Literatuur Pedagogische Praktijkontwikkeling, Onderzoek en Beleid
College 1 Instructiecollege: Bedoeling van de cursus, opzet en inhoud
- Paul Baar (UU) -
- Cursus: opzet, inhoud en organisatie
- Intro eindopdracht: documentenanalyse op effectiviteitspotentie
- Introductie: casus aanpak pestgedrag OCW
Leesvragen (facultatief)
1. Leg in eigen woorden uit wat een ‘Evidence-Based-Practice’ interventie is. In hoeverre
komt jouw omschrijving overeen met die van de cursusliteratuur (Van Yperen et al.,
2017; Van der Zwet et al., 2011)? Evidence-based practice houdt in dat een interventie zowel goed
theoretisch en empirisch onderbouwd wordt vanuit de literatuur, als bewezen effectief is door
experimenten in de praktijk. Het is een combinatie van theorie en praktijkkennis; een aanpak
waarbij professionals in de jeugdhulp systematisch wetenschappelijke kennis combineren met hun
eigen expertise en de voorkeuren en behoeften van cliënten.
2. Noem drie voordelen en drie nadelen om deze werkwijze in de (jeugdhulp)praktijk toe te
passen. Licht deze voor- en nadelen verder toe. Betrek hierbij de inzichten van het
artikel van Van der Zwet (2011) en hoofdstuk 1 van Van Yperen et al. (2017).
Voordelen
- Verhoogde effectiviteit: door gebruik te maken van wetenschappelijk onderbouwde methodes neemt de
kans toe dat interventies daadwerkelijk helpen -> interventies welke beter aansluiten bij de hulpvraag
van jongeren en dus effectiever
- Professionalisering van het werkveld: EBP stimuleert een lerende cultuur waarin professionals
systematisch reflecteren op hun handelen en werken -> kans om de kwaliteit van het werk te
verbeteren
- Verantwoording naar beleid en financiering: EBP maakt de effectiviteit van interventies zichtbaar,
waardoor jeugdhulp beter kan verantwoorden wat ze doen en waarom -> transparantie en resultaat
gericht werken is belangrijk
Nadelen:
- Beperkte beschikbaarheid van bewezen interventies; niet alle hulpvragen hebben evidence-based
antwoord. Het ontwikkelingsproces van effectieve interventies kost veel tijd.
- Professionals voelen weerstand: EBP kan als controlerend ervaren worden, wat weerstand oproept bij
professionals die zich beperkt voelen in het professionele autonomie -> gebrek aan scholing en
ondersteuning
- Risico op verlies van maatwerk: een te strikte toepassing van EBP kan leiden voor het verlies in zicht
op individu, waardoor er minder maatwerk wordt geleverd.
3. Wat is volgens Van Yperen et al. (2017) ‘Resultaatgerichte Ontwikkeling van Interventies’
(RGOi) en wat is volgens hen het belang van een dergelijke praktijkgestuurde manier
van werken? Plaats hierbij ook enkele kanttekeningen RGOI; resultaatgerichte ontwikkeling
van Interventies is een systematische en praktijkgerichte aanpak voor het ontwikkelen en
verbeteren van interventies. Richt zich op het vergroten van effectiviteit van interventies door het
combineren van verschillende kennisbronnen (praktijk, wetenschap en cliënt). Het belang van
RGOI is dat het zorgt dat interventies beter aansluiten bij de complexe en dynamische praktijk in
de jeugdzorg, dat professionals actief worden betrokken bij het ontwerp en de uitvoering, het vraagt
om evaluatie en verhoogt transparantie.
Kanttekeningen: - Tijd- en arbeidsintensief - Behoefte aan ondersteuning en geschoolde professionals
——————————————————————————————————————————
Naar meer effect - van Yperen, Tom; Veerman, J.W; Bijl, Bas
H1 Resultaatgerichte ontwikkeling va interventies *
Een van de belangrijkste vragen is wat we onder ‘evidence based’ of ‘bewezen effectief’ moeten verstaan en hoe we dit
kunnen aantonen.
Er bestaan verschillende opvattingen over wat een effectieve interventie is.
- Praktijkperspectief: effectief als gestelde doelen worden gerealiseerd en cliënten tevreden zijn. (Helpt deze aanpak
in de dagelijkse praktijk?).
,- Beleidsmakers: effectief als jeugdigen in samenleving passende ondersteuning krijgen en zich optimaal
ontwikkelen in participerende burgers.
- Wetenschappelijk perspectief: effectief als het effect door onderzoek is aangetoond, waarbij geen andere factoren in
het spel zijn.
Het debat over effectiviteit heeft een alles-of nietskarakter: mag een interventie pas effectief heten als streng-
wetenschappelijke studies hebben aangetoond dat de aanpak werkzaam is? Praktijk en beleid vinden vaak dat het te lang
duurt tot wetenschappers een uitspraak doen over effectiviteit.
