1. Gezinshulpverlening (18 vragen)
2. Kind- en ouderbegeleiding (24 vragen)
3. Opgroeien in een positieve en veilige omgeving (18 vragen)
Deelonderwerpen per hoofdonderwerp
1a. Doelgroep van gezinshulpverlening
1b. Basisattitude van de gezinshulpverlener
1c. Soorten gezinshulpverlening
1d. Werkzame elementen van gezinshulpverlening
1e. Theoretische onderleggers van gezinshulpverlening
2a. Opvoeden en ouderschap
2b. Mediaopvoeding en pretatiedrang
2c. Communiceren met jeugdigen
2d. Communiceren met behulp van spel
3a. Triple P
3b. Interprofessioneel samenwerken
3c. Kindermishandeling
Leerdoelen per hoofd- of deelonderwerp
,1. Gezinshulpverlening
Doelgroep van gezinshulpverlening
1a1. De student kan benoemen hoe de samenstelling van huishoudens in de loop van de jaren is
ontwikkeld
Tot de jaren ’60 werd het gezin gezien als de hoeksteen van de samenleving, meestal bestaande uit
een echtpaar met kinderen, woonachtig op één plek. In de jaren ’60 veranderde dit beeld: het gezin
verloor zijn centrale rol en werd vaak gezien als autoritair en gesloten. Rolpatronen verschoof,
vrouwen gingen meer werken, er kwamen kinderopvangvoorzieningen, en er ontstond meer
diversiteit door echtscheidingen, migratie en nieuwe gezinsvormen zoals eenouder- en
samengestelde gezinnen. Latrelaties en commune-achtige leefvormen verschenen.
In de jaren ’90 kwam een kentering: het belang van het gezin werd opnieuw erkend, met een meer
gezinsgerichte jeugdhulpverlening. Kinderen die niet thuis konden wonen, kregen voorkeur voor een
gezin nabootsende omgeving. Sinds 1996 omvat het begrip twee-generatiegezin diverse vormen:
traditionele gezinnen, eenouder-, pleeg-, adoptie- en samengestelde gezinnen.
Daarnaast bestaat culturele bias: het beoordelen van andere culturen vanuit eigen normen, terwijl
bijvoorbeeld in niet-westerse culturen (zoals Turks, Arabisch, Berbers) uitgebreide familiebanden en
meer-generatiehuishoudens normaal zijn, met grootouders, tantes en ooms die actief betrokken zijn
bij de opvoeding. In Nederland leeft men vooral in twee-generatiegezinnen, wat cultureel gezien niet
vanzelfsprekend is.
1a2. De student kan benoemen welke specifieke opvoedvragen bij ouders leven in verschillende
omstandigheden
Leeftijd + vragen over.
0 tot 2 jaar:
- Angst voor vreemden
- Hechting (een band opbouwen)
- Huilen
- Leren bewegen, eten, praten, lezen
- Mediagebruik
- Seksuele ontwikkeling
- Slapen
- Verlatingsangst
2 tot 4 jaar:
- Driftbuien
- Leren praten
- Mediagebruik
- Omgaan met emoties
- Peterpubertijd
- Seksuele ontwikkeling
- Zindelijkheid zelf plassen en poepen
4 tot 6 jaar:
- Mediagebruik
- Seksuele ontwikkeling
- Spelen
- Start basisschool
- Vriendschappen
- Zelfstandig leren/ zelfstandigheid
,6 tot 12 jaar:
- Mediagebruik (6 tot 10 jaar en 10 tot 12 jaar)
- Seksuele ontwikkeling
- Structuur en grenzen
- Vriendschappen: meedoen in de groep/ omgaan met andere kinderen
- Zelfstandig lezen
- Zelfstandigheid
10 tot 16 jaar:
- Een eigen mening vormen
- Experimenteren
- Het goede voorbeeld geven als ouder
- Mediagebruik
- Ontwikkeling van eigen normen en waarden
- De puberteit
- Seksuele ontwikkeling
- Start middelbare school
- Structuur en grenzen
- Vriendschappen
16 jaar en ouder:
- Een eigen leven leiden
- Studie- en beroepskeuze
- De veranderende relatie met hun kind
- Vriendengroepen en verliefd worden
1a3. De student kent de risico's van (v)echtscheiding op de ontwikkeling van kinderen
Kinderen met gescheiden ouders hebben een grotere kans:
- Externaliserende problemen: opstandigheid en agressie
- Internaliserende problemen: angst en depressie
- Problemen op school en een lager eindniveau van de opleiding: slechte schoolprestaties
- Problemen in vriendschapsrelaties
- Een zwakkere band met de ouders, vooral met de vaders of spanningen met broers of zussen
- Loyaliteitsproblemen
- Crimineel en riskant gedrag
- Een groter risico op depressie inclusief een groter beroep op hulpverlening
- Later een groter eigen scheidingsrisico
1a4. De student weet waar hij op moet letten bij het begeleiden van kinderen en hun ouders tijdens
en na de scheiding
Het is van belang om samen met ouders te werken aan een duidelijke en structurele
omgangsregeling en, in het geval van co-ouderschap, een helder ouderschapsplan, met als doel een
stabiele en voorspelbare opvoedingssituatie voor het kind te creëren. Daarbij wordt gekeken naar de
behoeften van het gezin, zoals het eventueel opbouwen van een nieuw sociaal netwerk.
