Internationaal belastingrecht en dividendbelasting
Week 8 – Dividend, interest, royalty’s
Artikel 8 OESO Mv – International Shipping & Air Transport
• 1. Profits of an enterprise of a Contracting State from the operation of ships or aircraft in international
traffic shall be taxable only in that State.
o Artikel 8 is een vreemde eend in de wei.
o Dit artikel wijkt enorm af, want de hoofdregel van artikel 7 is exclusieve woonstaatheffing voor
ondernemingen, tenzij er een VI is in een andere staat. En wordt in de staat van VI belast voor zover
winst toerekenbaar is aan die VI.
o Hier staat exclusieve woonstaatheffing (Profits of an enterprise of a Contracting State) en artikel 3
lid 1 OESO Mv zegt dat een ‘enterprise of a Contracting State’ een ‘enterprise conducted by a
resident of a Contracting State’ is.
o Exclusieve woonstaatheffing: in de Magazine van KLM zie je allemaal bestemmingen van de wereld,
dat zijn allemaal VI’s, als je artikel 5 OESO Mv daarop toepast.
▪ VB: vestiging van KLM in Seoel of Kuala Lumpur. Het is een loods die ze daar in eigendom
hebben, of huurt waar mensen zijn. Dus hoe je ook ernaar kijkt, zijn het geen
voorbereidende of hulpwerkzaamheden, maar core business van luchtvaartmaatschappij,
dus een VI.
▪ Waarom zonderen we dan Ships of Aircraft in internationaal verkeer uit van de algemene
regel?
□ Omdat dat hoogst onpraktisch werd geacht om dat via dezelfde systematiek te doen
als met artikel 7 met een VI. Stel je voor, al die lijntjes in de Magazine, al die
VI’s/bestemmingen, allemaal kleine stukjes winst toerekening o.b.v. de
zelfstandigheidsfictie.
□ En ‘hoe’ was ook een probleem dat werd ervaren. Hoe ga je winst toerekenen als het
vliegtuig hier opstijgt en een stuk in de internationale luchtruim gaat zitten en
vervolgens bij die VI terechtkomt? Hoe ga je met die winstverdeling om?
• Oplossing: exclusieve woonstaatheffing. Waarom zou je dat doen als een
mogelijke VI-staat? Alleen maar o.b.v. reciprociteit. Als je eigen
luchtvaartmaatschappij in het buitenland niet belast worden, en vind je ook
niet zo erg om de buitenlandse luchtvaartmaatschappij in je land onbelast te
laten. Dus heel praktische regel.
o Begrip ‘international traffic’: HR heeft hier afgelopen 2/3 jaar uitspraak over gedaan, wat de
interpretatie hiervan is. Bij bemanningsleden van schepen en luchtvaarttuigen wordt het uitgelegd
als verhuurd van goederen of personen in het internationale verkeer.
▪ VB van wat niet onder valt: overbrenging van een schip/vliegtuig vanaf de plek waar het
schip is gebouwd naar de plek in Nederland waaruit het schip zou worden geëxploiteerd.
Het vervoer van kale schip nog voordat het de functie vervult, valt niet onder dit begrip. Dan
is artikel 8 niet van toepassing op de winst van de reder en artikel 15 is niet van toepassing
op de bemanningslid dat aan boord van het schip overbrengt.
• Vóór (Model van) 2017:
o 1. Profits from the operation of ships or aircraft in international traffic shall be taxable only in the
Contracting State in which the place of effective management of the enterprise is situated.
▪ KLM werd destijds overgenomen door Air France.
▪ In deze oude tekst ging het helemaal niet om de woonplaats/vestigingsplaats van de
onderneming die gedreven werd. Maar het ging om ‘place of effective management of the
enterprise’, de plaats van werkelijke leiding van de onderneming te bepalen. Dus kon best
, zijn dat KLM NV die naar Nederlands recht is opgericht, maar het is goed denkbaar dat met
overname door Air France uiteindelijk de luchtvaartonderneming wordt geleid vanuit Parijs.
