Venige laagten tussen hogere zandruggen met daarin een beek
Kernwoorden: gradiëntrijk, variatie, afwatering, bronwater, kwel, beek, venige
laagte, hogere zandgrond, reliëf, kwaliteit en hoeveelheid bronwater, verdroging
en verzuring
Omschrijving gebied: relatief laaggelegen gebieden aan weerszijden van
beken en de omringende hogere zandgronden
Natuurwaarde: zeer hoog dankzij variatie. Veel successiestadia naast elkaar
vanwege hoge dynamiek
Variatie binnen gebied: zeer gradiëntrijk, mozaïekstructuur
Variatie tussen gebieden: veel verschil door bijv. verschil in herkomst van
bronwater
Nut: afwateringssysteem van zandlandschap, fungeert als spons
Karakter bepaling:
- Hoeveelheid en samenstelling van aangevoerd grondwater
o Natte en vochtige gedeelten
o Voedselrijke en -armere gedeelten
o Neutraal, basisch, zwak zuur of zuur
- Reliëf
o Hoger = droger
- Lokale of regionale kwel
o Lokaal: lijkt op regenwater, minder mineralen, zuurder
o Regionaal: dieper grondwater, meer minderalen, basischer
- Kweldruk
- Inundatie (=overstroming)
- Stagnatie
Schaal: kleinschalig
Landschapselementen: altijd een centrale beek
Watertoevoer: grondwater
Beheertypen:
- Rivier- en beekbegeleidende bossen
- Nat schraalgrasland
- Vochtig hooiland
Bedreigingen: verdroging minder grondwater meer invloed van (zuur)
regenwater verzuring verminderde plantengroei
Beheer: let op hydrologische samenhang op landschapsschaal. Zorg bijv. voor
vernatting en verbetering van de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater.
Houd neerslag vast in bovenloopgebieden zodat meststoffen niet uitspoelen naar
het dal. Beek smaller en minder diep maken en laten kronkelen.
Soorten: zwarte els, orchideeën, kattenstaart, bever, kokerjuffer, amfibieën,
dotterbloem, beekprik, rivierprik, ringslang, rosse vleermuis, ijsvogel
, Cultuurlandschap
Landbouw gedomineerd landschap met zowel agrarische als natuurlijke
doeleinden
Kernwoorden: landbouw, grasland, akkers, weidevogels, agrarisch beheer,
verandering
Omschrijving gebied: alles wat niet behoort tot stad, industrie of recreatie.
Vooral agrarisch landbouwgebied waar steeds verandering plaatsvindt.
Natuurwaarde: matig vanwege strak beheer
Variatie binnen gebied: matig: gras, akker, sloot, berm, etc. Afhankelijk van
bodemtype, waterhuishouding, beheer en gewaskeuze
Variatie tussen gebieden: vrij groot doordat het ‘overal’ is en dus
verschillende typen gronden omvat. Ook historisch gebruik bepalen karakter
Nut: voedselproductie, waterberging en -afvoer, cultuur, recreatie (wandelen,
fietsen, etc.)
Karakter bepaling: voornamelijk door menselijk handelen (egalisatie,
ontwatering, bemesting, ploegen, bestrijden, mest, intensivering,
schaalvergroting, etc.)
Schaal: grootschalig en open met lokaal kleinschaligere structuren zoals
houtwallen
Landschapselementen:
- Sloten en greppels
- Houtwallen en singels
- Knotwilgen
- Dijken en kades
- Poelen en plas-drasgebieden
- Erfbeplanting en perceelranden
Watertoevoer: gereguleerd via sloten, gemalen en kanalen. Afhankelijk van
kunstmatige ontwatering en waterpeilbeheer
Beheertypen:
- Open grasland – vooral in het laagveen- en zeekleilandschap en in
rivierenlandschap
- Natte en droge dooradering
- Open akkerland – voornamelijk in zeeklei- en zandgronden
- Kruiden en faunarijkgrasland
- Vochtig weidevogelgrasland en wintergastenweide
Bedreigingen:
- Intensivering van landbouw
- Verlies van landschapselementen
- Pesticiden- en mestgebruik
Beheer:
- Extensief maaibeheer, later en gefaseerd maaien
- Beperkt gebruik van mest en bestrijdingsmiddelen
- Aanleg en onderhoud van landschapselementen
- Plas-drasbeheer voor weidevogels
- Akkerranden beheer
- Natuur inclusieve landbouw
Soorten: grutto, kievit, tureluur, scholekster, veldleeuwerik, haas, veldmuis,
wezel, mol, bruine kikker, gewone pad, bijen, vlinders, libellen, riet,
pinksterbloem, klavers