Week 1: conflict en stagnatie.......................................................................2
7.2 conflict en stagnatie tussen 1914 en 1945.........................................2
7.3 institutionele vernieuwing en economische groei na 1945.................3
7.4 veranderende prioriteiten en nieuwe spelers, 1973-2010..................5
Week 2: de moderne verzorgingsstaat.........................................................8
8.1 natiestaten, social engineering en internationale samenwerking.......8
8.2 democratisering en burgerschap......................................................11
Week 3: social engineering........................................................................13
8.3 sociale politiek en de opkomst van de verzorgingsstaat..................15
Week 4: demografische veranderingen.....................................................20
9.1 demografische veranderingen en de risico’s van het bestaan.........20
9.2 sociale orde en sociale mobiliteit......................................................24
Week 5: gidsrol van Nederland?.................................................................30
9.3 disciplinering en tegenbewegingen..................................................30
9.4 levensstijlen, wereldbeelden en de ‘gidsrol’ van Nederland’............33
Week 6: conclusie......................................................................................37
,Week 1: conflict en stagnatie
7.2 conflict en stagnatie tussen 1914 en 1945
Oorlog, revolutie en ‘roaring twenties’
Stagnatie na een periode van groei (±1895-1914 vs. 1914-1945)
De periode 1914-1945 kenmerkt zich door economische stagnatie: economische
groei vertraagt en wereldhandel groeit nauwelijks.
Dit contrasteert sterk met 1895-1914, de periode van de Tweede Industriële
Revolutie:
- Opkomst nieuwe sectoren: elektrotechnische industrie, chemische industrie.
Machinebouw.
- Elektriciteit zorgt voor grote veranderingen: elektrische verlichting en
huishoudelijke apparaten.
- Technologische innovatie hogere productiviteit economische groei.
Technologische verspreiding en globalisering
Nieuwe technologieën verspreiden zich langzaam: machines worden pas
vervangen als oude zijn afgeschreven.
Groei werd versterkt door internationale handel en investeringen dit zorgde
voor globalisering vóór 1914.
Keerpunt 1914: uitbreken Eerste Wereldoorlog internationale economie raakt
ontwricht en globalisering valt stil.
In het Interbellum (1918-1939) herstelt dit nauwelijks:
- Jaren ’20: nasleep oorlog.
- Jaren ’30: protectionisme (landen beschermen eigen economie).
Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog
Nederland bleef neutraal, maar werd economisch geraakt handel verstoord en
import stokt.
Dit had ook positieve effecten:
- Bedrijven zoeken alternatieven industrialisatie.
- Verticale integratie: bedrijven controleren hele productieketen (van grondstof
naar eindproduct).
- Maar samenwerking tussen bedrijven.
- Groeiende rol van de overheid basis voor overlegeconomie.
Opkomst Verenigde Staten en massaconsumptie
De VS worden economisch dominant: hoge productiviteit en sterke industrie.
In de ‘roaring twenties’ ontstaat een massaconsumptiemaatschappij en komen
producten zoals auto’s, koelkasten en wasmachines op.
In 1935 was Amerikaanse productiviteit bijna 3x hoger dan in Groot-Brittannië.
Communisme en de Sovjet-Unie (USSR)
In 1917: Oktoberrevolutie in Rusland onder leider van Lenin.
Economisch systeem = planeconomie staat bepaalt wat geproduceerd wordt,
waar en wanneer.
Onder Stalin (opvolger Lenin):
- Snelle industrialisatie (vanaf jaren ’30).
- Focus op zware industrie.
- Invoering vijfjarenplannen.
- Collectivisatie van landbouw: sovchozen (staatsboerderijen) en kolchozen
(collectieve boerderijen) vernietiging van koelakken (rijke boeren).
Belangrijk verschil: markteconomie in het westen en planeconomie in de Sovet-
Unie.
,De Beurskrach van 1929 en de depressie van de jaren dertig
De Beurskrach (1929)
29 oktober 1929 (‘Zwarte Dinsdag’): op Wallstreet dalen de koersen met ±40%.
Gevolgen: speculanten gaan failliet en banken komen in problemen.
Begin van de Grote Depressie (jaren ’30): diepste economische crisis van de 20 e
eeuw, wereldwijde werkloosheid en instorting van vraag en productie.
Vier verklaringen voor de crisis
(1) Onevenwichtigheden in de internationale economie:
Problemen na de Eerste Wereldoorlog.
Gouden Standaard (±1925 hersteld door Groot-Brittannië) pond te duur dus
export daalt.
Oorlogsschulden: Europa betaald VS VS leent geld aan Duitsland.
Verdrag van Versailles: Duitsland moet herstelbetalingen doen.
Gevolg: kwetsbaar financieel systeem bij crisis stort dit snel in.
(2) Gebeurtenissen in de reële economie:
Amerikaanse import daalt minder vraag wereldwijd.
Landen reageren met invoerheffingen en quota.
Gevolg: protectionisme wereldhandel stort in.
Volgens Charles Kindleberger ontstaat er een neerwaartse spiraal: minder handel
faillissementen werkloosheid minder vraag.