□ Die transactie werd uit onderhandeld tussen Air France en KLM en bedoeling was
dat KLM werd overgenomen. En de minister van Financiën was doodsbang dat als de
‘effective management of the enterprise’ is Parijs zou zijn na de overname,
Nederland helemaal niet meer zou kunnen heffen over de winst van KLM.
Nederlandse staat heeft echter nog een prioriteitsaandeel in KLM en dat is heel
belangrijk, en Air France wilde dat heel graag hebben. Dus minister kon als beste op
de prioriteitsaandeel blijven zitten, net zolang hij zijn zin heeft gekregen. Er werd
paar weken onderhandeld met advocaten van Air France, om te kijken of onder de
bepalingen van MAP, het verdrag Nederland – Frankrijk de feiten zo konden duiden
dat voor toepassing van verdrag tussen Nederland en Frankrijk, de werkelijke leiding
van de enterprise, in Amstelveen geacht werd te zijn. Dat lukte niet, door overigens
Pascal Saint-Amans, die destijds bij ministerie van Financiën in Parijs werkte, en
later de fiscale baas van de OESO werd, die hadden daar geen trek in. Dus weer naar
Den Haag: verdrag moest worden gewijzigd. Er vond een overleg plaats in Luxemburg
tussen Nederland en Frankrijk.
▪ Vgl. Verdrag NL-FR, Protocol 2004, Art. 1/VI: KLM-bepaling
□ Als je nu kijkt naar Protocol op het verdrag met Frankrijk, zie je daar iets heel geks.
Naam van KLM wordt genoemd en er staat dat wat er ook gebeurt en welke
reorganisatie er ook plaatsvindt, die winst die toerekenbaar is aan alle
ondernemingen van KLM altijd in Nederland belast kan zijn, helemaal in afwijking
van wat in het verdrag staat.
Artikel 10 – Dividends (grensoverschrijdende)
• Lid 1: Woonstaat mag heffen (‘may be taxed’)
o Dividenden uit lichaam/vennootschappen, die inwoner is van een van de staten aan een inwoner
van andere staat, mag in die andere staat worden belast, dus in woonstaat van aandeelhouder.
• Lid 2: Beperkte bronstaatheffing voor beneficial owner
o 5% in het geval van deelnemingsdividenden en 15% van beleggingsdividenden mag in de bronstaat
worden ingehouden, daarover mag worden geheven. Het doet er niet toe of dat van wijze van
inhouding is of op andere manier.
• Lid 3: Definitie (let op afwijkingen)
• Lid 4: Dividend toerekenbaar (‘effectively connected’) aan vaste inrichting in staat uitkerende vennootschap
• Lid 5: Verbod extraterritoriale heffing
Artikel 10, lid 2 – Beperkte bronstaatheffing
• M.i.v. 2017: 365 dagen houdsterperiode voor ‘deelnemingsdividend’
o Wat in heel veel van onze geldende belastingverdragen niet voorkomt, is die 365 dagen
houdsterperiode. Maar wel de eis dat de aandeelhouder ten minste 25% moet hebben van het
kapitaal en een lichaam is.
o Als de aandeelhouder die uiteindelijke gerechtigde is een company is (zoals gedefinieerd in artikel
3), dan gaat die bronheffing in bronstaat terug naar 5%.
o In alle andere gevallen 15%.
• Vermindering voor de beneficial owner van het dividend
o Dus vennootschap gevestigd in een staat, en dividend uitgekeerd aan inwoner van andere staat. De
woonstaat van ontvanger van dividend mag belasten, maar de bronstaat mag ook belasten. De
bronstaat is beperkt in de heffing in het geval dat sprake is van ‘beneficial owner van het dividend’.
