MODULE 1 – De gezonde start
Week 1
Belangrijkste begrippen met betrekking tot gezondheid en ziekte:
Gezondheid = het kunnen aapassen en controle kunnen houden over je eigen gezondheid;
fysiek (kunnen functioneren, voor jezelf zorgen), emotioneel (emoties begrijpen, verwerken
en mee om gaan) en sociaal (relaties kunnen onderhouden en kunnen communiceren).
Ziekte = verstoring van de homeostase in het lichaam.
Homeostase = constant houden van het inwendig milieu (bv: pH, temperatuur,
samenstelling van het bloed, vochtgehalte in het lichaam, etc.)
Geneeskundige benadering van homeostase = verstoring van het evenwicht in gehele
mens zowel lichamelijk, psychisch, sociaal als spiritueel.
Veelgebruikte begrippen in de pathologie:
- Anatomie = bouw en structuur van het lichaam.
- Complicaties = onverwachte bijkomende aandoeningen in het beloop of bij de
behandeling.
- Diagnostiek = geneeskundig onderzoek; oorzaak van de aandoening wordt
vastgesteld.
- Epidemiologie = studie van het voorkomen van ziekte bij de rest van bevolking.
- Etiologie = studie van oorzaken van de ziekte.
- Fysiologie = het normaal functioneren van het lichaam.
- Pathogenese = proces wat leidt tot ziekte.
- Pathofysiologie = proces wat leidt tot ziekte en het effect van die ziekte op het
functioneren van het lichaam.
- Pathologie = studie van ziekten.
- Preventie = maatregelen om ziekte te voorkomen.
- Prognose = verwachting van het ziektebeloop.
- Risicofactoren = factoren die de kans op een bepaalde aandoeningen vergroten.
- Symptomen = klachten en verschijnselen van een bepaalde aandoening.
- Therapie = behandeling van de ziekte of aandoening.
Verschillende visies op gezondheid:
Medische visie = afwezigheid van ziekte of een lichamelijk gebrek.
Iemand met een gebroken been wordt gezien als ziek, want heeft een lichamelijk
gebrek. Behandeling is gericht op herstel.
Biologische visie = lichaam moet in staat zijn om onder wisselende omstandigheden de
interne balans (homeostase) te behouden.
Wanneer iemand een infectie op loopt, zal het lichaam deze bestrijden door middel
van koorts. De andere functies van het lichaam blijven wel in balans.
,Psychologische visie = vermogen om eigen doelen na te streven en psychologische
behoeften (basisbehoeften om je mentaal en emotioneel goed te voelen) vervullen.
Iemand kan zich depressief voelen, maar toch persoonlijke doelen nastreven en
sociale contacten behouden. Deze persoon is psychologisch gezond.
Sociale visie = vermogen om te kunnen functioneren binnen de normen en waarden van de
samenleving en sociale rollen (gezin, werk, vriendschap) kunnen vervullen.
Persoon met fysieke beperkingen, met ondersteunende omgeving, waardoor hij kan
blijven deelnemen aan sociale activiteiten wordt als gezond beschouwd.
Multicausale visie = gezondheid is een combinatie van fysieke, mentale en sociale aspecten.
Iemand met diabetes wordt niet alleen behandeld voor de bloedsuikerspiegel. Er
wordt ook gekeken naar de levensstijl, stress (psychologisch) en sociale omgeving.
Dynamische visie = vermogen om aan te kunnen passen aan interne (binnen persoon:
gezondheidsprobleem, aanpassing levensstijl) en externe (buiten persoon: verlies baan,
woningomstandigheden, sociale druk) verandering en daarbij balans te houden.
Iemand die na een knieoperatie zijn sportactiviteiten moet passen naar andere
vormen van beweging om zo te kunnen sporten, is volgens deze visie gezond.
Positieve gezondheid = vermogen om de regie (controle) over het eigen leven te voeren,
ondanks fysieke, mentale en sociale uitdagingen.
Iemand met een chronische ziekte die actief betrokken blijft bij de samenleving en
zijn leven in eigen handen houdt, wordt als gezond beschouwd.
Week 2
Opbouw en functies van een cel:
Celmembraan: afgrenzing, isolatie en het in- en uitgaan van stoffen.
Opbouw: dubbele laag fosfolipiden met eiwitten.
Cytoplasma: vloeistof waarin de celorganellen/celorganen zitten.
Opbouw: gelachtige substantie, bevat organellen.
Ribosomen: eiwitproductie.