Effectiviteit van interventies
Binnen de jeugdsector speelt al jarenlang de vraag of interventies zoals antipestprogramma’s, antidepressieve
behandelingen of begeleidingsprogramma’s voor jeugdige delinquenten echt effectief zijn. Waar dit onderwerp vroeger
vooral door onderzoekers werd besproken, zijn tegenwoordig ook beleidsmakers, instellingen, gemeenten en cliënten
intensief betrokken. Hoewel het idee van evidence-based werken breed is geaccepteerd, blijkt het lastig om
wetenschappelijke inzichten snel te vertalen naar beleid en praktijk.
Het bepalen van de effectiviteit van interventies is ingewikkeld omdat interventies nooit losstaan van hun context.
Factoren zoals kenmerken van de doelgroep, de omgeving waarin de interventie wordt uitgevoerd en verschillen in
professionaliteit kunnen allemaal invloed hebben op het resultaat. Hierdoor is het moeilijk vast te stellen welke effecten
direct voortkomen uit de interventie zelf.
Resultaatgerichte Ontwikkeling (RGOI)
Om beleid, praktijk en wetenschap dichter bij elkaar te brengen, wordt in dit hoofdstuk de benadering van
Resultaatgerichte Ontwikkeling van Interventies (RGOI) gepresenteerd. Hierbij zijn interventies niet statisch, maar
moeten voortdurend ontwikkeld en verbeterd worden. Praktijkwerkers, beleidsmakers, onderzoekers en cliënten werken
samen om interventies stapsgewijs effectiever te maken. (Door combineren van praktijkervaring, wetenschappelijke
inzichten en terugkoppeling van jeugdigen en ouders).
Wat is een interventie?
Interventies zijn: systematisch uitgewerkte aanpakken die bedoeld zijn om ontwikkeling te bevorderen, risico’s te
verminderen en problemen bij jeugdigen tot 23 jaar aan te pakken. Ze hebben een:
- Duidelijk doel om bij te dragen aan functioneren en welzijn van jeugdigen en ouders
- Omschreven doelgroep
- Theoretische onderbouwing (zijn gebaseerd op verklarende theorie)
- Gestructureerde aanpak, technieken en materialen
Vormen van kennis
Het beoordelen en vormgeven van interventies vraagt om meerdere soorten kennis.
• Wetenschappelijke kennis: bewijs over oorzaken, mechanismen en werkzame elementen.
• Praktijkkennis: hoe interventies in realistische omstandigheden functioneren en welke aanpassingen nodig zijn.
• Cliëntkennis laat zien wat jeugdigen en ouders daadwerkelijk ervaren, welke voorkeuren zij hebben en welke
ondersteuning zij waardevol vinden.
Naast kennis spelen waarden een belangrijke rol. Het gaat niet alleen om de vraag wat werkt, maar ook om wat
wenselijk is. Interventies moeten uitvoerbaar en betaalbaar zijn.
Het werkveld waarin interventies worden toegepast is omvangrijk. Hun werkzaamheden lopen uiteen van signaleren en
begeleiden tot behandelen, ondersteunen en beleidsvorming. De variatie in dit veld maakt het noodzakelijk om
interventies af te stemmen op diverse contexten en doelgroepen.
Betrokken actoren
Binnen de interventieontwikkeling worden vier centrale groepen onderscheiden: praktijkwerkers,
beleidsfunctionarissen, onderzoekers en cliënten. Praktijkwerkers zijn verantwoordelijk voor de uitvoering en
ervaren rechtstreeks welke onderdelen van interventies werken of niet. Beleidsmakers bepalen de voorwaarden en
middelen waaronder interventies kunnen worden ingezet. Onderzoekers leveren theoretische en empirische
onderbouwing. Cliënten brengen hun perspectief in als gebruikers van interventies en geven waardevolle feedback over
hun ervaringen. Alleen door samenwerking tussen deze groepen kan een volledig beeld ontstaan van wat effectief is.
De RGOI-tafel
De samenwerking tussen deze vier partijen wordt weergegeven in de RGOI-tafel. Dit schema
symboliseert dat effectieve interventieontwikkeling slechts kan ontstaan wanneer alle
betrokkenen gelijkwaardig deelnemen aan het proces: wanneer partijen samenwerken en hun
kennis combineren.
1.2 Wat weten we uit effectonderzoek?
Er bestaan internetdatabanken waarin overzichtelijk wordt weergegeven wat er
,wetenschappelijk bekend is over de effectiviteit van interventies: zoals de Databank Effectieve Jeugdinterventies,
In deze databanken wordt vooral gebruikgemaakt van experimenteel onderzoek als de sterkste vorm van bewijs voor
effectiviteit. Daarbij wordt een interventiegroep vergeleken met een controlegroep. Bij willekeurige toewijzing spreekt
men van een RCT (Randomized Controlled Trial). Zonder willekeurige toewijzing heet dit een quasi-experimenteel
onderzoek.