, ▪ Beneficial owner van het dividend hoeft geen aandeelhouder te zijn, maar vaak wel het
geval.
o Vermindering van 5%
• Comm: 12. The requirement of beneficial ownership was introduced in paragraph 2 of Article 10 to clarify
the meaning of the words “paid ... to a resident” as they are used in paragraph 1 of the Article. It makes plain
that the State of source is not obliged to give up taxing rights over dividend income merely because that
income was paid direct to a resident of a State with which the State of source had concluded a convention.
Beneficial owner - interpretatie
• Begrip is niet gedefinieerd in het verdrag
o Het begrip ‘beneficial owner’ is gedefinieerd in onze Nederlandse belastingwet. Maar de vraag is
hoe je dit begrip ‘beneficial owner’ voor verdragstoepassing moet interpreteren. Het begrip is niet
gedefinieerd in het verdrag.
▪ We hebben hier dus een ontvanger van dividend in de ene verdragsstaat, die ontvangt
dividend uit een andere verdragsstaat.
□ VB: Nederland is de verdragsstaat van de uitkerende vennootschap en de ontvanger
van dividend in de andere verdragsstaat. Voor de vermindering van bronheffing naar
15% (5% in geval van deelnemingsdividend), hoe bepaal je of de buitenlandse
ontvanger van dat dividend of die de beneficial owner, de uiteindelijke gerechtigde
van dat dividend is.
• Dus interpretatie naar nationaal recht, tenzij de context anders vereist (artikel 3 lid 2 OECD MC)
o Ga je dan via artikel 3 lid 2 naar de Nederlandse bepaling (elke term die in het verdrag niet
gedefinieerd is, wordt uitgelegd naar de rechten van het staat die je in het verdrag toepast, tenzij de
context anders vereist). Of ga je dat autonoom interpreteren?
▪ De Nederlandse staatssecretaris van Financiën is heel duidelijk: artikel 3 lid 2, dus
Nederlandse recht regeert. Dat maakt nogal wat uit, onder de DB is zelfs verkrijging van
enkele coupon/recht op dividend door een persoon gelijkgesteld met samenstel van
rechtshandelingen. En als degene die de coupon heeft gekocht in een gunstiger
verdragssituatie is dan degene die coupon (recht op dividend) heeft verkocht, dan zou naar
Nederlandse interpretatie geen recht op vermindering naar dat verdragstarief zijn. Er is geen
sprake van uiteindelijke gerechtigde. Terwijl als je kijkt naar het Commentaar op artikel 10 lid
2, staat duidelijk dat enkele verwerving van coupon, dan kan je het beste uiteindelijke
gerechtigde daarvan zijn.
o Dus vraag is: met zo’n begrip dat niet gedefinieerd is in het verdrag (dat hier prangend naar voren
komt), ga je dat definiëren naar nationaal recht of is dit zo’n geval waarin de context anders vereist?
En wordt die context bepaald door wat het Commentaar zegt?
• Vgl. discussie Oliver/DuToit/Libin/Van Weeghel: particular treaty meaning?
• OESO: “Agents and nominees excluded”
• Hoge Raad in BNB 1994/217
• Nederlandse wetgever
Overwegingen marketmaker-arrest
• Lang voordat de negatieve definitie van het begrip ‘uiteindelijke gerechtigde’ in onze wet terechtkwam, dit
was een casus waarin een inwoner van Luxemburg aandelen in koninklijke olie had, namelijk Shell, toen
nog een Nederlandse NV. Dus er was een aandeelhouder in Luxemburg, die aandelen in een Nederlandse
NV had, en die Nederlandse NV keert dividenden uit. Die aandeelhouder is in Luxemburg niet onderworpen
aan de Luxemburgse belasting en kan geen bescherming ontlenen aan het Luxemburgse verdrag, daar staat
een antimisbruikbepaling in. Destijds was de DB nog 25%. Dus de Nederlandse NV keert de dividend uit
, aan de aandeelhouder in Luxemburg, dat zou 25% kosten. Die kan die Luxemburgse aandeelhouder niet
verrekenen of aftrekken, kan er niets mee.
o Maar er is ook een Marketmaker, iewmand die professioneel handelt in aandelen/opties in Engeland
en zegt dat dat geen probleem is, dat hij het dividendrecht wel koopt nadat het dividend is
vastgesteld door de aandeelhouders, maar voordat dat is uitgekeerd. Dus we hebben een lichaam
in de VK, dat inwoner is van de VK voor het toepassing van Verdrag Nederland – VK, die koopt dat
dividendbewijs en incasseert vervolgens het dividend, Koninklijke olie houdt 25% in en de
betrokkene claimt 10% terug, want artikel 10 lid 2 sub b zegt dat 15% het max is.
