Paragraaf 2.1
1. Je kent de betekenis van de vetgedrukte begrippen
Republiek van Weimar: 1e democratische regeringsvorm van Duitsland tussen 1919 en 1933
Beurscrash: Het instorten van de Amerikaanse beurs in 1929
Economische wereldcrisis: Economische crisis die in 1929 in de VS begon en oversloeg op de
rest van de Westerse wereld
Nationaalsocialisme: Leer van Hitler, met zijn rassenleer als belangrijkste kenmerk
Propaganda: Eenzijdige informatie, bedoeld om mensen te overtuigen van je standpunt
Rijksdagbrand: Een vermoedelijk door Hitler georganiseerde brand in het Duitse
Parlementsgebouw, vlak voor de verkiezingen van maart 1933
Totalitaire staat: Een staat waarin de regering het doen en denken van de burgers probeert te
beïnvloeden door propaganda en terreur
2. Je kent de volgende jaartallen met bijbehorende gebeurtenissen
1919: Republiek van Weimar
1923: Hitler pleegt staatsgreep
1929: Beurscrash
1933: Hitler wordt rijkskanselier
1935: Neurenberger wetten
3. Je weet welke nieuwe regeringsvorm Duitsland na de WOI kreeg en weet waar het
regeringscentrum was.
Duitsland werd na de WOI voor het eerst een democratie, waarvan het regeringscentrum in
Weimar was. Dit wordt de Republiek van Weimar genoemd.
4. Je kunt uitleggen hoe herstelbetalingen in 1923 tot een Duitse economische crisis leidden.
In 1923 bleek dat Duitsland nooit alle schulden kon betalen, vooral aan Frankrijk. Frankrijk
bezette daarom het Ruhrgebied en voerde producten naar Frankrijk. De Weimarregering drukte
heel veel geld bij met als gevolg hyperinflatie. Gelukkig wilde Amerika leningen aan Duitsland
verstrekken. Hierdoor kon Duitsland economisch herstellen.
5. Je kent de 3 bedreigingen voor de Duitse democratie en de Republiek van Weimar.
1. Schulden
2. Beurscrash
3. Antidemocratische bewegingen
6. Je kent de kenmerken van fascisme en het verschil en de overeenkomsten met
nationaalsocialisme.
Fascisme:
- Eén sterke leider
- Eén staat die bestaat uit één volk
- Verheerlijking van geweld en oorlog
Nationaalsocialisme:
- Eén sterke leider
- Verheerlijking van geweld en oorlog
- Antisemitische rassenleer/racisme
Fascisme Nationaalsocialisme
, Staat staat centraal Ras staat centraal
Italië Duitsland
7. Je kent de gevolgen van de economische wereldcrisis voor Duitsland
Vele bedrijven gingen failliet.
25% van de mensen was werkloos, 6 miljoen mensen.
Amerika kon geen leningen meer aan Duitsland verstrekken.
8. Je weet hoe Hitler rijkskanselier werd en hoe hij steeds meer macht naar zich toe wist te
trekken.
In 1923 richtte Hitler de NSDAP op. Bij de verkiezingen in 1928 kreeg de NSDAP 12 zetels, wat
bij de volgende verkiezingen in 1932 was gestegen naar 230 zetels! Dit kwam doordat Hitler
beloofde dat hij het Verdrag van Versailles ongedaan zou maken en de werkloosheid op zou
lossen.
Toen benoemde Rijkspresident Von Hindenburg Hitler tot rijkskanselier. Toen Hitler dit was,
hield hij opnieuw verkiezingen in de hoop dat hij nog meer stemmen kreeg.
Vlak voor de verkiezingen brandde heel het parlementsgebouw van Duitsland af, veel mensen
beschuldigden hier Hitler van, terwijl Hitler de schuld aan de communisten gaf. Hij liet artikel
48 in werking treden waardoor alle communisten werden opgesloten in concentratiekampen.
De communistische partijen mochten geen propaganda meer voeren, waardoor het aantal
stemmen fors daalde. Het resultaat was dat de NSDAP 44% van de stemmen haalde. In de
jaren erna kreeg Hitler het voor elkaar dat hij steeds meer partijen uitschakelde, waardoor
Duitsland veranderde in een totalitaire staat waarvan Hitler de leider was.
Hitler verbood alle politieke partijen. Hitler richtte de Gestapo op om tegenstanders op te
sporen en uit te schakelen. Hierdoor beïnvloedde Hitler het doen van mensen, het denken van
mensen probeerde hij te beïnvloeden door propaganda. De geüniformeerde mensen van zijn
partij, de SA (stormabteilung), liet hij ervoor zorgen dat mensen afwijkende meningen voor zich
hielden.
9. Je kent een aantal kenmerken van Duitsland als totalitaire staat.
Hitler verbood alle politieke partijen, behalve de NSDAP. Hitler richtte de Gestapo op om
tegenstanders op te sporen en uit te schakelen. Hierdoor beïnvloedde Hitler het doen van
mensen, het denken van mensen probeerde hij te beïnvloeden door propaganda. De
geüniformeerde mensen van zijn partij, de SA (stormabteilung), liet hij ervoor zorgen dat
mensen afwijkende meningen voor zich hielden.
Paragraaf 2.2
1. Je kent de betekenis van de vetgedrukte begrippen
Heim ins Reich: Hitlers politiek om alle Duitsers weer in het Duitse rijk in te lijven
Lebensraum: Een van Hitlers doelen om levensruimte te veroveren in het oosten, met oog op
de bodemschatten en de daar aanwezige graanvelden
Appeasementpolitiek: Politiek van Engeland en Frankrijk om door het inwilligen van Hitlers
eisen de vrede in Europa te bewaren.
Blitzkrieg: Oorlogsstrategie van Hitler, waarbij tanks bliksemsnel oprukten, gesteund door de
luchtmacht
Operatie Barbarossa: Inval van Duitsland in de Sovjet-Unie in juni 1941
D-day: De geallieerde invasie in Normandië op 6 juni 1944
Capitulatie: Overgave aan de vijand