Voorbereiding kennisassessment
13/01/2026
1
,In dit document
Uitgewerkte landschapstypen
1. Beekdallandschap
2. Cultuurlandschap
3. Droog zandlandschap
4. Laagveen- en zeekleilandschap
5. Nat zandlandschap
6. Rivierenlandschap
Van de landschapstypen is steeds uitgewerkt:
- Kernwoorden
- Algemene ecologie
- Belangrijke plant- en diersoorten
- Doorsnede met beheertypen
- Successiestadia
- Bedreigingen
- Beheer
Ontbrekende landschapstypen:
- Duin- en kustlandschap
- Grote zoete wateren
- Heuvellandschap
- Zee en wad
Uitgewerkte beheer(sub)typen:
1. Zachthoutooibos
2. Hardhoutooibos
3. Nat schraalgrasland
4. Vochtig hooiland
5. Dennen-, eiken- en beukenbos
6. Vochtige heide
7. Droge heide
8. Blauwgrasland
9. Laagveenbos (elzenbroekbos)
10.Hoogveenbos
Van de beheer(sub)typen zijn steeds de volgende dingen uitgewerkt:
- Grondwaterstand
- Nutriëntenbeschikbaarheid
- Vegetatiestructuur
- Dominante soorten
- Voorkomen
- Beheer
2
, Beekdallandschap
Venige laagten tussen hogere zandruggen met daarin een beek.
Kernwoorden
Gradiëntrijk, variatie, afwatering, bronwater, kwel, beek, venige laagte, hogere
zand, reliëf, kwaliteit en hoeveelheid bronwater, verdroging & verzuring
Algemeen
Relatief laaggelegen gebieden aan weerszijden van beken en de omringende
hogere zandgronden. Gradiëntrijke landschappen met veel variatie dus
waardevol voor de natuur. Dienen als afwateringssysteem van het
zandlandschap. Karakter wordt bepaald door het omliggende landschap, reliëf
en voeding door grondwater van het beekdal. Andere belangrijke factoren:
kwel1 (lokaal1a of regionaal1b), kweldruk2, inundatie3 en stagnatie4 van water.
Er zit veel verschil tussen verschillende beekdallandschappen door bijvoorbeeld
verschil in bronwater.
In het verleden vooral gebruikt als hooiland, altijd kleinschalig landschap. De
beek heeft altijd een centrale plek. In laaggelegen gebieden veelal voeding met
grondwater. Bodems zijn daardoor veel minder zuur dan in hoger gelegen
gebiedsdelen, van waaruit ze worden gevoed.
De hoeveelheid en samenstelling van grondwater dat vanuit hogere gronden
wordt aangevoerd, bepaalt de eigenschappen (vochtigheid, voedselrijkdom en
zuurtegraad) van de lager gelegen gebieden.
Lokale kwel is vaak voedselrijk en arm aan basen en ijzer (dus zuur). Regionale
kwel komt van verder weg en is meer basenrijk en heeft veel ijzer, maar heeft
niet veel sulfaat.
3