▪ Inspecteur: nee, u bent niet de uiteindelijke gerechtigde, u handelt als vertegenwoordiger
van Luxemburg. Overigens was de koopprijs voor dat dividend niet 75%/85% van het
dividend, maar rond 80%.
• HR 6 april 1994, BNB 1994/217: “Belanghebbende (Engelse marketmaker) is door aankoop eigenaar
geworden van de dividendbewijzen. In cassatie kan voorts ervan worden uitgegaan dat belanghebbende na
de aankoop vrijelijk over die dividendbewijzen en, na omwisseling, over de ontvangen uitkeringen kon
beschikken, en bij het inwisselen van de bewijzen niet als zaakwaarnemer of lasthebber optrad. Onder deze
omstandigheden is belanghebbende aan te merken als de uiteindelijke gerechtigde tot de dividenden.”
o Dat de dividendbewijzen zijn gekocht na declaratie van het dividend acht de HR niet van belang.
BNB 1994/217
• Hof: nu belanghebbende een aantal vorderingen uit dividenduitkeringen die geheel vaststonden en over
enkele dagen tot uitkering zouden komen, heeft gekocht, is belanghebbende niet de uiteindelijk
gerechtigde.
• Hoge Raad: Belanghebbende is door aankoop eigenaar geworden van de dividendbewijzen. Na de aankoop
kon belanghebbende vrijelijk over die dividendbewijzen en, na inwisseling, over de ontvangen uitkeringen
beschikken, en bij het inwisselen van de bewijzen trad hij niet als zaakwaarnemer of lasthebber op.
o Onder deze omstandigheden is belanghebbende aan te merken als de uiteindelijk gerechtigde tot
de dividenden. De eis dat belanghebbende, toen zij de dividendbewijzen inwisselde, eigenaar van
de onderliggende aandelen zou moeten zijn, wordt in het Verdrag niet gesteld.
▪ De ‘beneficial owner of the dividends’, dus niet de ‘beneficial owner of the shares’.
▪ Het enkele verwerven van dividendbewijzen is voldoende.
o Voorts is niet van belang dat belanghebbende de dividendbewijzen kocht toen het dividend al
gedeclareerd was, daar de vraag wie de uiteindelijk gerechtigde tot het dividend is, niet dient te
worden beoordeeld naar het tijdstip waarop het dividend wordt gedeclareerd, doch naar het tijdstip
waarop het dividend ter beschikking wordt gesteld.
▪ Inspecteur had namelijk gesteld dat als je geen aandeelhouder bent, je al helemaal geen
uiteindelijke gerechtigde van dividenden kan zijn. Het enkele koop van het recht, het enkele
bezit van het recht op dividenden is onvoldoende.
Definitie ‘uiteindelijk gerechtigde’
• Artikel 4, lid 7 Wet DB 1965
• Vraag: werkt deze bepaling door naar onze belastingverdragen? Moet daarbij een onderscheid worden
gemaakt tussen onze verdragen van vóór de wijziging en die erna? Vereist de context anders?
• Er is duidelijk spanning tussen artikel 4, lid 7 en het Commentaar
• We weten niet goed wat de stand van zaken is. We hebben het Marketmaker-arrest van de HR, HR zei dat
het zijn van uiteindelijke gerechtigde voldoende is dat je rechthebbende bent op dividend, hoeft geen
aandeelhouder te zijn.
