Hoorcollege 1: inleiding in het Omgevingsrecht en de Omgevingswet
1. Omgevingsrecht “oude stijl”
Vóór de Omgevingswet was het omgevingsrecht versnipperd over heel veel
afzonderlijke wetten, algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen.
Dat stelsel was niet als één samenhangend geheel ontworpen, maar is stap voor
stap ontstaan: telkens werd voor een afzonderlijk onderwerp nieuwe regelgeving
gemaakt. Daardoor zijn er veel verschillen ontstaan in systematiek, terminologie en
procedures. Dat versnipperde karakter maakte het omgevingsrecht lastig te overzien.
Voor burgers, bedrijven én bestuursorganen was het daardoor moeilijk om snel te
bepalen welke regels golden, welk bestuursorgaan bevoegd was en welke procedure
moest worden gevolgd. Ook had Europees recht invloed op het stelsel, waardoor de
regelgeving nog verder gelaagd en complex werd.
2. De verbeterdoelen van de Omgevingswet
De Omgevingswet is ingevoerd om het oude versnipperde stelsel te vervangen door
één geïntegreerd stelsel. De vier hoofdverbeteringen zijn:
1. Inzichtelijkheid, voorspelbaarheid en gebruiksgemak vergroten
Het moet voor burgers en bestuursorganen duidelijker worden welke regels gelden
en waar die te vinden zijn.
2. Een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving mogelijk
maken
Niet langer losse benaderingen per thema, maar één integrale afweging van
bijvoorbeeld bouwen, milieu, natuur, water, erfgoed en gezondheid.
3. Meer bestuurlijke afwegingsruimte creëren
Bestuursorganen krijgen meer ruimte om maatwerk en een actieve, flexibele aanpak
te kiezen.
4. Besluitvorming over projecten versnellen en verbeteren
Projecten in de fysieke leefomgeving moeten soepeler en efficiënter kunnen worden
voorbereid en uitgevoerd.
3. De opbouw van het nieuwe stelsel
Het nieuwe stelsel rond de Omgevingswet is in verschillende sporen opgebouwd.
Invoeringsspoor
Dit spoor regelt de overgang van het oude recht naar het nieuwe recht. Het bevat
dus regels om bestaande wetgeving om te zetten, aan te passen en
overgangsproblemen op te lossen. Het invoeringsspoor vult daarnaast het
hoofdspoor op enkele essentiële punten aan.
Hoofdspoor
Het hoofdspoor is het nieuwe, structurele stelsel zelf. Dit bestaat uit:
de Omgevingswet;
vier algemene maatregelen van bestuur;
de Omgevingsregeling.
1
,Bij de inwerkingtreding zijn het invoeringsspoor en aanvullingsspoor als het ware
opgegaan in het hoofdspoor.
Aanvullingsspoor
Dit spoor ontwikkelt de wetgeving verder op onderdelen waar beleidsontwikkelingen
nog lopen, zoals:
natuur;
bodem;
geluid;
grondeigendom.
4. De Omgevingswet als kaderwet
De Omgevingswet is een kaderwet. Dat betekent dat de wet zelf de grote lijnen en
hoofdregels bevat, maar dat veel concrete en technische regels niet in de wet staan.
Die zijn vooral neergelegd in de vier algemene maatregelen van bestuur. De wet zelf
regelt vooral de onderwerpen die in beginsel in een wet in formele zin horen, zoals:
grondslagen voor vergunningstelsels;
bevoegdheden die ingrijpen in eigendom;
procedurevoorschriften.
Daarmee is de wet in zekere zin het “skelet” van het nieuwe systeem, terwijl de
concrete invulling elders zit.
5. Artikel 1.2 Ow: de fysieke leefomgeving
Artikel 1.2 geeft aan waar de Omgevingswet over gaat.
Lid 1
De wet heeft betrekking op:
de fysieke leefomgeving;
activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor die leefomgeving.
Daaruit blijkt meteen de brede reikwijdte van de wet: niet alleen de leefomgeving zelf
staat centraal, maar ook alle activiteiten die daarop invloed kunnen hebben.
Lid 2
De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval:
bouwwerken;
infrastructuur;
watersystemen;
water;
bodem;
lucht;
landschappen;
natuur;
cultureel erfgoed;
werelderfgoed.
Dit is geen uitputtende lijst, maar wel een kernomschrijving van wat onder de wet
valt.
