
Dit zijn ambtenaren met een algemene opsporingsbevoegdheid voor alle strafbare
feiten. Hieronder vallen:
- OKicieren van justitie,
- Politieambtenaren belast met de politietaak,
- Aangewezen militairen van de Koninklijke marechaussee,
- Ambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten.
Bijzondere opsporingsdiensten
Deze hebben een specifieke taak op bijzondere beleidsterreinen, bijvoorbeeld:
- FIOD
- NVWA-IOD
- ILT-IOD
- NLA-DO/ Inspectie SZW
Art. 142 Sv: buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s)
Boa’s hebben in beginsel een beperkte opsporingsbevoegdheid:
- Beperkt tot bepaalde feiten,
- Gebaseerd op wet, aanwijzing of akte.
Hun bevoegdheid kan soms worden uitgebreid, maar zij zijn niet automatisch voor alle
strafbare feiten bevoegd.
,HulpoEicier van justitie
De hulpoKicier zit tussen gewone opsporingsambtenaar en OvJ in. Hij is een
soort “opsporingsambtenaar-plus”:
- Meer bevoegdheden dan een gewone opsporingsambtenaar,
- Minder dan de OvJ.
De hulpoKicier speelt onder meer een rol bij:
- Beoordeling van de rechtmatigheid van aanhouding,
- Ophouden voor onderzoek,
- Inverzekeringstelling.
Politie, gezag en organisatie
Politietaak
Volgens art. 3 Politiewet 2012 heeft de politie tot taak:
- Te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde,
- En hulp te verlenen aan wie die nodig heeft,
- In ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met het
recht.
Gezag
Het gezag hangt af van de taak:
- Openbare orde/ hulpverlening → onder gezag van de burgemeester (art. 11
Politiewet)
- Strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde → onder gezag van de oKicier van
justitie (art. 12 Politiewet)
Bij strafrechtelijke handhaving gaat het om:
- Voorkomen,
- Opsporen,
- Beëindigen,
- Vervolgen,
- Berechten,
- En tenuitvoerlegging van strafbare feiten.
Geweldsbevoegdheid
Volgens art. 7 Politiewet mag de politie geweld gebruiken als:
- Dat noodzakelijk is,
- Het doel dat rechtvaardigt,
- En dat doel niet op andere wijze kan worden bereikt.
Ook hier gelden proportionaliteit en subsidiariteit.
Rol van de oEicier van justitie
De OvJ is de centrale figuur in het opsporingsonderzoek.
Functies van de OvJ
- Geeft leiding aan de opsporing;
- Geeft bevelen aan opsporingsambtenaren (art. 148 Sv);
- Is eindverantwoordelijk voor het opsporingsonderzoek;
- Bewaakt de juridische kwaliteit;
- Stemt opsporing af op het vervolgingsbeleid;
- Bewaakt de rechtmatigheid en rechtsstatelijkheid.
, De OvJ heeft dus niet alleen een sturende, maar ook een waarborgfunctie: de politie
mag niet onevenwichtig of willekeurig omgaan met haar bevoegdheden.
Rol van de rechter-commissaris
De RC is tegenwoordig geen onderzoeksleider meer, maar vooral toezichthouder.
Volgens art. 170 lid 2 Sv is de RC in het bijzonder belast met de uitoefening van
toezichthoudende bevoegdheden met betrekking tot het opsporingsonderzoek.
Taken RC
- Toezicht op de rechtmatigheid van zware bevoegdheden;
- Toezicht op de voortgang van het onderzoek;
- Bewaken van evenwichtigheid en equality of arms;
- Bewaken van de volledigheid van het onderzoek;
- Verrichten van aanvullende of verificatoire onderzoekshandelingen.
Activering van de RC
De RC kan handelen:
- Op vordering van de OvJ (art. 181 Sv),
- Op verzoek van de verdachte (art. 182-183 Sv),
- Soms ambtshalve.
Verhouding tot de OvJ
- De OvJ leidt het opsporingsonderzoek;
- De RC houdt toezicht en vult aan waar nodig;
- De RC neemt dus niet de leiding over.
Verbaliseringsplicht
Hoofdregel = volgens art. 152 Sv moeten opsporingsambtenaren zo spoedig mogelijk
proces-verbaal opmaken van:
- Wat zij hebben gedaan,
- Wat zij hebben waargenomen.
Dat PV moet naar de OvJ worden gestuurd.
Functies van het PV
1. Bewijsfunctie
Het PV is een wettig bewijsmiddel (art. 344 Sv).
2. Controlefunctie
De rechter moet achteraf kunnen toetsen:
o Rechtmatigheid,
o Volledigheid,
o Zorgvuldigheid.
Belangrijke punten
- Ook ontlastende informatie moet worden opgenomen;
- Selectie van informatie moet eerlijk en zorgvuldig gebeuren;
- Volledige verslaglegging is niet altijd nodig, maar enige vorm van
verslaglegging mag niet ontbreken;
- Details mogen soms worden afgeschermd, maar het bestaan van relevante
informatie mag niet worden verzwegen.
Het Zwolsman-arrest benadrukt dat de rechter controle moet kunnen uitoefenen.