Effectonderzoek naar preventie
Internationaal onderzoek laat zien dat preventie meestal werkt en vaak kosten bespaart.
Toch horen bij dit positieve beeld enkele belangrijke kanttekeningen.
• Ten eerste is veel onderzoek internationaal uitgevoerd, terwijl Nederlandse studies nog schaars zijn.
• Ten tweede voldoet een deel van het Nederlandse onderzoek niet aan de strikte eisen van experimentele
onderzoeksopzetten. Daardoor kan het wetenschappelijke bewijs kritisch worden beoordeeld.
• Ten derde zijn de kosten van enkele preventieprogramma’s, zoals het vaccinatieprogramma, goed bekend, maar voor
veel andere preventieactiviteiten is dit nog onvoldoende inzichtelijk.
Effectonderzoek naar jeugdhulp
Ook jeugdhulpinterventies blijken gemiddeld genomen effectief. Effectiviteit wordt in onderzoek vaak aangeduid met
de effect size.
- Studies waarin interventies worden vergeleken met niet-behandelde controlegroepen laten middelgrote-grote effecten
zien (tussen 0,50 en 0,80, gemiddelde rond 0,70). Dit wordt gezien als een middelgroot effect.
Daarnaast tonen overzichtsstudies en meta-analyses steeds beter welke interventies voor welke problemen bewezen
effectief zijn. Er bestaan duidelijke overzichten van effectieve behandelingen voor onder meer ADHD, angst en
depressie, gedragsproblemen, multiprobleemgezinnen en residentiële jeugdhulp.
- Voorbeelden: cognitieve gedragstherapie, oudertraining, Treatment Foster Care en Multi Systeem Therapie.
Internationale overzichtsstudies geven aan dat het inzetten van evidence-based interventies de effectiviteit van de
gebruikelijke zorg verbetert. Deze verbeteringen zijn gemiddeld klein (effect size van ongeveer 0,30), maar wel
aantoonbaar.
Kanttekeningen bij effectonderzoek jeugdhulp
Ondanks deze positieve bevindingen zijn er ook hier belangrijke kanttekeningen.
1. Ten eerste wordt veel effectonderzoek in het buitenland uitgevoerd bij enkelvoudige problemen, terwijl cliënten in
de praktijk vaak met combinaties van problemen kampen.
2. Ten tweede is het aantal interventies dat in de praktijk wordt uitgevoerd en tevens bewezen effectief is, zeer klein
vergeleken met het totale aantal interventies.
3. Ten derde geldt dat evidence-based interventies weliswaar effectiever zijn dan de gebruikelijke zorg, maar dat de
winst relatief klein is.
4. Ten vierde vereist goed effectonderzoek een duidelijke specificatie van de doelgroep, de interventie en de gewenste
uitkomsten. (Ze zijn nog onvoldoende uitgewerkt voor experimenteel onderzoek)
1.3 Naar Resultaatgerichte Ontwikkeling van interventies (RGOi)
Het opvullen van de kennislacune is nooit een doel op zichzelf. Het uiteindelijke doel is om bij te dragen aan een
gezond, veilig en kansrijk opgroeien van jeugdigen.
Hiervoor gebruiken de auteurs een kwaliteitsmodel die bestaat uit zes
onderdelen, die hieronder worden toegelicht:
1. De staat van de jeugd als basis
Het jeugdbeleid van een gemeente moet eerst zicht hebben op hoe het
met de jeugd gaat, en waar problemen voordoen. Er worden ambities
geformuleerd: doelen waar de gemeente naartoe wil werken en die
richting geven aan het beleid.
2. Vertaling naar maatschappelijke doelen
De ambities van de gemeente moeten worden omgezet in concrete
doelen, gericht op maatschappelijke resultaten (ook wel outcome of
impact genoemd). (Bijvoorbeeld: vergroten van sportdeelname)
3. Rol van voorzieningen en burgers
Om deze doelen te bereiken, spelen burgers en jeugdvoorzieningen
een cruciale rol. Er spelen verschillende voorzieningen een rol
(onderwijs, preventieve voorzieningen, gespecialiseerde jeugdhulp)
4. Eisen aan de input-kant
Om te vergroten dat voorzieningen bijdragen aan het behalen van de doelen, zijn er eisen aan de input. Dit omvat onder
andere de beschikbaarheid van effectieve, evidence-based interventies, het stellen van kwaliteitseisen aan opleiding en
competenties van professionals en het certificeren van organisaties.