Daarnaast vraagt begeleiding van eenoudergezinnen extra aandacht, aangezien hier vaker sprake is
van stress bij de ouder en probleemgedrag bij kinderen. Met name jongens in de adolescentiefase
vertonen vaker risicogedrag, zoals delinquentie, middelengebruik en vroegtijdig seksueel
experimenteren, in vergelijking met leeftijdsgenoten uit tweeoudergezinnen. Dit zijn belangrijke
aandachtspunten voor de hulpverlening.
1a5. De student kent de percentages van gezinssamenstelling na scheiding
16 % van alle gezinnen zijn samengestelde gezinnen (meeste problemen met stiefmoeder).
, 1a6. De student weet wat samengestelde gezinnen zijn en wat hier complexer aan
Een samengesteld gezin: een gezin waarin minstens 1 ouder kinderen heeft uit een eerdere relatie en
samenleeft met een nieuwe partner.
Het is complexer, omdat je te maken hebt met verschillende opvoedstijlen, regels, loyaliteiten en de
mogelijkheid dat er meer familie om het gezin heen is. Het omgaan met ex-partners en het co-
ouderschap kan zorgen voor veel zorgen, verantwoordelijkheden en emoties. Jaloezie en rivaliteit
tussen kunnen ook problemen veroorzaken. Het is cruciaal om open te communiceren, elkaar te
respecteren en gevoelens van elkaar te erkennen om een goede harmonie te vinden in dit complexe
gezelschap.
1a7. De student weet hoeveel kinderen in Nederland in armoede opgroeien
Eenoudergezinnen met minderjarige kinderen hebben relatief vaak te maken met armoede (15,1%
minimaal 1 jaar; 5,4% langdurig) vergeleken met paren (4,2% en 1,9%). In totaal leeft 6,8% van de
huishoudens minimaal één jaar onder de lage-inkomensgrens en 3,1% langdurig.
Kinderen in armoede hebben lagere rapportcijfers (6,6) dan kinderen die niet in armoede leven (7,5),
en nog lager bij bijkomende problemen thuis (5,5).
Daarnaast komt armoede vaker voor bij kinderen met een niet-westerse achtergrond (22,2%) dan bij
westerse (6,7%) of Nederlandse kinderen (3,1%), hoewel dit percentage sinds 2014 is gedaald.
1a8. De student kan benoemen wat de gevolgen van het opgroeien in armoede op de ontwikkeling
van kinderen kunnen zijn
Opgroeien in armoede heeft invloed op alle ontwikkelingsgebieden van kinderen: cognitief, sociaal-
emotioneel, fysiek en gedragsmatig.
Cognitieve ontwikkeling (leren en school):
- Ze hebben vaker concentratieproblemen en moeite met plannen
- Presteren gemiddeld slechter op school
- Hebben minder toegang tot leermiddelen (boeken of laptop)
- Dit komt o.a. door stress en minder stimulerende thuisomgeving
- Dit komt o.a. door stress en minder stimulerende thuisomgeving
Sociaal-emotionele ontwikkeling:
- Ze ervaren veel stress en zorgen (bijv. over geld of thuis)
- Hebben vaker angst, somberheid of onzekerheid
- Kunnen zich minder veilig en stabiel voelen
-> bijv. doordat jongeren zich schamen en zich anders voelen dan anderen.
Sociale ontwikkeling:
- Sociale uitsluiting: niet mee kunnen doen met sport, feestjes en schoolactitiviteiten
- Minder kansen om vriendschappen op te bouwen
- Gevoelens van schaamte en erbij willen horen
-> Kinderen kunnen zich buitengesloten voelen en minder zelfvertrouwen ontwikkelen
Fysieke ontwikkeling en gezondheid:
- Hebben vaker ongezonde voeding of tekorten
- Lopen meer risico op gezondheidsproblemen
- Groeien vaker op in minder gezonde leefomstandigheden
Stress en hersenontwikkeling:
- Langdurige stress (door geldzorgen):
- Beïnvloed de hersenontwikkeling
- Vermindert vaardigheden als plannen, impulscontrole en probleemoplossing
-> Dit heeft direct invloed op gedrag en schoolprestaties