2
,Lid 3
Gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden in ieder geval ook gezien bij:
wijziging van onderdelen van de leefomgeving of het gebruik daarvan;
gebruik van natuurlijke hulpbronnen;
activiteiten die emissies, hinder of risico’s veroorzaken;
het nalaten van activiteiten.
Ook niet-handelen kan dus relevant zijn.
Lid 4
Daarnaast tellen ook gevolgen voor de mens mee, voor zover die mens wordt of kan
worden beïnvloed door onderdelen van de fysieke leefomgeving. Dit laat zien dat de
wet niet alleen “ruimte” beschermt, maar ook de menselijke leefkwaliteit en
gezondheid.
6. Artikel 1.3 Ow: de maatschappelijke doelen
Artikel 1.3 formuleert de doelen van de wet. Die doelen zijn tweeledig en moeten in
samenhang worden nagestreefd:
a. Een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en goede omgevingskwaliteit
Daarbij hoort ook de intrinsieke waarde van de natuur. Het gaat dus niet alleen om
nuttig gebruik, maar ook om bescherming en kwaliteit.
b. Doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving
Dat gebeurt ter vervulling van maatschappelijke behoeften. De wet is dus niet alleen
beschermend, maar ook ontwikkelingsgericht. Het belangrijke woord hier is
samenhang: veiligheid, gezondheid, kwaliteit, bescherming, beheer en ontwikkeling
moeten niet los van elkaar worden bekeken.
7. Hoofdstukken van de Omgevingswet
Hoofdstuk 2: taken en bevoegdheden
Hierin staat onder meer:
art. 2.1 lid 1: bestuursorganen moeten hun taken en bevoegdheden
uitoefenen met het oog op de doelen van de wet;
art. 2.3: subsidiariteit, dus taken en bevoegdheden worden in beginsel
overgelaten aan gemeenten, tenzij andere regels gelden.
Dat betekent: zo laag mogelijk beleggen, tenzij een hogere overheid moet ingrijpen.
Hoofdstuk 3: omgevingsvisies en programma’s
Hier worden strategische beleidsinstrumenten geregeld.
Hoofdstuk 4: algemene regels over activiteiten
Hier staan de algemene rijksregels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving.
Hoofdstuk 5: vergunningen en projectbesluit
Hier staan de belangrijkste toestemmingsinstrumenten en het projectbesluit.
Hoofdstuk 16: procedures
Hier staan de procedurevoorschriften. Een belangrijk onderdeel is de toepassing van
afdeling 3.4 Awb.
3
, 8. Artikel 5.1 Ow: vergunningplichtige activiteiten
Artikel 5.1 bepaalt welke activiteiten vergunningplichtig zijn. Daarbij gaat het onder
meer om:
omgevingsplanactiviteiten;
rijksmonumentenactiviteiten;
ontgrondingsactiviteiten;
stortingsactiviteiten op zee;
Natura 2000-activiteiten;
jachtgeweeractiviteiten;
valkeniersactiviteiten.
Daarnaast noemt lid 2 onder meer:
bouwactiviteiten;
milieubelastende activiteiten;
lozingsactiviteiten;
wateronttrekkingsactiviteiten;
mijnbouwlocatieactiviteiten;
beperkingengebiedactiviteiten;
flora- en fauna-activiteiten.
De kern is dat voor veel ingrijpende activiteiten eerst toestemming nodig is, tenzij een
amvb een uitzondering maakt.
9. Hoofdstuk 16: procedures en zienswijzen
Een belangrijk procedureel punt is dat afdeling 3.4 Awb in bepaalde situaties van
toepassing is, bijvoorbeeld bij:
omgevingsvisies;
programma’s;
omgevingsplannen.
Als die afdeling van toepassing is, geldt in beginsel de hoofdregel van art. 16.23 Ow:
eenieder kan zienswijzen indienen. Dat is relevant in het licht van de jurisprudentie
na het Varkens in Nood-arrest, omdat participatie en toegang tot inspraak daar
extra gewicht hebben gekregen.
10. De zes kerninstrumenten van de Omgevingswet
1. Omgevingsvisie
Strategische langetermijnvisie van gemeente, provincie of Rijk.
2. Programma
Beleidsinstrument voor de uitwerking van doelen en maatregelen.
3. Algemene rijksregels
Algemene normen voor activiteiten in de fysieke leefomgeving.
4. Omgevingsvergunning
Individuele toestemming voor een concrete activiteit.
5. Decentrale regels
Regels van gemeente, waterschap of provincie.
6. Projectbesluit
Besluit voor concrete projecten van vaak grotere publieke betekenis.