, 5. Meten van resultaten
Het gaat dan om zaken als uitval, tevredenheid van cliënten, doelrealisatie, vaardigheidstoename en afname van
problematiek. De gedachte hierbij is: hoe beter de resultaten op dit directe niveau, hoe groter de kans dat de beoogde
maatschappelijke doelen worden bereikt.
6. Verbeteracties: meten, spreken, verbeteren
De kern van het model is dat het ontwikkelen en onderhouden van een effectief aanbod een doorlopend proces is van
meten, bespreken en verbeteren.
Het model laat twee belangrijke zaken zien over het dichten van de kennislacune rondom effectiviteit van interventies:
1. De kennis moet uiteindelijk leiden tot betere uitkomsten voor cliënten en daarmee tot het realiseren van de beoogde
maatschappelijke resultaten.
2. De kennis over effectieve interventies is nooit af; het is een voortdurend proces waarbij bestaande kennis wordt
ingebracht en via de meet-, spreek- en verbeterbeweging voortdurend nieuwe kennis wordt opgebouwd.
Twee wegen naar het opvullen van de kennislacune
1. Top-down: evidence-based interventies implementeren
De eerste weg is het breed in de praktijk implementeren van evidence-based interventies, om vervolgens te onderzoeken
hoe goed deze werken wanneer ze op grote schaal worden toegepast. Deze benadering vraagt om sterke investeringen in
de input-kant van de verbeterbeweging. Het doel is om tot meer evidence-based practice te komen.
2. Bottom-up: praktijkinterventies onderbouwen
De tweede weg is het bottom-up ontwikkelen van de interventies die nu al in de praktijk worden gebruikt. Dit sluit
direct aan bij de realiteit: dagelijks worden er talloze interventies uitgevoerd, en juist daarvan moeten we leren als het
gaat om effectiviteit. Doel is het creëren van practice-based evidence.
Beide wegen zijn waardevol én begaanbaar.
De tweede weg, beginnen bij wat er al is, wordt nog te weinig benut, maar kan in de periode waarin de perfecte
wetenschappelijke onderbouwing nog ontbreekt. De bewijsvoering is minder hard, maar kan toch waardevolle kennis
opleveren. Dit soort onderzoek wordt ook wel practice-based, patient-focused of practice-driven genoemd.
Leidende principes van RGOi
De Resultaatgerichte Ontwikkeling van interventies (RGOi) wordt gezien als een gezamenlijk zoekproces van
praktijkwerkers, instellingsfunctionarissen en beleidsfunctionarissen, ondersteund door onderzoekers en met actieve
betrokkenheid van cliënten. In dit proces worden werkwijzen uit de praktijk expliciet beschreven, theoretisch
onderbouwd en via uitkomstenmonitoring en gerichter effectonderzoek empirisch ondersteund. De bedoeling hiervan is
om de preventie en jeugdhulp stap voor stap te verbeteren. RGOi heeft dus als doel to make things better, waarbij alle
betrokken actoren belang hebben bij zowel het expliciteren van werkwijzen als het monitoren van de uitkomsten.
Binnen deze ontwikkeling worden vier leidende principes onderscheiden:
1. Aansluiting
- Het eerste principe is dat RGOi moet aansluiten bij het ontwikkelingsniveau van de interventie. Dat niveau bepaalt
welke activiteiten nodig zijn in het zoekproces. Wanneer een interventie onvoldoende beschreven is/
geentheoretische basis heeft, is het niet zinvol om al een experimenteel onderzoek uit te voeren.
- RGOi moet daarnaast aansluiten bij de context van de organisatie. Wanneer er al een cultuur bestaat waarin meten en
monitoren normaal is, heeft RGOi een vruchtbare voedingsbodem. Als deze cultuur ontbreekt, moet eerst worden
gewerkt aan voldoende onderzoeksrijpheid en onderzoeksbereidheid van de praktijk.
2. Inbedding
Het bepalen van resultaten is geen extra taak die apart bovenop het werk komt, maar hoort bij het methodisch werken in
de praktijk. Dit betekent dat reflectie op handelen, het gebruik van meetinstrumenten en het gezamenlijk bespreken van
resultaten ingebed zijn in het dagelijkse werk van professionals. Resultaten meten hoort bij het dagelijkse werk van
professionals en instellingen.
3. Benutting
Resultaten mogen niet ongebruikt in een bureaulade verdwijnen. De verzamelde gegevens moeten benut worden
Vier vragen staan hierin centraal:
1. Zijn de resultaten te herkennen/herkenbaar?
2. Kunnen we deze resultaten begrijpen?
3. Zijn de resultaten goed genoeg?
4. Welke verbeteracties zijn nodig?
4. Samenwerking
Het vierde principe is dat RGOi altijd een gezamenlijk zoekproces is van cliënten, praktijkwerkers, instellingen,
beleidsmakers en onderzoekers.
