Persoonlijkheid
Forenische major/minor
Jaar 2/3
50 meerkeuze oefenvragen (+ 10 bonus vragen aan het einde)
, Vraag 1
Welke uitspraak past het best binnen het “common core”-idee van antisociaal gedrag?
A. Alle vormen van antisociaal gedrag hebben identieke oorzaken
B. Antisociaal gedrag bestaat uit volledig onafhankelijke stoornissen
C. Verschillende vormen van antisociaal gedrag delen onderliggende mechanismen
D. Alleen agressief gedrag behoort tot de common core
Vraag 2
Welke onderzoeksopzet biedt het sterkste argument vóór genetische invloed op antisociaal
gedrag?
A. Twee-eiige tweelingen samen opgegroeid lijken sterk op elkaar
B. Eeneiige tweelingen apart opgegroeid lijken sterk op elkaar
C. Geadopteerde kinderen lijken op adoptieouders
D. Leeftijdsgenoten in dezelfde buurt vertonen gelijkaardig gedrag
Vraag 3
A. Kandidaatgenen verklaren antisociaal gedrag voornamelijk zelfstandig zonder interactie
met omgevingsfactoren
B. Onderzoek naar kandidaatgenen richt zich vooral op genetische determinanten die
omgevingsinvloeden vervangen als verklaring
C. Kandidaatgenen worden onderzocht omdat ze mogelijk betrokken zijn bij biologische
processen zoals beloningsverwerking en emotieregulatie
D. Bevindingen uit kandidaatgenonderzoek tonen aan dat opvoeding en sociale context geen
significante invloed hebben op antisociaal gedrag
Vraag 4
Welke situatie is het beste voorbeeld van een epigenetisch proces?
A. Een mutatie in het DNA verandert blijvend de genetische code van een individu
B. Vroege stress of mishandeling beïnvloedt de genexpressie zonder de DNA-sequentie zelf te
veranderen
C. Een kind erft een verhoogde impulsiviteit direct via de overdracht van genetisch materiaal
van beide ouders
D. Aangeboren hersenletsel leidt direct tot veranderingen in agressief gedrag door
structurele hersenschade
Vraag 5
Welke uitspraak over preventieve interventies is het meest consistent met een ontwikkelings-
en biopsychosociaal perspectief?
A. Universele preventieve interventies zijn doorgaans effectiever dan selectieve of
geïndiceerde interventies, ongeacht risicoprofiel of ontwikkelingsfase
B. Preventie moet zich primair richten op het individu, omdat biologische factoren de
belangrijkste determinanten van ontwikkelingsuitkomsten zijn
C. Effectieve preventie vraagt meestal om vroege, ontwikkelingsgevoelige en multilevel
interventies die gericht zijn op kind, gezin en bredere context
D. Omdat genetische kwetsbaarheid de belangrijkste voorspeller is van uitkomsten, hebben
preventieve interventies slechts een beperkte impact