Van Thales tot Plotinus
Presocratici – natuurfilosofie
Hoe ontstond de mutatie van pre-filosofisch wereldbeeld naar een (natuur)filosofisch wereldbeeld?
- Systematisering van een verhaal (muthos) naar een samenhangende theorie (logos)
- Naturalisme de hoofdrolspelers in de theorieën zijn niet langer goden, maar elementen
- Reductionisme men is op zoek naar een verklaring met zo min mogelijk factoren
- Kritisch individualisme filosofen worden zich bewust van hun eigen vondsten en vallen
elkaars theorieën aan
Thales van Milete
Alles komt voort uit water en de aarde drijft als een soort vlot op het water van een oer-oceaan waar
ze ooit uit is voortgekomen. Hiermee zijn ook bijvoorbeeld aardbevingen te verklaren.
Thales verwijdert zich met zijn theorie van het traditionele mythisch-religieuze wereldbeeld. Dit wil
niet zeggen dat Thales de traditionele religie ook expliciet bekritiseerde. Wel wordt zijn godsbeeld
van zijn antropomorfe elementen ontdaan; het goddelijke wordt een bezielende factor of bepalende
kracht in de natuur. Wat Thales de eerste (natuur)filosoof maakt, is dat hij zich als eerste bezighield
met (wiskundige) bewijsvoering voor zijn ideeën.
Het leven om ons heen is afhankelijk van water en de zaden waaruit alles voortkomt zijn vochtig,
vandaar dat ook de aarde zelf ontsproten moet zijn uit water. Deze analogie-redeneringen zullen
typerend blijken voor de presocratische natuurfilosofie. Erg systematisch en nauwkeurig empirisch
was Thales, evenals de andere presocraten, niet.
Anaximander van Milete
Anaximander was de eerste die het schrift gebruikte voor niet-poëtische doeleinden. Ook hij stelt dat
alles uit één en dezelfde oorsprong is voortgekomen, maar gaat daarbij al systematischer te werk dan
Thales, zijn leermeester. De oorsprong is bij hem het onbepaalde en oneindige (apeiron). Dit
onbepaalde lijkt bij Anaximander van goddelijke aard te zijn, maar veel is daar niet over bekend.
Uit het onbepaalde heeft zich een sperma-achtige oermassa losgemaakt, iets dat het warme (vuur)
en koude (vocht) in zich verenigt. Door een soort schifting zou het vocht omsloten zijn geraakt door
het vuur, waarna een explosie volgt. Een deel van de vochtige massa in het midden droogt op, onder
invloed van het vuur, en vormt de aarde. Ook in de hemel strijden nevel en vuur nog, dit verklaart
sterren, de zon, maan en verduisteringen.
Vuur en vocht (tegendelen) zijn bij Anaximander elementen die continu met elkaar in strijd zijn.
Omdat de aarde zich zo ver mogelijk verwijdert van de vuurringen blijft ze precies in het midden en
heerst er rust. Hiermee wordt ook weer een poging gedaan zoveel mogelijk te verklaren met zo
weinig mogelijk factoren. Ten slotte stelt Anaximander dat ook levende wezens in zee zijn ontstaan.
Anaximenes van Milete
Volgens Anaximenes is de hemel een halve bol die de schijf van de platte aarde omsluit als een
deksel. Net als bij Thales rust de aarde op iets; bij Anaximenes is dat lucht. Deze lucht, of adem,
vormt voor Anaximenes de oorsprong van alle dingen, maar ook het zijnselement; alle dingen
bestaan nog steeds uit lucht; stenen zijn dichte lucht, vuur is verdunde lucht, zelfs de goden zijn van
lucht (maar dit is de enige keer dat goden voorbij komen bij Anaximenes).
1
, Pythagoras van Samos
Het is lastig te bepalen wat van Pythagoras zelf kwam (pythagoreïsche kwestie). Twee dingen worden
sowieso als essentiële kern van het pythagoreïsme beschouwd; ten eerste de leer van de
onsterfelijke ziel; ten tweede dat de kosmos naar zijn wezen bestaat uit ‘harmonie en getal,’ hiermee
wordt de oer-materie losgelaten en een nieuw idee geïntroduceerd; getalsverhoudingen. Wat betreft
het eerste betekent dit dat de pythagoreërs er strenge voorschriften op nahielden wat betreft ethiek.