College 1 Instructiecollege: Bedoeling van de cursus, opzet en inhoud
- Paul Baar (UU) -
- Cursus: opzet, inhoud en organisatie
- Intro eindopdracht: documentenanalyse op effectiviteitspotentie
- Introductie: casus aanpak pestgedrag OCW
Leesvragen (facultatief)
1. Leg in eigen woorden uit wat een ‘Evidence-Based-Practice’ interventie is. In hoeverre
komt jouw omschrijving overeen met die van de cursusliteratuur (Van Yperen et al.,
2017; Van der Zwet et al., 2011)? Evidence-based practice houdt in dat een interventie zowel goed
theoretisch en empirisch onderbouwd wordt vanuit de literatuur, als bewezen effectief is door
experimenten in de praktijk. Het is een combinatie van theorie en praktijkkennis; een aanpak
waarbij professionals in de jeugdhulp systematisch wetenschappelijke kennis combineren met hun
eigen expertise en de voorkeuren en behoeften van cliënten.
2. Noem drie voordelen en drie nadelen om deze werkwijze in de (jeugdhulp)praktijk toe te
passen. Licht deze voor- en nadelen verder toe. Betrek hierbij de inzichten van het
artikel van Van der Zwet (2011) en hoofdstuk 1 van Van Yperen et al. (2017).
Voordelen
- Verhoogde effectiviteit: door gebruik te maken van wetenschappelijk onderbouwde methodes neemt de
kans toe dat interventies daadwerkelijk helpen -> interventies welke beter aansluiten bij de hulpvraag
van jongeren en dus effectiever
- Professionalisering van het werkveld: EBP stimuleert een lerende cultuur waarin professionals
systematisch reflecteren op hun handelen en werken -> kans om de kwaliteit van het werk te
verbeteren
- Verantwoording naar beleid en financiering: EBP maakt de effectiviteit van interventies zichtbaar,
waardoor jeugdhulp beter kan verantwoorden wat ze doen en waarom -> transparantie en resultaat
gericht werken is belangrijk
Nadelen:
- Beperkte beschikbaarheid van bewezen interventies; niet alle hulpvragen hebben evidence-based
antwoord. Het ontwikkelingsproces van effectieve interventies kost veel tijd.
- Professionals voelen weerstand: EBP kan als controlerend ervaren worden, wat weerstand oproept bij
professionals die zich beperkt voelen in het professionele autonomie -> gebrek aan scholing en
ondersteuning
- Risico op verlies van maatwerk: een te strikte toepassing van EBP kan leiden voor het verlies in zicht
op individu, waardoor er minder maatwerk wordt geleverd.
3. Wat is volgens Van Yperen et al. (2017) ‘Resultaatgerichte Ontwikkeling van Interventies’
(RGOi) en wat is volgens hen het belang van een dergelijke praktijkgestuurde manier
van werken? Plaats hierbij ook enkele kanttekeningen RGOI; resultaatgerichte ontwikkeling
van Interventies is een systematische en praktijkgerichte aanpak voor het ontwikkelen en
verbeteren van interventies. Richt zich op het vergroten van effectiviteit van interventies door het
combineren van verschillende kennisbronnen (praktijk, wetenschap en cliënt). Het belang van
RGOI is dat het zorgt dat interventies beter aansluiten bij de complexe en dynamische praktijk in
de jeugdzorg, dat professionals actief worden betrokken bij het ontwerp en de uitvoering, het vraagt
om evaluatie en verhoogt transparantie.
Kanttekeningen: - Tijd- en arbeidsintensief - Behoefte aan ondersteuning en geschoolde professionals
——————————————————————————————————————————
Naar meer effect - van Yperen, Tom; Veerman, J.W; Bijl, Bas
H1 Resultaatgerichte ontwikkeling va interventies *
Een van de belangrijkste vragen is wat we onder ‘evidence based’ of ‘bewezen effectief’ moeten verstaan en hoe we dit
kunnen aantonen.
Er bestaan verschillende opvattingen over wat een effectieve interventie is.
- Praktijkperspectief: effectief als gestelde doelen worden gerealiseerd en cliënten tevreden zijn. (Helpt deze aanpak
in de dagelijkse praktijk?).
,- Beleidsmakers: effectief als jeugdigen in samenleving passende ondersteuning krijgen en zich optimaal
ontwikkelen in participerende burgers.
- Wetenschappelijk perspectief: effectief als het effect door onderzoek is aangetoond, waarbij geen andere factoren in
het spel zijn.
Het debat over effectiviteit heeft een alles-of nietskarakter: mag een interventie pas effectief heten als streng-
wetenschappelijke studies hebben aangetoond dat de aanpak werkzaam is? Praktijk en beleid vinden vaak dat het te lang
duurt tot wetenschappers een uitspraak doen over effectiviteit.