4
1. Omgevingsrecht “oude stijl”
Vóór de Omgevingswet was het omgevingsrecht versnipperd over heel veel
afzonderlijke wetten, algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen.
Dat stelsel was niet als één samenhangend geheel ontworpen, maar is stap voor
stap ontstaan: telkens werd voor een afzonderlijk onderwerp nieuwe regelgeving
gemaakt. Daardoor zijn er veel verschillen ontstaan in systematiek, terminologie en
procedures. Dat versnipperde karakter maakte het omgevingsrecht lastig te overzien.
Voor burgers, bedrijven én bestuursorganen was het daardoor moeilijk om snel te
bepalen welke regels golden, welk bestuursorgaan bevoegd was en welke procedure
moest worden gevolgd. Ook had Europees recht invloed op het stelsel, waardoor de
regelgeving nog verder gelaagd en complex werd.
2. De verbeterdoelen van de Omgevingswet
De Omgevingswet is ingevoerd om het oude versnipperde stelsel te vervangen door
één geïntegreerd stelsel. De vier hoofdverbeteringen zijn:
1. Inzichtelijkheid, voorspelbaarheid en gebruiksgemak vergroten
Het moet voor burgers en bestuursorganen duidelijker worden welke regels gelden
en waar die te vinden zijn.
2. Een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving mogelijk
maken
Niet langer losse benaderingen per thema, maar één integrale afweging van
bijvoorbeeld bouwen, milieu, natuur, water, erfgoed en gezondheid.
3. Meer bestuurlijke afwegingsruimte creëren
Bestuursorganen krijgen meer ruimte om maatwerk en een actieve, flexibele aanpak
te kiezen.
4. Besluitvorming over projecten versnellen en verbeteren
Projecten in de fysieke leefomgeving moeten soepeler en efficiënter kunnen worden
voorbereid en uitgevoerd.
3. De opbouw van het nieuwe stelsel
Het nieuwe stelsel rond de Omgevingswet is in verschillende sporen opgebouwd.
Invoeringsspoor
Dit spoor regelt de overgang van het oude recht naar het nieuwe recht. Het bevat
dus regels om bestaande wetgeving om te zetten, aan te passen en
overgangsproblemen op te lossen. Het invoeringsspoor vult daarnaast het
hoofdspoor op enkele essentiële punten aan.
Hoofdspoor
Het hoofdspoor is het nieuwe, structurele stelsel zelf. Dit bestaat uit:
de Omgevingswet;
vier algemene maatregelen van bestuur;
de Omgevingsregeling.
1
,Bij de inwerkingtreding zijn het invoeringsspoor en aanvullingsspoor als het ware
opgegaan in het hoofdspoor.
Aanvullingsspoor
Dit spoor ontwikkelt de wetgeving verder op onderdelen waar beleidsontwikkelingen
nog lopen, zoals:
natuur;
bodem;
geluid;
grondeigendom.
4. De Omgevingswet als kaderwet
De Omgevingswet is een kaderwet. Dat betekent dat de wet zelf de grote lijnen en
hoofdregels bevat, maar dat veel concrete en technische regels niet in de wet staan.
Die zijn vooral neergelegd in de vier algemene maatregelen van bestuur. De wet zelf
regelt vooral de onderwerpen die in beginsel in een wet in formele zin horen, zoals:
grondslagen voor vergunningstelsels;
bevoegdheden die ingrijpen in eigendom;
procedurevoorschriften.
Daarmee is de wet in zekere zin het “skelet” van het nieuwe systeem, terwijl de
concrete invulling elders zit.
5. Artikel 1.2 Ow: de fysieke leefomgeving
Artikel 1.2 geeft aan waar de Omgevingswet over gaat.
Lid 1
De wet heeft betrekking op:
de fysieke leefomgeving;
activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor die leefomgeving.
Daaruit blijkt meteen de brede reikwijdte van de wet: niet alleen de leefomgeving zelf
staat centraal, maar ook alle activiteiten die daarop invloed kunnen hebben.
Lid 2
De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval:
bouwwerken;
infrastructuur;
watersystemen;
water;
bodem;
lucht;
landschappen;
natuur;
cultureel erfgoed;
werelderfgoed.
Dit is geen uitputtende lijst, maar wel een kernomschrijving van wat onder de wet
valt.