Opbouw: kleine deeltjes die bestaan uit RNA en eiwitten.
Celkern: erfelijkheidsmateriaal (DNA); regulatie metabolisme en eiwit aanmaak.
Opbouw: dubbele kernmembraan, bevat chromosomen.
(ruw) endoplasmatisch reticulum: eiwitten maken, opnemen, verwerken en vervoeren.
Opbouw: netwerk van membranen.
Golgi-apparaat: verpakkingsmachine voor transport; aanpassing celmembraan.
Opbouw: stapel platte membranen.
Lysosomen: afbreken van overbodig/oud materiaal.
Opbouw: kleine blaasjes gevuld met enzymen.
Mitochondriën: energiecentrale; maakt energiepakketjes (ATP) voor de cel.
Opbouw: dubbel membraan met eigen DNA.
Cytoskelet: geeft cel zijn structuur, helpt bij beweging en bij transport van organellen.
, Opbouw: netwerk van eiwitten (microfilamenten en microtubili).
Verschillende niveaus van het menselijk lichaam:
Chemisch organisatieniveaus (microscopisch) = kleinste stabiele bouwstenen van de materie.
Komen samen om basisstructuren van alle stoffen in ons lichaam te vormen.
Moleculen en atomen.
Cellulaire organisatieniveau (celniveau) = verschillende moleculen vertonen interactie, zodat
grotere structuren ontstaan. Elk type heeft een specifieke functie in een cel.
Hart: vertoont verschillende typen eiwitfilamenten interacties die leiden tot de
contracties van de spiercellen.
Weefselniveau (weefsel) = bestaat uit cellen van hetzelfde type die samenwerken om een
specifieke functie uit te kunnen voeren.
Hartspiercellen vormen hartspierweefsel.
Orgaaniveau (orgaan) = bestaat uit 2 of meer verschillende weefsels die samenwerken om
een specifieke functie uit te kunnen voeren.
Hart: wanden bestaan uit lagen hartspierweefsel en andere soorten weefsels.
Orgaanstelselniveau (orgaanstelsel) = waar organen in samenwerken. Wanneer het hart
samentrekt, wordt het bloed in een netwerk van bloedvaten gepompt.
Bloedvatenstelsel: vormt het hart, bloed en bloedvaten.
Organismeniveau (macroscopisch) = alle orgaanstelsels in het lichaam werken samen om het
leven en de gezondheid in stand te houden.
Orgaanstelsels van de mens (11):
Huid = beschermt het lichaam tegen gevaren vanuit de omgeving. Helpt met het reguleren
van de lichaamstemperatuur.
Haar, huid en nagels.
Beenderstelsel = biedt ondersteuning. Beschermt weefsel, opslagplaats voor mineralen en
vormt bloedcellen.
Axiaal skelet (schedel, borstbeen, ribben, wervels en heiligbeen) en beenderen van
de ledematen (sleutelbeen en schouderblad, bekken en beenderen van het been).
Spierstelsel = levert beweging. Biedt bescherming en steun voor andere weefsels en
produceert warmte.
Axiale spieren (stabiliteit en beweging van romp: nek-, ademhalings-, rugspieren,
etc.), spieren van ledematen, pezen en gewrichtsbanden.
Zenuwstelsel = maakt onmiddellijke reactie op prikkels mogelijk. Door het coördineren van
activiteiten van andere orgaanstelsels. Leveren en interpreteren van sensorische informatie
over interne en externe omstandigheden.
Perifeer zenuwstelsel (perifere zenuwen) en centrale zenuwstelsel (hersenen en
ruggenmerg).
Endocriene stelsel = reguleert langdurige veranderingen in de activiteit andere
orgaanstelsels.
, Bijschildklieren, thymus, bijnieren, ovaria (vrouw)/testes (man), pancreas, schildklier,
hypofyse en epifyse.
Cardiovasculaire stelsel = transporteert cellen en opgeloste stoffen, waaronder
voedingsstoffen, afvalstoffen, zuurstof en koolstofdioxide.
Hart, arterie (slagader), vene (ader) en capillairen (haarvaten).
Lymfestelsel = tegengaan infecties en terugkeer weefselvocht naar bloedsomloop.
Thymus, lymfeknopen, milt en lymfevaten.
Ademhalingsstelsel = vervoert lucht naar plaatsen in de longen waar gaswisseling plaatsvindt
tussen de lucht en de bloedcirculatie. Produceert geluid voor communicatie.