Effectiviteit van interventies
Binnen de jeugdsector speelt al jarenlang de vraag of interventies zoals antipestprogramma’s, antidepressieve
behandelingen of begeleidingsprogramma’s voor jeugdige delinquenten echt effectief zijn. Waar dit onderwerp vroeger
vooral door onderzoekers werd besproken, zijn tegenwoordig ook beleidsmakers, instellingen, gemeenten en cliënten
intensief betrokken. Hoewel het idee van evidence-based werken breed is geaccepteerd, blijkt het lastig om
wetenschappelijke inzichten snel te vertalen naar beleid en praktijk.
Het bepalen van de effectiviteit van interventies is ingewikkeld omdat interventies nooit losstaan van hun context.
Factoren zoals kenmerken van de doelgroep, de omgeving waarin de interventie wordt uitgevoerd en verschillen in
professionaliteit kunnen allemaal invloed hebben op het resultaat. Hierdoor is het moeilijk vast te stellen welke effecten
direct voortkomen uit de interventie zelf.
Resultaatgerichte Ontwikkeling (RGOI)
Om beleid, praktijk en wetenschap dichter bij elkaar te brengen, wordt in dit hoofdstuk de benadering van
Resultaatgerichte Ontwikkeling van Interventies (RGOI) gepresenteerd. Hierbij zijn interventies niet statisch, maar
moeten voortdurend ontwikkeld en verbeterd worden. Praktijkwerkers, beleidsmakers, onderzoekers en cliënten werken
samen om interventies stapsgewijs effectiever te maken. (Door combineren van praktijkervaring, wetenschappelijke
inzichten en terugkoppeling van jeugdigen en ouders).
Wat is een interventie?
Interventies zijn: systematisch uitgewerkte aanpakken die bedoeld zijn om ontwikkeling te bevorderen, risico’s te
verminderen en problemen bij jeugdigen tot 23 jaar aan te pakken. Ze hebben een:
- Duidelijk doel om bij te dragen aan functioneren en welzijn van jeugdigen en ouders
- Omschreven doelgroep
- Theoretische onderbouwing (zijn gebaseerd op verklarende theorie)
- Gestructureerde aanpak, technieken en materialen
Vormen van kennis
Het beoordelen en vormgeven van interventies vraagt om meerdere soorten kennis.
• Wetenschappelijke kennis: bewijs over oorzaken, mechanismen en werkzame elementen.
• Praktijkkennis: hoe interventies in realistische omstandigheden functioneren en welke aanpassingen nodig zijn.
• Cliëntkennis laat zien wat jeugdigen en ouders daadwerkelijk ervaren, welke voorkeuren zij hebben en welke
ondersteuning zij waardevol vinden.
Naast kennis spelen waarden een belangrijke rol. Het gaat niet alleen om de vraag wat werkt, maar ook om wat
wenselijk is. Interventies moeten uitvoerbaar en betaalbaar zijn.
Het werkveld waarin interventies worden toegepast is omvangrijk. Hun werkzaamheden lopen uiteen van signaleren en
begeleiden tot behandelen, ondersteunen en beleidsvorming. De variatie in dit veld maakt het noodzakelijk om
interventies af te stemmen op diverse contexten en doelgroepen.
Betrokken actoren
Binnen de interventieontwikkeling worden vier centrale groepen onderscheiden: praktijkwerkers,
beleidsfunctionarissen, onderzoekers en cliënten. Praktijkwerkers zijn verantwoordelijk voor de uitvoering en
ervaren rechtstreeks welke onderdelen van interventies werken of niet. Beleidsmakers bepalen de voorwaarden en
middelen waaronder interventies kunnen worden ingezet. Onderzoekers leveren theoretische en empirische
onderbouwing. Cliënten brengen hun perspectief in als gebruikers van interventies en geven waardevolle feedback over
hun ervaringen. Alleen door samenwerking tussen deze groepen kan een volledig beeld ontstaan van wat effectief is.
De RGOI-tafel
De samenwerking tussen deze vier partijen wordt weergegeven in de RGOI-tafel. Dit schema
symboliseert dat effectieve interventieontwikkeling slechts kan ontstaan wanneer alle
betrokkenen gelijkwaardig deelnemen aan het proces: wanneer partijen samenwerken en hun
kennis combineren.
1.2 Wat weten we uit effectonderzoek?
Er bestaan internetdatabanken waarin overzichtelijk wordt weergegeven wat er
,wetenschappelijk bekend is over de effectiviteit van interventies: zoals de Databank Effectieve Jeugdinterventies,
In deze databanken wordt vooral gebruikgemaakt van experimenteel onderzoek als de sterkste vorm van bewijs voor
effectiviteit. Daarbij wordt een interventiegroep vergeleken met een controlegroep. Bij willekeurige toewijzing spreekt
men van een RCT (Randomized Controlled Trial). Zonder willekeurige toewijzing heet dit een quasi-experimenteel
onderzoek.