(3) Beleidsreacties: twee soorten reacties
1. Landen verlaten Gouden Standaard: Verenigde Staten (1933) en Groot-Brittannië
(1931) munt wordt goedkoper, waarna export groeit en herstel sneller gaat.
2. Landen blijven vasthouden aan Gouden Standaard (‘Goudblok’, o.a. Nederland):
voordeel is het vertrouwen en prestige van het goud, maar het nadeel is dure
munt en dalende export.
- Beleid van Hendrik Colijn: aanpassingspolitiek lage lonen en lage
belastingen
o Gevolgen: lagere koopkracht en crisis duurt langer.
o Herstel: pas na 1936 (verlaten Gouden Standaard).
Ontstaan nieuw economisch denken Keynesianisme (John Maynard Keynes):
overheid moet ingrijpen bij crisis en de vraag stimuleren (bestedingen).
- Anticyclisch beleid.
- Deficit spending: meer uitgeven dan inkomsten.
- Voorbeeld: New Deal (1933) van Franklin D. Roosevelt.
(4) Monetaire aspecten van de crisis
Na Beurskrach: mensen halen geld van banken, waardoor geldhoeveelheid daalt.
Gevolgen:
- Minder transacties.
- Economische krimp.
- Rol van Federal Reserve System (Amerikaanse centrale banksysteem,
opgericht in 1913): voerde te streng beleid en verergerde crisis.
Resultaat: in 1933 11.000 van 25.000 banken failliet.
7.3 institutionele vernieuwing en economische groei na 1945
Nieuwe instituties
politieke veranderingen na 1945
De Tweede Wereldoorlog vormt een keerpunt: einde fascisme en begin van de
Koude Oorlog (±1945-1989).
De wereld raak verdeeld in kapitalistisch blok (Verenigde Staten) en
communistisch blok (Sovjet-Unie).
, Tegelijkertijd: dekolonisatie nieuwe landen ontstaan:
- India (1947).
- Indonesië (1945-1949).
- Algerije (1962).
- 1955: oprichting van de Non-Aligned Movement (initiatief van Jawaharlal
Nehru) landen kiezen geen kant in de Koude Oorlog.
Nieuwe economische inzichten: na de crisis van de jaren ’30 ontstonden twee belangrijke
ideeën
1. Meer internationale samenwerking nodig.
2. Grotere rol van de overheid (niet alleen vertrouwen op de markt/’invisible hand’).
Bretton Woods (1944)
Conferentie in 1944 gebaseerd op ideeën van John Maynard Keynes en Harry Dexter
White drie belangrijkste pijlers:
1. Monetair systeem Bretton Woods-stelsel:
- Vaste wisselkoersen (tot 1971).
- Dollar = reservevaluta (gekoppeld aan goud).
- Stabiliteit bevordert handel en investeringen.
- Instellingen: Internationaal Monetair Fonds (IMF) helpt bij
betalingsbalansproblemen.
- Einde in 1971: president Richard Nixon stopt goudkoppeling en is er een
overgang naar zwevende wissenkoersen gevolg: meer kapitaalstromen
(‘flitskapitaal’) en grotere kans op financiële crisis.
2. Economische groei Wereldbank (IBRD, International Bank of Reconstruction and
Development):
- Geeft lange termijn leningen voor infrastructuur en industrialisatie.
3. Internationale handel GATT (General Agreement on Tariffs and Trade, vanaf
1948, later WTO):
- Doel: verminderen van protectionisme.
- Belangrijke principes:
o Wederkerigheid: landen openen markten voor elkaar.
o Non-discriminatie: most favoured nation-principe en nationale
behandeling.
- Resultaat: lagere invoertarieven en groei van globalisering.
- In 1995: Wereldhandelsorganisatie (WTO) permanente organisatie.
Denken over ontwikkelingssamenwerking
Rol van de Wereldbank: versterkt langetermijnleningen gericht op economische
ontwikkeling.
Moderniseringstheorie (Walt Whitman Rostow, 1960): model met 5 fasen van
economische groei.
- Take-off: begin van duurzame groei.
- Idee: ontwikkelingslanden kunnen westers pad volgen.
Kritiek: dependenciatheorie (jaren ’70-’80) ook wel: structuralisme.
- Kernidee: arme landen afhankelijk van rijke landen dit heet neokolonialisme.
- Oplossing: importsubstitutie zelf produceren in plaats van importeren.
- Probleem: binnenlandse markt vaak te klein.
Nieuwe inzichten (vanaf jaren ’80): focus op instituties (eigendomsrechten,
contacten) en good governance (goed bestuur, weinig corruptie).
Debat over kolonialisme: de vraag of kolonialisme schadelijk of nuttig was.
- Theorie van Daron Acemoglu, Simon Johnson en James A. Robinson.
- Reversal of fortune:
o Rijke gebieden vóór kolonisatie vaak afgeremd.
o Arme gebieden soms juist ontwikkeld.
Tomeloze groei in de wereldeconomie, 1945-1973