Farynx, trachea, long, diafragma, neusholte, sinus, larynx en bronchi.
Spijsverteringsstelsel = verwerkt voedsel, opnemen voedingsstoffen en verwijdert
afvalstoffen.
Farynx, slokdarm, lever, galblaas, dunne dram, rectum, speekselklieren,
mond/gebit/tong, maag en dikke darm.
Urinaire stelsel = verwijdert afvalproducten uit het bloed. Reguleert de waterbalans door het
volume van de geproduceerde urine te reguleren.
Blaas, urethra, nier en ureter.
Voortplantingsstelsel
Mannelijk = produceert geslachtscellen en hormonen.
Prostaat, zaadblaasje, ductus deferens, urethra, bijbal, zaadbal, penis, scrotum.
Vrouwelijk = vormt vrouwelijke geslachtscellen (oöcyten of onrijpe eicellen), produceert
hormonen, ondersteunt embryonale en foetale ontwikkeling van bevruchting tot geboorte.
Melkklieren, eileider, ovarium, baarmoeder, vagina en uitwendige geslachtsdelen.
Vormen van preventie: doelgroep
Universele preventie = gericht op de gezondheid van de algemene bevolking.
Doel: algemene gezondheid te bevorderen en ziekten te voorkomen.
- Vaccinatieprogramma’s, gezondheidseducatie (voeding, lichaamsbeweging,
tabakspreventie).
Selectieve preventie = gericht op specifieke groep mensen met een verhoogd risico op
bepaalde gezondheidsproblemen.
- Screenings voor hart- en vaatziekten, preventieve programma’s voor jongeren in
risicovolle omgevingen (verslavingspreventie).
Geïndiceerde preventie = gericht op mensen die nog niet voldoen aan diagnostische criteria,
maar al wel bepaalde symptomen hebben van ziekte.
- Begeleiding/therapie voor mensen met symptomen van depressie/angst,
gezondheidsprogramma’s voor mensen met verhoogde waardes (cholesterol,
glucose).
Zorg gerelateerde preventie = optimaliseren van gezondheidssituatie van mensen die al te
maken hebben met chronische aandoeningen of blijvende beperkingen.
Doel: kwaliteit leven verbeteren en verdere gezondheidsproblemen voorkomen.
Week 1
Belangrijkste begrippen met betrekking tot gezondheid en ziekte:
Gezondheid = het kunnen aapassen en controle kunnen houden over je eigen gezondheid;
fysiek (kunnen functioneren, voor jezelf zorgen), emotioneel (emoties begrijpen, verwerken
en mee om gaan) en sociaal (relaties kunnen onderhouden en kunnen communiceren).
Ziekte = verstoring van de homeostase in het lichaam.
Homeostase = constant houden van het inwendig milieu (bv: pH, temperatuur,
samenstelling van het bloed, vochtgehalte in het lichaam, etc.)
Geneeskundige benadering van homeostase = verstoring van het evenwicht in gehele
mens zowel lichamelijk, psychisch, sociaal als spiritueel.
Veelgebruikte begrippen in de pathologie:
- Anatomie = bouw en structuur van het lichaam.
- Complicaties = onverwachte bijkomende aandoeningen in het beloop of bij de
behandeling.
- Diagnostiek = geneeskundig onderzoek; oorzaak van de aandoening wordt
vastgesteld.
- Epidemiologie = studie van het voorkomen van ziekte bij de rest van bevolking.
- Etiologie = studie van oorzaken van de ziekte.
- Fysiologie = het normaal functioneren van het lichaam.
- Pathogenese = proces wat leidt tot ziekte.
- Pathofysiologie = proces wat leidt tot ziekte en het effect van die ziekte op het
functioneren van het lichaam.
- Pathologie = studie van ziekten.
- Preventie = maatregelen om ziekte te voorkomen.
- Prognose = verwachting van het ziektebeloop.
- Risicofactoren = factoren die de kans op een bepaalde aandoeningen vergroten.
- Symptomen = klachten en verschijnselen van een bepaalde aandoening.
- Therapie = behandeling van de ziekte of aandoening.
Verschillende visies op gezondheid:
Medische visie = afwezigheid van ziekte of een lichamelijk gebrek.
Iemand met een gebroken been wordt gezien als ziek, want heeft een lichamelijk
gebrek. Behandeling is gericht op herstel.
Biologische visie = lichaam moet in staat zijn om onder wisselende omstandigheden de
interne balans (homeostase) te behouden.
