Adviesrecht (art. 25 WOR)
De bestuurder is degene die beslist (als er advies van OR is), de OR beslist niet. Echter, de OR brengt
in beginsel een advies uit. De Ondernemingskamer beoordeeld of het standpunt van de bestuurder in
redelijkheid te volgen is. Geschillen over adviesrecht komen bij de Ondernemingskamer (Hof
Amsterdam). Als een bedrijf meer dan 50 werkzame personen heeft, moet een OR ingesteld worden.
Als dit niet wordt gedaan, kan je het afdwingen bij de rechter, en verder staan er geen andere
middelen hiertegen open. De OR moet binnen een maand na het besluit de zaak aanhangig maken bij
de OK.
Casus 1: OK 26 juni 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1794
- Ten aanzien van de regierol ondernemer heeft de OK overwogen: ondernemer is primair
verantwoordelijk voor goed verloop van het traject. Ondernemer moet helder en eenduidig
communiceren met OR.
- Ten aanzien van het informatierecht OR heeft de OK overwogen: OR bepaalt welke informatie
nodig is voor behoorlijke vervulling van zijn taak. Ondernemer mag alleen weigeren als
redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan dat informatie niet relevant is.
- In deze casus was geen sprake van een afgesproken deadline, slechts streefdatum. Bij
problemen of vertraging moet de ondernemer heldere nadere afspraken en een nieuw tijdpad
maken. De OK vindt het belangrijk dat het adviestraject moeizaam en vertraagd is door toedoen
van de ondernemer, en dat OR op wezenlijke punten laat en onvolledig geïnformeerd was.
- De conclusie was uiteindelijk dat de redelijke termijn niet was verstreken. De ondernemer had
het (concept)advies moeten afwachten. Ook dat de ondernemer niet in redelijkheid kon komen
tot het besluit. In deze casus is daarom sprake van de bevestiging van de dubbele
redelijkheidstoets:
o Heeft de OR voldoende gelegenheid gehad advies uit te brengen, maar desondanks niet
binnen een redelijke termijn geadviseerd?
o Kon van de ondernemer redelijkerwijs niet worden gevergd langer te wachten?
Casus 2: OK 20 mei 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1299
- In deze casus is geoordeeld dat een fout in voorfase niet fataal is. Het enkele fout dat de OR
alsnog in de gelegenheid is gesteld om advies uit te brengen betekent op zichzelf niet dat dit
advies nog van wezenlijke invloed kon zijn op het te nemen besluit. Omgekeerd brengt de
omstandigheid dat voorafgaand aan het advies al beëindigingsgesprekken met medewerkers
zijn gevoerd niet mee dat al bij voorbaat vaststond dat het advies van de OR niet meer van
wezenlijke invloed kon zijn.
- Volgens de uitspraak Watts is het uitgangspunt voor internationale concerns dat 1) de
ondernemer de OR alle gegevens moet geven die nodig zijn voor een deugdelijk advies, 2)
ondernemer moet zelfstandig beoordelen wat het besluit voor Nederland betekent, 3)
ondernemer moet de belangen van de Nederlandse onderneming afwegen tegen
concernbelang en 4) ondernemer moet dat proces inzichtelijk maken, zowel in adviesaanvraag
als in besluit. Als dit niet wordt gedaan, is de informatievoorziening onvoldoende en daarmee is
het besluit onredelijk.
- De OR moet dus inzicht krijgen 1) waarom juist deze Nederlandse functies, 2) welke
Nederlandse belangen geraakt worden en 3) welke alternatieven bekeken zijn. De ondernemer
kan zich niet verschuilen achter een principieel uitgangspunt.
- De uitgangspunten ten aanzien van personele gevolgen/ sociaal plan bestaat er geen
verplichting tot sociaal plan (maar op cao-afspraken moet je wel letten). Er bestaat echter wel
een adviesrecht over het sociaal plan. Tot slot moet je motiveren als je afwijkt van een eerdere
regeling.
1
, Casus 3: OK 20 mei 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1370
- Deze casus ging over de intrekking van de wijziging medezeggenschapsstructuur.
o De kantonrechter had geoordeeld dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de
instelling van een GemOR bevorderlijk is voor de toepassing van de wet.
o Uit rechtspraak en de wetsgeschiedenis van de WOR volgt dat in ieder geval van belang
is of de verschillende ondernemingen een zodanige samenhang vertonen in aard,
structuur en management dat instelling van een GemOR gerechtvaardigd is. Daarbij
weegt mee of die ondernemingen verwantschap vertonen en een gemeenschappelijk
financieel, strategisch en sociaal beleid voeren, en of de feitelijke en juridische
zeggenschap in dezelfde handen is.
o Ook is van belang dat de medezeggenschapsstructuur zo veel mogelijk moet aansluiten
bij de zeggenschapsstructuur ten aanzien van de betrokken ondernemingen. De
uitoefening van de medezeggenschapsrechten moet plaatsvinden op het niveau waarop
in overwegende mate de zeggenschap wordt uitgeoefend, omdat dat het meest
doelmatig is.
o Uitgangspunt is dat de ondernemer zelf kan beoordelen of het bevorderlijk is voor de
toepassing van de wet.
Gastcollege 2: Reorganisatie in de praktijk
2