2
,Lid 3
Gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden in ieder geval ook gezien bij:
wijziging van onderdelen van de leefomgeving of het gebruik daarvan;
gebruik van natuurlijke hulpbronnen;
activiteiten die emissies, hinder of risico’s veroorzaken;
het nalaten van activiteiten.
Ook niet-handelen kan dus relevant zijn.
Lid 4
Daarnaast tellen ook gevolgen voor de mens mee, voor zover die mens wordt of kan
worden beïnvloed door onderdelen van de fysieke leefomgeving. Dit laat zien dat de
wet niet alleen “ruimte” beschermt, maar ook de menselijke leefkwaliteit en
gezondheid.
6. Artikel 1.3 Ow: de maatschappelijke doelen
Artikel 1.3 formuleert de doelen van de wet. Die doelen zijn tweeledig en moeten in
samenhang worden nagestreefd:
a. Een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en goede omgevingskwaliteit
Daarbij hoort ook de intrinsieke waarde van de natuur. Het gaat dus niet alleen om
nuttig gebruik, maar ook om bescherming en kwaliteit.
b. Doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving
Dat gebeurt ter vervulling van maatschappelijke behoeften. De wet is dus niet alleen
beschermend, maar ook ontwikkelingsgericht. Het belangrijke woord hier is
samenhang: veiligheid, gezondheid, kwaliteit, bescherming, beheer en ontwikkeling
moeten niet los van elkaar worden bekeken.
7. Hoofdstukken van de Omgevingswet
Hoofdstuk 2: taken en bevoegdheden
Hierin staat onder meer:
art. 2.1 lid 1: bestuursorganen moeten hun taken en bevoegdheden
uitoefenen met het oog op de doelen van de wet;
art. 2.3: subsidiariteit, dus taken en bevoegdheden worden in beginsel
overgelaten aan gemeenten, tenzij andere regels gelden.
Dat betekent: zo laag mogelijk beleggen, tenzij een hogere overheid moet ingrijpen.
Hoofdstuk 3: omgevingsvisies en programma’s
Hier worden strategische beleidsinstrumenten geregeld.
Hoofdstuk 4: algemene regels over activiteiten
Hier staan de algemene rijksregels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving.
Hoofdstuk 5: vergunningen en projectbesluit
Hier staan de belangrijkste toestemmingsinstrumenten en het projectbesluit.
Hoofdstuk 16: procedures
Hier staan de procedurevoorschriften. Een belangrijk onderdeel is de toepassing van
afdeling 3.4 Awb.
3
, 8. Artikel 5.1 Ow: vergunningplichtige activiteiten
Artikel 5.1 bepaalt welke activiteiten vergunningplichtig zijn. Daarbij gaat het onder
meer om:
omgevingsplanactiviteiten;
rijksmonumentenactiviteiten;
ontgrondingsactiviteiten;
stortingsactiviteiten op zee;
Natura 2000-activiteiten;
jachtgeweeractiviteiten;
valkeniersactiviteiten.
Daarnaast noemt lid 2 onder meer:
bouwactiviteiten;
milieubelastende activiteiten;
lozingsactiviteiten;
wateronttrekkingsactiviteiten;
mijnbouwlocatieactiviteiten;
beperkingengebiedactiviteiten;
flora- en fauna-activiteiten.
De kern is dat voor veel ingrijpende activiteiten eerst toestemming nodig is, tenzij een
amvb een uitzondering maakt.
9. Hoofdstuk 16: procedures en zienswijzen
Een belangrijk procedureel punt is dat afdeling 3.4 Awb in bepaalde situaties van
toepassing is, bijvoorbeeld bij:
omgevingsvisies;
programma’s;
omgevingsplannen.
Als die afdeling van toepassing is, geldt in beginsel de hoofdregel van art. 16.23 Ow:
eenieder kan zienswijzen indienen. Dat is relevant in het licht van de jurisprudentie
na het Varkens in Nood-arrest, omdat participatie en toegang tot inspraak daar
extra gewicht hebben gekregen.
10. De zes kerninstrumenten van de Omgevingswet
1. Omgevingsvisie
Strategische langetermijnvisie van gemeente, provincie of Rijk.
2. Programma
Beleidsinstrument voor de uitwerking van doelen en maatregelen.
3. Algemene rijksregels
Algemene normen voor activiteiten in de fysieke leefomgeving.
4. Omgevingsvergunning
Individuele toestemming voor een concrete activiteit.
5. Decentrale regels
Regels van gemeente, waterschap of provincie.
6. Projectbesluit
Besluit voor concrete projecten van vaak grotere publieke betekenis.
4