Effectonderzoek naar preventie
Internationaal onderzoek laat zien dat preventie meestal werkt en vaak kosten bespaart.
Toch horen bij dit positieve beeld enkele belangrijke kanttekeningen.
• Ten eerste is veel onderzoek internationaal uitgevoerd, terwijl Nederlandse studies nog schaars zijn.
• Ten tweede voldoet een deel van het Nederlandse onderzoek niet aan de strikte eisen van experimentele
onderzoeksopzetten. Daardoor kan het wetenschappelijke bewijs kritisch worden beoordeeld.
• Ten derde zijn de kosten van enkele preventieprogramma’s, zoals het vaccinatieprogramma, goed bekend, maar voor
veel andere preventieactiviteiten is dit nog onvoldoende inzichtelijk.
Effectonderzoek naar jeugdhulp
Ook jeugdhulpinterventies blijken gemiddeld genomen effectief. Effectiviteit wordt in onderzoek vaak aangeduid met
de effect size.
- Studies waarin interventies worden vergeleken met niet-behandelde controlegroepen laten middelgrote-grote effecten
zien (tussen 0,50 en 0,80, gemiddelde rond 0,70). Dit wordt gezien als een middelgroot effect.
Daarnaast tonen overzichtsstudies en meta-analyses steeds beter welke interventies voor welke problemen bewezen
effectief zijn. Er bestaan duidelijke overzichten van effectieve behandelingen voor onder meer ADHD, angst en
depressie, gedragsproblemen, multiprobleemgezinnen en residentiële jeugdhulp.
- Voorbeelden: cognitieve gedragstherapie, oudertraining, Treatment Foster Care en Multi Systeem Therapie.
Internationale overzichtsstudies geven aan dat het inzetten van evidence-based interventies de effectiviteit van de
gebruikelijke zorg verbetert. Deze verbeteringen zijn gemiddeld klein (effect size van ongeveer 0,30), maar wel
aantoonbaar.
Kanttekeningen bij effectonderzoek jeugdhulp
Ondanks deze positieve bevindingen zijn er ook hier belangrijke kanttekeningen.
1. Ten eerste wordt veel effectonderzoek in het buitenland uitgevoerd bij enkelvoudige problemen, terwijl cliënten in
de praktijk vaak met combinaties van problemen kampen.
2. Ten tweede is het aantal interventies dat in de praktijk wordt uitgevoerd en tevens bewezen effectief is, zeer klein
vergeleken met het totale aantal interventies.
3. Ten derde geldt dat evidence-based interventies weliswaar effectiever zijn dan de gebruikelijke zorg, maar dat de
winst relatief klein is.
4. Ten vierde vereist goed effectonderzoek een duidelijke specificatie van de doelgroep, de interventie en de gewenste
uitkomsten. (Ze zijn nog onvoldoende uitgewerkt voor experimenteel onderzoek)
1.3 Naar Resultaatgerichte Ontwikkeling van interventies (RGOi)
Het opvullen van de kennislacune is nooit een doel op zichzelf. Het uiteindelijke doel is om bij te dragen aan een
gezond, veilig en kansrijk opgroeien van jeugdigen.
Hiervoor gebruiken de auteurs een kwaliteitsmodel die bestaat uit zes
onderdelen, die hieronder worden toegelicht:
1. De staat van de jeugd als basis
Het jeugdbeleid van een gemeente moet eerst zicht hebben op hoe het
met de jeugd gaat, en waar problemen voordoen. Er worden ambities
geformuleerd: doelen waar de gemeente naartoe wil werken en die
richting geven aan het beleid.
2. Vertaling naar maatschappelijke doelen
De ambities van de gemeente moeten worden omgezet in concrete
doelen, gericht op maatschappelijke resultaten (ook wel outcome of
impact genoemd). (Bijvoorbeeld: vergroten van sportdeelname)
3. Rol van voorzieningen en burgers
Om deze doelen te bereiken, spelen burgers en jeugdvoorzieningen
een cruciale rol. Er spelen verschillende voorzieningen een rol
(onderwijs, preventieve voorzieningen, gespecialiseerde jeugdhulp)
4. Eisen aan de input-kant
Om te vergroten dat voorzieningen bijdragen aan het behalen van de doelen, zijn er eisen aan de input. Dit omvat onder
andere de beschikbaarheid van effectieve, evidence-based interventies, het stellen van kwaliteitseisen aan opleiding en
competenties van professionals en het certificeren van organisaties.