• Daarna is de wetgever gekomen met een negatieve definitie van ‘uiteindelijke gerechtigde’. En in de
Nederlandse bepaling staat heel duidelijk enkele verwerving van de coupon wordt gelijkgesteld met een
Week 8 – Dividend, interest, royalty’s
Artikel 8 OESO Mv – International Shipping & Air Transport
• 1. Profits of an enterprise of a Contracting State from the operation of ships or aircraft in international
traffic shall be taxable only in that State.
o Artikel 8 is een vreemde eend in de wei.
o Dit artikel wijkt enorm af, want de hoofdregel van artikel 7 is exclusieve woonstaatheffing voor
ondernemingen, tenzij er een VI is in een andere staat. En wordt in de staat van VI belast voor zover
winst toerekenbaar is aan die VI.
o Hier staat exclusieve woonstaatheffing (Profits of an enterprise of a Contracting State) en artikel 3
lid 1 OESO Mv zegt dat een ‘enterprise of a Contracting State’ een ‘enterprise conducted by a
resident of a Contracting State’ is.
o Exclusieve woonstaatheffing: in de Magazine van KLM zie je allemaal bestemmingen van de wereld,
dat zijn allemaal VI’s, als je artikel 5 OESO Mv daarop toepast.
▪ VB: vestiging van KLM in Seoel of Kuala Lumpur. Het is een loods die ze daar in eigendom
hebben, of huurt waar mensen zijn. Dus hoe je ook ernaar kijkt, zijn het geen
voorbereidende of hulpwerkzaamheden, maar core business van luchtvaartmaatschappij,
dus een VI.
▪ Waarom zonderen we dan Ships of Aircraft in internationaal verkeer uit van de algemene
regel?
□ Omdat dat hoogst onpraktisch werd geacht om dat via dezelfde systematiek te doen
als met artikel 7 met een VI. Stel je voor, al die lijntjes in de Magazine, al die
VI’s/bestemmingen, allemaal kleine stukjes winst toerekening o.b.v. de
zelfstandigheidsfictie.
□ En ‘hoe’ was ook een probleem dat werd ervaren. Hoe ga je winst toerekenen als het
vliegtuig hier opstijgt en een stuk in de internationale luchtruim gaat zitten en
vervolgens bij die VI terechtkomt? Hoe ga je met die winstverdeling om?
• Oplossing: exclusieve woonstaatheffing. Waarom zou je dat doen als een
mogelijke VI-staat? Alleen maar o.b.v. reciprociteit. Als je eigen
luchtvaartmaatschappij in het buitenland niet belast worden, en vind je ook
niet zo erg om de buitenlandse luchtvaartmaatschappij in je land onbelast te
laten. Dus heel praktische regel.
o Begrip ‘international traffic’: HR heeft hier afgelopen 2/3 jaar uitspraak over gedaan, wat de
interpretatie hiervan is. Bij bemanningsleden van schepen en luchtvaarttuigen wordt het uitgelegd
als verhuurd van goederen of personen in het internationale verkeer.
▪ VB van wat niet onder valt: overbrenging van een schip/vliegtuig vanaf de plek waar het
schip is gebouwd naar de plek in Nederland waaruit het schip zou worden geëxploiteerd.
Het vervoer van kale schip nog voordat het de functie vervult, valt niet onder dit begrip. Dan
is artikel 8 niet van toepassing op de winst van de reder en artikel 15 is niet van toepassing
op de bemanningslid dat aan boord van het schip overbrengt.
• Vóór (Model van) 2017:
o 1. Profits from the operation of ships or aircraft in international traffic shall be taxable only in the
Contracting State in which the place of effective management of the enterprise is situated.
▪ KLM werd destijds overgenomen door Air France.
▪ In deze oude tekst ging het helemaal niet om de woonplaats/vestigingsplaats van de
onderneming die gedreven werd. Maar het ging om ‘place of effective management of the
enterprise’, de plaats van werkelijke leiding van de onderneming te bepalen. Dus kon best
, zijn dat KLM NV die naar Nederlands recht is opgericht, maar het is goed denkbaar dat met
overname door Air France uiteindelijk de luchtvaartonderneming wordt geleid vanuit Parijs.