Wanneer iemand een infectie op loopt, zal het lichaam deze bestrijden door middel
van koorts. De andere functies van het lichaam blijven wel in balans.
,Psychologische visie = vermogen om eigen doelen na te streven en psychologische
behoeften (basisbehoeften om je mentaal en emotioneel goed te voelen) vervullen.
Iemand kan zich depressief voelen, maar toch persoonlijke doelen nastreven en
sociale contacten behouden. Deze persoon is psychologisch gezond.
Sociale visie = vermogen om te kunnen functioneren binnen de normen en waarden van de
samenleving en sociale rollen (gezin, werk, vriendschap) kunnen vervullen.
Persoon met fysieke beperkingen, met ondersteunende omgeving, waardoor hij kan
blijven deelnemen aan sociale activiteiten wordt als gezond beschouwd.
Multicausale visie = gezondheid is een combinatie van fysieke, mentale en sociale aspecten.
Iemand met diabetes wordt niet alleen behandeld voor de bloedsuikerspiegel. Er
wordt ook gekeken naar de levensstijl, stress (psychologisch) en sociale omgeving.
Dynamische visie = vermogen om aan te kunnen passen aan interne (binnen persoon:
gezondheidsprobleem, aanpassing levensstijl) en externe (buiten persoon: verlies baan,
woningomstandigheden, sociale druk) verandering en daarbij balans te houden.
Iemand die na een knieoperatie zijn sportactiviteiten moet passen naar andere
vormen van beweging om zo te kunnen sporten, is volgens deze visie gezond.
Positieve gezondheid = vermogen om de regie (controle) over het eigen leven te voeren,
ondanks fysieke, mentale en sociale uitdagingen.
Iemand met een chronische ziekte die actief betrokken blijft bij de samenleving en
zijn leven in eigen handen houdt, wordt als gezond beschouwd.
Week 2
Opbouw en functies van een cel:
Celmembraan: afgrenzing, isolatie en het in- en uitgaan van stoffen.
Opbouw: dubbele laag fosfolipiden met eiwitten.
Cytoplasma: vloeistof waarin de celorganellen/celorganen zitten.
Opbouw: gelachtige substantie, bevat organellen.
Ribosomen: eiwitproductie.
Opbouw: kleine deeltjes die bestaan uit RNA en eiwitten.
Celkern: erfelijkheidsmateriaal (DNA); regulatie metabolisme en eiwit aanmaak.
Opbouw: dubbele kernmembraan, bevat chromosomen.
(ruw) endoplasmatisch reticulum: eiwitten maken, opnemen, verwerken en vervoeren.
Opbouw: netwerk van membranen.
Golgi-apparaat: verpakkingsmachine voor transport; aanpassing celmembraan.
Opbouw: stapel platte membranen.
Lysosomen: afbreken van overbodig/oud materiaal.
Opbouw: kleine blaasjes gevuld met enzymen.
Mitochondriën: energiecentrale; maakt energiepakketjes (ATP) voor de cel.
Opbouw: dubbel membraan met eigen DNA.
Cytoskelet: geeft cel zijn structuur, helpt bij beweging en bij transport van organellen.
, Opbouw: netwerk van eiwitten (microfilamenten en microtubili).
Verschillende niveaus van het menselijk lichaam:
Chemisch organisatieniveaus (microscopisch) = kleinste stabiele bouwstenen van de materie.
Komen samen om basisstructuren van alle stoffen in ons lichaam te vormen.
Moleculen en atomen.
Cellulaire organisatieniveau (celniveau) = verschillende moleculen vertonen interactie, zodat
grotere structuren ontstaan. Elk type heeft een specifieke functie in een cel.
Hart: vertoont verschillende typen eiwitfilamenten interacties die leiden tot de
contracties van de spiercellen.
Weefselniveau (weefsel) = bestaat uit cellen van hetzelfde type die samenwerken om een
specifieke functie uit te kunnen voeren.
Hartspiercellen vormen hartspierweefsel.
Orgaaniveau (orgaan) = bestaat uit 2 of meer verschillende weefsels die samenwerken om
een specifieke functie uit te kunnen voeren.
Hart: wanden bestaan uit lagen hartspierweefsel en andere soorten weefsels.
Orgaanstelselniveau (orgaanstelsel) = waar organen in samenwerken. Wanneer het hart
samentrekt, wordt het bloed in een netwerk van bloedvaten gepompt.
Bloedvatenstelsel: vormt het hart, bloed en bloedvaten.
