DEEL 1: MEERKEUZEVRAGEN (70%) Kies bij elke vraag het enige juiste alternatief.
Prestatiemanagement & Rechtvaardigheid
1. Een groot retailbedrijf vervangt het jaarlijkse beoordelingsgesprek door maandelijkse
check-ins waarbij doelen continu worden bijgesteld en gekoppeld aan de
bedrijfsstrategie. Dit is een transitie van:
A. Prestatiemanagement naar prestatiebeoordeling.
B. Prestatiebeoordeling naar prestatiemanagement.
C. Distributieve naar procedurele rechtvaardigheid.
D. Een formele beoordeling naar een grafische beoordelingsschaal.
2. Een manager gebruikt een grafische beoordelingsschaal en beoordeelt een
medewerker hoog op alle vlakken, puur omdat deze medewerker altijd punctueel is.
Welk fenomeen treedt hier op?
A. Contrast-effect.
B. Leniency-effect.
C. Halo-effect.
D. Fundamentele attributiefout.
3. Een medewerker krijgt geen bonus, maar accepteert dit omdat de criteria vooraf
duidelijk waren en er een mogelijkheid was om bezwaar aan te tekenen. Welke vorm
van rechtvaardigheid verzacht hier de ontevredenheid?
A. Procedurele rechtvaardigheid.
B. Distributieve rechtvaardigheid.
C. Interpersoonlijke rechtvaardigheid.
D. Informationele rechtvaardigheid.
4. Bij een groepsopdracht krijgen alle teamleden hetzelfde cijfer, ondanks dat één
persoon niet heeft meegewerkt. Welke vorm van rechtvaardigheid wordt hier primair
geschonden voor de hardwerkende studenten?
A. Informationele rechtvaardigheid.
B. Procedurele rechtvaardigheid.
C. Interpersoonlijke rechtvaardigheid.
D. Distributieve rechtvaardigheid.
, 5. Tijdens een slechtnieuwsgesprek legt een manager op een uiterst respectvolle en
waardige manier uit waarom een contract niet wordt verlengd. Dit is een voorbeeld
van hoge:
A. Interpersoonlijke rechtvaardigheid.
B. Distributieve rechtvaardigheid.
C. Informationele rechtvaardigheid.
D. Procedurele rechtvaardigheid.
Conflict & Onderhandelen
6. Volgens de theorie van Rahim (1985) is de conflictstijl 'Obliging' (Toegeven) het
meest strategisch wanneer :
A. Een impopulair besluit snel moet worden doorgedrukt.
B. De relatie met de tegenpartij cruciaal is en het conflict-issue voor jou triviaal is.
C. De issues uiterst complex zijn en er veel tijd beschikbaar is.
D. Beide partijen evenveel macht hebben en doelen onverenigbaar lijken.
7. Bij een acute crisissituatie waarbij directe actie vereist is en de manager beschikt
over cruciale expertise, is de meest effectieve conflictstijl :
A. Avoiding.
B. Integrating.
C. Dominating.
D. Compromising.
8. Principieel onderhandelen volgens Fisher & Ury vereist dat onderhandelaars :
A. Focussen op harde standpunten in plaats van zachte belangen (interest)
B. De mensen van het probleem scheiden.
C. Een distributieve mindset aannemen voor maximale winst.
D. Hun BATNA verborgen houden om macht te behouden.
9. Wat is de primaire functie van een BATNA in een onderhandeling?
A. Het vergroten van de gezamenlijke taart (expanding the pie).
B. Het vaststellen van de absolute ondergrens (reservation price) om een slechte
deal te voorkomen.
C. Het creëren van objectieve criteria voor het eindoordeel.