□ Die transactie werd uit onderhandeld tussen Air France en KLM en bedoeling was
dat KLM werd overgenomen. En de minister van Financiën was doodsbang dat als de
‘effective management of the enterprise’ is Parijs zou zijn na de overname,
Nederland helemaal niet meer zou kunnen heffen over de winst van KLM.
Nederlandse staat heeft echter nog een prioriteitsaandeel in KLM en dat is heel
belangrijk, en Air France wilde dat heel graag hebben. Dus minister kon als beste op
de prioriteitsaandeel blijven zitten, net zolang hij zijn zin heeft gekregen. Er werd
paar weken onderhandeld met advocaten van Air France, om te kijken of onder de
bepalingen van MAP, het verdrag Nederland – Frankrijk de feiten zo konden duiden
dat voor toepassing van verdrag tussen Nederland en Frankrijk, de werkelijke leiding
van de enterprise, in Amstelveen geacht werd te zijn. Dat lukte niet, door overigens
Pascal Saint-Amans, die destijds bij ministerie van Financiën in Parijs werkte, en
later de fiscale baas van de OESO werd, die hadden daar geen trek in. Dus weer naar
Den Haag: verdrag moest worden gewijzigd. Er vond een overleg plaats in Luxemburg
tussen Nederland en Frankrijk.
▪ Vgl. Verdrag NL-FR, Protocol 2004, Art. 1/VI: KLM-bepaling
□ Als je nu kijkt naar Protocol op het verdrag met Frankrijk, zie je daar iets heel geks.
Naam van KLM wordt genoemd en er staat dat wat er ook gebeurt en welke
reorganisatie er ook plaatsvindt, die winst die toerekenbaar is aan alle
ondernemingen van KLM altijd in Nederland belast kan zijn, helemaal in afwijking
van wat in het verdrag staat.
Artikel 10 – Dividends (grensoverschrijdende)
• Lid 1: Woonstaat mag heffen (‘may be taxed’)
o Dividenden uit lichaam/vennootschappen, die inwoner is van een van de staten aan een inwoner
van andere staat, mag in die andere staat worden belast, dus in woonstaat van aandeelhouder.
• Lid 2: Beperkte bronstaatheffing voor beneficial owner
o 5% in het geval van deelnemingsdividenden en 15% van beleggingsdividenden mag in de bronstaat
worden ingehouden, daarover mag worden geheven. Het doet er niet toe of dat van wijze van
inhouding is of op andere manier.
• Lid 3: Definitie (let op afwijkingen)
• Lid 4: Dividend toerekenbaar (‘effectively connected’) aan vaste inrichting in staat uitkerende vennootschap
• Lid 5: Verbod extraterritoriale heffing
Artikel 10, lid 2 – Beperkte bronstaatheffing
• M.i.v. 2017: 365 dagen houdsterperiode voor ‘deelnemingsdividend’
o Wat in heel veel van onze geldende belastingverdragen niet voorkomt, is die 365 dagen
houdsterperiode. Maar wel de eis dat de aandeelhouder ten minste 25% moet hebben van het
kapitaal en een lichaam is.
o Als de aandeelhouder die uiteindelijke gerechtigde is een company is (zoals gedefinieerd in artikel
3), dan gaat die bronheffing in bronstaat terug naar 5%.
o In alle andere gevallen 15%.
• Vermindering voor de beneficial owner van het dividend
o Dus vennootschap gevestigd in een staat, en dividend uitgekeerd aan inwoner van andere staat. De
woonstaat van ontvanger van dividend mag belasten, maar de bronstaat mag ook belasten. De
bronstaat is beperkt in de heffing in het geval dat sprake is van ‘beneficial owner van het dividend’.