Organismeniveau (macroscopisch) = alle orgaanstelsels in het lichaam werken samen om het
leven en de gezondheid in stand te houden.
Orgaanstelsels van de mens (11):
Huid = beschermt het lichaam tegen gevaren vanuit de omgeving. Helpt met het reguleren
van de lichaamstemperatuur.
Haar, huid en nagels.
Beenderstelsel = biedt ondersteuning. Beschermt weefsel, opslagplaats voor mineralen en
vormt bloedcellen.
Axiaal skelet (schedel, borstbeen, ribben, wervels en heiligbeen) en beenderen van
de ledematen (sleutelbeen en schouderblad, bekken en beenderen van het been).
Spierstelsel = levert beweging. Biedt bescherming en steun voor andere weefsels en
produceert warmte.
Axiale spieren (stabiliteit en beweging van romp: nek-, ademhalings-, rugspieren,
etc.), spieren van ledematen, pezen en gewrichtsbanden.
Zenuwstelsel = maakt onmiddellijke reactie op prikkels mogelijk. Door het coördineren van
activiteiten van andere orgaanstelsels. Leveren en interpreteren van sensorische informatie
over interne en externe omstandigheden.
Perifeer zenuwstelsel (perifere zenuwen) en centrale zenuwstelsel (hersenen en
ruggenmerg).
Endocriene stelsel = reguleert langdurige veranderingen in de activiteit andere
orgaanstelsels.
, Bijschildklieren, thymus, bijnieren, ovaria (vrouw)/testes (man), pancreas, schildklier,
hypofyse en epifyse.
Cardiovasculaire stelsel = transporteert cellen en opgeloste stoffen, waaronder
voedingsstoffen, afvalstoffen, zuurstof en koolstofdioxide.
Hart, arterie (slagader), vene (ader) en capillairen (haarvaten).
Lymfestelsel = tegengaan infecties en terugkeer weefselvocht naar bloedsomloop.
Thymus, lymfeknopen, milt en lymfevaten.
Ademhalingsstelsel = vervoert lucht naar plaatsen in de longen waar gaswisseling plaatsvindt
tussen de lucht en de bloedcirculatie. Produceert geluid voor communicatie.
Farynx, trachea, long, diafragma, neusholte, sinus, larynx en bronchi.
Spijsverteringsstelsel = verwerkt voedsel, opnemen voedingsstoffen en verwijdert
afvalstoffen.
Farynx, slokdarm, lever, galblaas, dunne dram, rectum, speekselklieren,
mond/gebit/tong, maag en dikke darm.
Urinaire stelsel = verwijdert afvalproducten uit het bloed. Reguleert de waterbalans door het
volume van de geproduceerde urine te reguleren.
Blaas, urethra, nier en ureter.
Voortplantingsstelsel
Mannelijk = produceert geslachtscellen en hormonen.
Prostaat, zaadblaasje, ductus deferens, urethra, bijbal, zaadbal, penis, scrotum.
Vrouwelijk = vormt vrouwelijke geslachtscellen (oöcyten of onrijpe eicellen), produceert
hormonen, ondersteunt embryonale en foetale ontwikkeling van bevruchting tot geboorte.
Melkklieren, eileider, ovarium, baarmoeder, vagina en uitwendige geslachtsdelen.
Vormen van preventie: doelgroep
Universele preventie = gericht op de gezondheid van de algemene bevolking.
Doel: algemene gezondheid te bevorderen en ziekten te voorkomen.
- Vaccinatieprogramma’s, gezondheidseducatie (voeding, lichaamsbeweging,
tabakspreventie).
Selectieve preventie = gericht op specifieke groep mensen met een verhoogd risico op
bepaalde gezondheidsproblemen.
- Screenings voor hart- en vaatziekten, preventieve programma’s voor jongeren in
risicovolle omgevingen (verslavingspreventie).
Geïndiceerde preventie = gericht op mensen die nog niet voldoen aan diagnostische criteria,
maar al wel bepaalde symptomen hebben van ziekte.
- Begeleiding/therapie voor mensen met symptomen van depressie/angst,
gezondheidsprogramma’s voor mensen met verhoogde waardes (cholesterol,
glucose).
Zorg gerelateerde preventie = optimaliseren van gezondheidssituatie van mensen die al te
maken hebben met chronische aandoeningen of blijvende beperkingen.
Doel: kwaliteit leven verbeteren en verdere gezondheidsproblemen voorkomen.