Hoofdonderwerpen van de onderwijseenheid
1. Gehechtheidstheorie (6 vragen)
2. Psychopathologie (24 vragen)
3. Gezinssociologie (6 vragen)
4. Orthopedagogiek (24 vragen)
Hoofddoelen
Je hebt kennis van en inzicht in symptomatologie van de belangrijkste
ziektebeelden/stoornissen
Je hebt kennis van mogelijke oorzaken van deze ziektebeelden
Je hebt kennis van de hoofdlijnen van de gehechtheidstheorie
Je hebt kennis van en inzicht in de ontwikkelingen rond relaties en gezinnen vanuit
een sociologische optiek
je hebt kennis van en inzicht in de recente ontwikkelingen in de samenleving en kunt
dat typeren m.b.v. sociologische noties van Beck, Giddens, e.a.
Je kunt beschrijven wat de betekenis is van cultuur en context bij opvoeding en
gezinsfunctioneren
Je hebt kennis van en inzicht in Problematische gezins- en opvoedingssituaties (POS)
Je hebt kennis van Specifiek opvoeden en kunt deze kennis toepassen bij verschillende
problematieken
Je hebt kennis van en inzicht in fenomeen Kindermishandeling
Je hebt kennis van en inzicht in het fenomeen Complexe scheidingen
,Leerdoelen
Gehechtheidstheorie
1a1. Je hebt kennis van het aangeboren gehechtheidssysteem en doel en de functies ervan
Hechtingsysteem is een aangeboren systeem, met als doel:
- bij gevaar -> creëren van veiligheid en als middel daartoe: de nabijheid
van de verzorger (safe haven functie).
- In veilige situaties: stabiele basis op achtergrond (secure base functie) -
> durven experimenteren.
1a2. Je weet wat Weisfelt bedoeld met het intuïtieve van levenslessen met betrekking tot
hechting
Ieder kind zoekt in principe gehechtheid (functioneel + plezier). Gedrag
om nabijheid te zoeken ontwikkeld zich en stemt af op de ouders:
intuïtief leerproces waardoor mensen onbewust zich openen of afsluiten
in relaties.
1a3. Je kunt de patronen in de ontwikkeling van gehechtheid en weet wat volgens Weisfelt
het ervaren resultaat van beantwoorde gehechtheid is
1. In eerste instantie klampt het kind zich vast aan de bron van warmte
en voeding. De hechting is gericht op een specifiek persoon, later op
meerderen.
2. Vervolgens reageert de omgeving met specifieke prikkels voor het
kind. Het kind gaat genieten van de nabijheid tot mensen. Het reageert
op de acties van de volwassenen en de wisselwerking groeit steeds
meer. Vervolgens gaat het kind meer autonoom acties ontplooien en
daarmee zijn wereld naar andere hechtingsobjecten uitbreiden.
3. Ten slotte ontwikkelt het in de interactie met anderen steeds meer
eigenheid. Het hechtingsgedrag is meer gedifferentieerd en wordt
sterker door het individuele kind bepaald.
4. Het proces wordt afgerond doordat het kind leert omgaan met zijn
angst voor en zijn behoefte aan scheiding. Het leert omgaan met de
tijdelijkheid van de nabijheid en leert steeds meer ervan te genieten
zijn eigen wereld te verkennen. Letterlijk en zeker ook psychologisch
gezien kruipt het kind weg van de verzorgers en experimenteert met
zijn grenzen van tijd en afstand. De angst voor de scheiding krijgt nog
een extra accent in de angst voor de vreemde. Voor het kind vreemde
mensen die in zijn vertrouwde omgeving binnendringen, kunnen als
uiterst bedreigend worden ervaren. Ook dit is weer een leerproces op
zich. Al spoedig verandert de eenkennigheid in nieuwsgierigheid. Op
de lange duur overwint de neiging tot het experimenteren het van de
neiging om zich aan de bekende verzorgers vast te klampen.
,1a4. Je weet wat volgens Weisfelt onthechting is, waardoor het kan ontstaan, en wat de
gevolgen ervan zijn
Te veel onbeantwoord zoekgedrag leidt tot onthechting: het vermogen
een echte wederkerige band aan te gaan word aangetast. Kan leiden tot
persoonlijkheidsstoornissen.
Onthechting ontstaat als door slechte omstandigheden kind trauma
oploopt. Als hij deze probeert op te lossen kan het zich ontwikkelen. Het
kind probeert zich aan te passen met ander gedrag, als hier niet op
gereageerd wordt zal het kind gaan protesteren. En als daar dan niet op
gereageerd wordt zal het kind heel stil en ogenschijnlijk lief en aardig
naar de buitenwereld worden. dit is het moment van onthechting.
