In deze samenvatting vind je alle stof je die je nodig hebt bij het leren voor
de KT4 toets in het tweede jaar van HBO-V. Alles wat in de les is vermeld
en extra vind je hier terug in één document.
Inhoud
OO-A casus 1.1 - AFPF - Obesitas, Diabetes & Zuur-base-evenwicht` ........1
OO-A casus 2 deel 1 - Abad: AFPF - Pijn & Farmacologie ...........................10
OO-A casus 3 Dhr. Peters: AFPF - MS, dwarslaesie & neuromusculaire
aandoeningen ...........................................................................................19
..................................................................................................................19
OO-A casus 4 deel 1 - Fam. Blokker - AFPF - Hartfalen & Atriumfibrilleren 28
..................................................................................................................36
OO-A casus 4 deel 2 - Fam. Blokker: AFPF
- Atherosclerose & Cardiovasculair risicomanagement .............................36
OO-A casus 1.1 - AFPF - Obesitas, Diabetes &
Zuur-base-evenwicht`
Voor de les
Risicofactoren, etiologie, pathofysiologie, prognose en preventie van
diabetes mellitus type 1 en type 2 beschrijven.
Diabetes mellitus type 1
Risicofactoren:
o Erfelijke aanleg (familieleden met DM1).
o Auto-immuunziekten (zoals coeliakie, schildklierziekten).
o Omgevingsfactoren (virale infecties).
Etiologie (ontstaansoorzaak):
Auto-immuunreactie waarbij het lichaam de bètacellen in de pancreas
vernietigt -> Hierdoor ontstaat een absoluut insulinetekort.
Pathofysiologie:
, o Geen insuline → glucose kan niet de cellen in → hyperglykemie.
o Lichaam gaat vet afbreken → ketonen → risico op ketoacidose (DKA).
Prognose:
Levenslang insuline nodig. Goede instelling voorkomt complicaties ->
Risico op hypo’s, DKA en op lange termijn: hart- en vaatziekten,
neuropathie, nefropathie, retinopathie.
Preventie
o Niet te voorkomen, omdat het een auto-immuunziekte is.
o Wel: vroege herkenning en goede zelfregulatie om complicaties te
voorkomen.
Diabetes mellitus type 2
Risicofactoren:
o Overgewicht (vooral abdominale obesitas).
o Ongezonde leefstijl (weinig beweging, ongezonde voeding).
o Leeftijd > 45 jaar.
o Erfelijke aanleg.
o Etniciteit (bijv. Marokkaans, Turks, Hindoestaans).
o Zwangerschapsdiabetes in de voorgeschiedenis.
o Hypertensie en hoog cholesterol.
Etiologie (ontstaansoorzaak):
Insulineresistentie: cellen reageren minder goed op insuline. Pancreas
maakt steeds meer insuline → raakt uitgeput → relatief insulinetekort.
Pathofysiologie:
Insulineresistentie → glucose blijft in het bloed → hyperglykemie. Pancreas
produceert extra insuline → bètacellen raken overbelast → afname
insulineproductie.
Vaak onderdeel van metabool syndroom.
Prognose:
Chronisch, maar goed te beïnvloeden met leefstijl. Zonder behandeling:
verhoogd risico op hart- en vaatziekten, nierfalen, neuropathie,
retinopathie, amputaties. Kan progressief zijn → soms uiteindelijk insuline
nodig.
,Preventie:
o Gezonde voeding en voldoende beweging.
o Afvallen bij overgewicht.
o Stoppen met roken.
o Vroege screening bij risicogroepen.
o Leefstijlinterventies kunnen DM2 voorkomen of uitstellen.
Globaal de werking beschrijven van oraal werkende antidiabetica:
metformine, SGLT-2-remmers, GLP-1-receptoragonisten, DPP-4-
remmers en sulfonylureumderivaten (gliclazide).
Metformine
o Verlaagt de glucoseproductie in de lever.
o Verbetert de gevoeligheid van cellen voor insuline.
o Vertraagt opname van glucose in de darm. Effect: bloedglucose daalt
zonder risico op hypo’s.
SGLT-2-remmers
o Remmen de terugresorptie van glucose in de nieren.
o Hierdoor plas je glucose uit via de urine. Effect: lagere bloedglucose
en lichte gewichtsafname.
GLP-1-receptoragonisten
(Let op: vaak injecties, maar vallen wel onder dezelfde
groep incretinemiddelen)
o Verhogen insuline-afgifte alleen als glucose hoog is.
o Remmen glucagon.
o Vertragen maaglediging → minder eetlust. Effect: lagere glucose en
gewichtsverlies.
DPP-4-remmers
o Remmen het enzym DPP-4, waardoor lichaamseigen GLP-1 langer
actief blijft.
o Hierdoor meer insuline-afgifte en minder glucagon. Effect: mild
verlagen van bloedglucose, geen hypo’s.
Sulfonylureumderivaten (bijv. gliclazide)
, Stimuleren de pancreas om meer insuline af te geven, ongeacht
glucosewaarde. Effect: bloedglucose daalt, maar risico op
hypoglykemie is aanwezig.
In de les
Waar of niet waar?
1. Een kind met obese ouders loopt meer risico op obesitas. Waar
2. Iemand van Marokkaanse afkomst loopt meer risico dan Nederlandse
afkomst. Waar
3. Antidepressiva kunnen overgewicht vergroten. Waar
4. De emotionele eter heeft problemen met herkennen van
verzadiging. Waar
5. Wat een gezond gewicht is, is voor iedereen duidelijk. Niet waar
6. Afvallen is een makkie. Niet waar
7. 5-10% afvallen levert al gezondheidswinst. Waar
8. Streng diëten is effectief. Niet waar