, 5. Meten van resultaten
Het gaat dan om zaken als uitval, tevredenheid van cliënten, doelrealisatie, vaardigheidstoename en afname van
problematiek. De gedachte hierbij is: hoe beter de resultaten op dit directe niveau, hoe groter de kans dat de beoogde
maatschappelijke doelen worden bereikt.
6. Verbeteracties: meten, spreken, verbeteren
De kern van het model is dat het ontwikkelen en onderhouden van een effectief aanbod een doorlopend proces is van
meten, bespreken en verbeteren.
Het model laat twee belangrijke zaken zien over het dichten van de kennislacune rondom effectiviteit van interventies:
1. De kennis moet uiteindelijk leiden tot betere uitkomsten voor cliënten en daarmee tot het realiseren van de beoogde
maatschappelijke resultaten.
2. De kennis over effectieve interventies is nooit af; het is een voortdurend proces waarbij bestaande kennis wordt
ingebracht en via de meet-, spreek- en verbeterbeweging voortdurend nieuwe kennis wordt opgebouwd.
Twee wegen naar het opvullen van de kennislacune
1. Top-down: evidence-based interventies implementeren
De eerste weg is het breed in de praktijk implementeren van evidence-based interventies, om vervolgens te onderzoeken
hoe goed deze werken wanneer ze op grote schaal worden toegepast. Deze benadering vraagt om sterke investeringen in
de input-kant van de verbeterbeweging. Het doel is om tot meer evidence-based practice te komen.
2. Bottom-up: praktijkinterventies onderbouwen
De tweede weg is het bottom-up ontwikkelen van de interventies die nu al in de praktijk worden gebruikt. Dit sluit
direct aan bij de realiteit: dagelijks worden er talloze interventies uitgevoerd, en juist daarvan moeten we leren als het
gaat om effectiviteit. Doel is het creëren van practice-based evidence.
Beide wegen zijn waardevol én begaanbaar.
De tweede weg, beginnen bij wat er al is, wordt nog te weinig benut, maar kan in de periode waarin de perfecte
wetenschappelijke onderbouwing nog ontbreekt. De bewijsvoering is minder hard, maar kan toch waardevolle kennis
opleveren. Dit soort onderzoek wordt ook wel practice-based, patient-focused of practice-driven genoemd.
Leidende principes van RGOi
De Resultaatgerichte Ontwikkeling van interventies (RGOi) wordt gezien als een gezamenlijk zoekproces van
praktijkwerkers, instellingsfunctionarissen en beleidsfunctionarissen, ondersteund door onderzoekers en met actieve
betrokkenheid van cliënten. In dit proces worden werkwijzen uit de praktijk expliciet beschreven, theoretisch
onderbouwd en via uitkomstenmonitoring en gerichter effectonderzoek empirisch ondersteund. De bedoeling hiervan is
om de preventie en jeugdhulp stap voor stap te verbeteren. RGOi heeft dus als doel to make things better, waarbij alle
betrokken actoren belang hebben bij zowel het expliciteren van werkwijzen als het monitoren van de uitkomsten.
Binnen deze ontwikkeling worden vier leidende principes onderscheiden:
1. Aansluiting
- Het eerste principe is dat RGOi moet aansluiten bij het ontwikkelingsniveau van de interventie. Dat niveau bepaalt
welke activiteiten nodig zijn in het zoekproces. Wanneer een interventie onvoldoende beschreven is/
geentheoretische basis heeft, is het niet zinvol om al een experimenteel onderzoek uit te voeren.
- RGOi moet daarnaast aansluiten bij de context van de organisatie. Wanneer er al een cultuur bestaat waarin meten en
monitoren normaal is, heeft RGOi een vruchtbare voedingsbodem. Als deze cultuur ontbreekt, moet eerst worden
gewerkt aan voldoende onderzoeksrijpheid en onderzoeksbereidheid van de praktijk.
2. Inbedding
Het bepalen van resultaten is geen extra taak die apart bovenop het werk komt, maar hoort bij het methodisch werken in
de praktijk. Dit betekent dat reflectie op handelen, het gebruik van meetinstrumenten en het gezamenlijk bespreken van
resultaten ingebed zijn in het dagelijkse werk van professionals. Resultaten meten hoort bij het dagelijkse werk van
professionals en instellingen.
3. Benutting
Resultaten mogen niet ongebruikt in een bureaulade verdwijnen. De verzamelde gegevens moeten benut worden
Vier vragen staan hierin centraal:
1. Zijn de resultaten te herkennen/herkenbaar?
2. Kunnen we deze resultaten begrijpen?
3. Zijn de resultaten goed genoeg?
4. Welke verbeteracties zijn nodig?
4. Samenwerking
Het vierde principe is dat RGOi altijd een gezamenlijk zoekproces is van cliënten, praktijkwerkers, instellingen,
beleidsmakers en onderzoekers.