1a5. Je weet hoe onthechting van zelf en anderen, maar ook binding, volgens
Weisfelt vormen van onthechting zijn
- (Inadequate reactie) keer op keer het toenaderingsgedrag van het kind
wordt afgewezen, vaak ook zonder dat het de uitleg krijgt (kan krijgen)
van de redenen daartoe. Ook kan het gebeuren dat het kind door de
omgeving wordt afgewezen op voor hem belangrijke en kwetsbare
momenten.
- (Inadequaat gedrag) op de toenadering van het kind wordt gereageerd
met het vastklampen aan het kind, zodat er geen scheiding meer kan
plaatsvinden. De hechting wordt dan bestraft met een verlies van
autonomie.
- (Inadequaat gedrag) onvoorspelbaarheid en onbetrouwbaarheid in het
gedrag van de ouders. Het ene moment wordt het hechtingsgedrag
beantwoord met een schijnbaar succes, het volgende moment in een
vergelijkbare situatie wordt hetzelfde gedrag echter weer afgewezen.
Door deze onvoorspelbaarheid kan het kind geen lijn meer ontdekken in
de wereld om hem heen. Op de lange duur gaat het kind de pogingen
dan opgeven.
1a6. Je weet welke combinaties van beelden van zelf en anderen afwisselend kunnen
voorkomen bij onthechting/onveilige gehechtheid (de Dramadriehoek)
- Ik ben goed en jij bent goed: gezonde hechting.
- Ik ben goed en jij bent niet goed: redder of aanklagerrol (zichzelf
overschreeuwen en afzetten tegen anderen om eigen gevoel van
waarde te blijven voelen of iedereen gaan redden om gevoel van
zelfwaardering hoog te houden)
- Ik ben niet goed en jij bent goed: slachtofferrol (om aandacht te krijgen)
- Ik ben slecht en jij bent slecht: kind isoleert zich (want het heeft toch
geen nut om ontmoeting met anderen aan te gaan)
1a7. Je weet wat volgens de gehechtheidstheorie een intern (innerlijk) werkmodel is,
waardoor het ontstaat, en waar dit model vervolgens invloed op heeft
, De ervaringen die je rond je gehechtheid als kind op doet, sla je op in je
hersenen. Deze vormen samen een innerlijk werkmodel die je weer
gebruikt voor nieuwe relaties die je aangaat. Dit oefent invloed uit op:
- De emotionele beleving van zelf en anderen
- De cognitieve stijl
- Het vermogen tot reflectie
- De werking van het autobiografisch geheugen
- Het gedrag bij ervaren bedreiging
1a8. Je weet hoe dit interne werkmodel onderzocht wordt bij volwassenen met het Adult
Attachment Interview (AAI), c.q. het Gehechtheid biografisch Interview
Interview met volwassenen over hun (vroegere) relatie met hun ouders,
18 semi-gestructureerde vragen over; ervaringen van zorg, afwijzing,
verlies en separatie, misbruik en mishandeling, huidige relatie.
1a9. Je weet wat er gescoord wordt met het AAI (Ervaringen en mentale staten/state of mind)
en tot welke typeringen/classificaties de scoring kan leiden
- Gescoord op inhoud (wat word er verteld) én representatie (hoe wordt
het verteld).
- Representatie -> coherentie, state of mind (mate waarin helder,
gebalanceerd positieve en negatieve ervaringen, feitelijk).
- Veder: kwaliteit autobiografisch geheugen, vermoedelijke ervaringen,
mentale staten (idealisering/vergeten/afdoen en afbraken
gehechtheidservaringen/chronisch geïnvolveerde boosheid op
ouders/overwerktheid verlies/trauma).
- Typeringen/Classificaties:
- Autonoom-stabiel (F)
normale populatie 58%, hoge-risico-en klinische groepen: 8%
- Gereserveerd-vermijdend (DS)
normale populatie 25%, hoge-risico-en klinische groepen: 25%
- Gepreoccupeerd met vroegere hechtingsrelaties of verleden (E)
normale populatie 18%, hoge-risico-en klinische groepen: 25%
- Onverwerkt/unresolved (‘beste voorspeller’ voor psychopathologie)
normale populatie 20%, hoge-risico-en klinische groepen: 40%
1a10. Je weet wat gedesorganiseerde gehechtheid inhoudt en wat de globale relatie tussen
gehechtheidsstijlen en psychopathologie is
- Gedesorganiseerde gehechtheid: onveilige hechtingsstijl waarbij een
kind de opvoeder zowel als bron van steun als bron van angst ziet
(onvoorspelbaar/conflicterend gedrag).
- Globale relatie tussen gehechtheidsstijlen en psychopathologie: onveilige gehechtheid
vergroot het risico op psychopathologie (er is geen specifieke relatie tussen specifieke
aandoeningen/symptomen en specifiekere gehechtheidsclassificaties).
- Uitzonderingen: mannelijke adolescenten met antisociale trekken
scoren vaak hoger op ‘minachting voor hechtingservaringen en