Wat betreft het tweede stelt Pythagoras dat de afstanden tussen de hemellichamen worden bepaald
door harmonische getalsverhoudingen die harmonische klanken genereren; deze merken wij niet op
omdat wij deze gewend zijn. Maar deze harmonie is noodzakelijk voor kennis. Daarbij moet wel
vermeld worden dat deze leer van de getallen en harmonie totaal ongegrond is (m.u.v. de muziek).
De wereld bestaat uit de oneindige adem die de leegte en de tijd inademt. Deze leegte is niet écht
luchtledig maar eerder de ingeademde lucht. Deze lucht vormt de lege ruimte tussen de punten van
de tetraktys. De pythagoreërs geloofden ook in een dualistisch systeem van tien paren waaruit alles
bestaat; deze paren komen voort uit het eerste paar (grens-onbegrensde), dat daarmee
fundamenteel is voor de structuur der dingen.
Philolaos van Croton’s ideeën stemmen overeen met wat Pythagoras beweert; de natuur in de
kosmos is harmonisch geordend uit de begrensde en begrenzende dingen. Hij stelt bovendien dat het
eerste dat tot stand is gekomen Eén is en deze ademt de bovengenoemde leegte in; uiteindelijk is er
een kosmologie waarbij tien hemellichamen om een centraal vuur heen draaien (heliocentrisme).
Binnen het pythagoreïsme waren er twee stromingen; de mathematici (ingewijd in de getallenleer)
en de akousmatici (alleen met de leefregels vertrouwd). Het is misschien beter de pythagoreërs als
sekte te benaderen.
Xenophanes van Colophon
Xenophanes geloofde dat alles uit water en aarde is voortgekomen en ernaar zal terugkeren.
Bovendien valt zijn wolken-leer op; hemellichamen zijn vuur-geworden wolken, kometen zijn
concentraties van wolken, de regenboog is een wolk met kleuren, et cetera. Xenophanes uitte
expliciete kritiek op de Griekse goden zoals ze toen waren (antropomorf). Dit antropomorfe beeld
komt voort uit de beperkingen van ons voorstellingsvermogen; gedachtenexperiment met de
runderen. Xenophanes introduceert een nieuw godsbegrip; één god is het belangrijkst en deze
bestiert alles moeiteloos met de kracht van zijn geest, MAAR Xenophanes stelt zelf dat niks zeker is,
bij uitstek op het gebied van de goden. Al kan een andere interpretatie zijn dat alleen Xenophanes
alwetend is en de rest niks zeker kan weten.
Heraclitus van Ephese
Heraclitus is de eerste die het begrip ‘philosophos’ bezigt, letterlijk ‘naar kennis strevend.’ Hij is in
zijn kosmologie uit boven de rest, in de zin dat zijn centrale element een meer abstracte is; de
éénheid van de tegendelen. Deze kunnen elkaar afwisselen en op die manier een eenheid vormen,
maar ze kunnen ook tegelijkertijd werkzaam zijn en juist door hun onderlinge spanning de
werkelijkheid structureren. De antithese wordt wezenlijk een synthese en zo treffen we bij Heraclitus
ethisch-naturalisme aan; beschrijvingen van natuurlijke processen, net als bij Anaximander, in quasi-
morele termen.
De strijd tussen de tegendelen manifesteert zich als vuur, met mate ontvlammend en met mate weer
uitdovend, en geeft eenheid en structuur aan de verandering en de veelheid. Hij spreekt niet van een
oertoestand of een aanname dat alles ooit weer tegelijk vuur zou worden. Deze eenheid-in-strijd,
belichaamd in het vuur, wordt door Heraclitus ook wel ‘god’ genoemd; hij wijkt niet alleen af van de
traditionele religie, maar bekritiseert deze ook (zoals het bidden tot beelden).
2