, ▪ Beneficial owner van het dividend hoeft geen aandeelhouder te zijn, maar vaak wel het
geval.
o Vermindering van 5%
• Comm: 12. The requirement of beneficial ownership was introduced in paragraph 2 of Article 10 to clarify
the meaning of the words “paid ... to a resident” as they are used in paragraph 1 of the Article. It makes plain
that the State of source is not obliged to give up taxing rights over dividend income merely because that
income was paid direct to a resident of a State with which the State of source had concluded a convention.
Beneficial owner - interpretatie
• Begrip is niet gedefinieerd in het verdrag
o Het begrip ‘beneficial owner’ is gedefinieerd in onze Nederlandse belastingwet. Maar de vraag is
hoe je dit begrip ‘beneficial owner’ voor verdragstoepassing moet interpreteren. Het begrip is niet
gedefinieerd in het verdrag.
▪ We hebben hier dus een ontvanger van dividend in de ene verdragsstaat, die ontvangt
dividend uit een andere verdragsstaat.
□ VB: Nederland is de verdragsstaat van de uitkerende vennootschap en de ontvanger
van dividend in de andere verdragsstaat. Voor de vermindering van bronheffing naar
15% (5% in geval van deelnemingsdividend), hoe bepaal je of de buitenlandse
ontvanger van dat dividend of die de beneficial owner, de uiteindelijke gerechtigde
van dat dividend is.
• Dus interpretatie naar nationaal recht, tenzij de context anders vereist (artikel 3 lid 2 OECD MC)
o Ga je dan via artikel 3 lid 2 naar de Nederlandse bepaling (elke term die in het verdrag niet
gedefinieerd is, wordt uitgelegd naar de rechten van het staat die je in het verdrag toepast, tenzij de
context anders vereist). Of ga je dat autonoom interpreteren?
▪ De Nederlandse staatssecretaris van Financiën is heel duidelijk: artikel 3 lid 2, dus
Nederlandse recht regeert. Dat maakt nogal wat uit, onder de DB is zelfs verkrijging van
enkele coupon/recht op dividend door een persoon gelijkgesteld met samenstel van
rechtshandelingen. En als degene die de coupon heeft gekocht in een gunstiger
verdragssituatie is dan degene die coupon (recht op dividend) heeft verkocht, dan zou naar
Nederlandse interpretatie geen recht op vermindering naar dat verdragstarief zijn. Er is geen
sprake van uiteindelijke gerechtigde. Terwijl als je kijkt naar het Commentaar op artikel 10 lid
2, staat duidelijk dat enkele verwerving van coupon, dan kan je het beste uiteindelijke
gerechtigde daarvan zijn.
o Dus vraag is: met zo’n begrip dat niet gedefinieerd is in het verdrag (dat hier prangend naar voren
komt), ga je dat definiëren naar nationaal recht of is dit zo’n geval waarin de context anders vereist?
En wordt die context bepaald door wat het Commentaar zegt?
• Vgl. discussie Oliver/DuToit/Libin/Van Weeghel: particular treaty meaning?
• OESO: “Agents and nominees excluded”
• Hoge Raad in BNB 1994/217
• Nederlandse wetgever
Overwegingen marketmaker-arrest
• Lang voordat de negatieve definitie van het begrip ‘uiteindelijke gerechtigde’ in onze wet terechtkwam, dit
was een casus waarin een inwoner van Luxemburg aandelen in koninklijke olie had, namelijk Shell, toen
nog een Nederlandse NV. Dus er was een aandeelhouder in Luxemburg, die aandelen in een Nederlandse
NV had, en die Nederlandse NV keert dividenden uit. Die aandeelhouder is in Luxemburg niet onderworpen
aan de Luxemburgse belasting en kan geen bescherming ontlenen aan het Luxemburgse verdrag, daar staat
een antimisbruikbepaling in. Destijds was de DB nog 25%. Dus de Nederlandse NV keert de dividend uit
, aan de aandeelhouder in Luxemburg, dat zou 25% kosten. Die kan die Luxemburgse aandeelhouder niet
verrekenen of aftrekken, kan er niets mee.
o Maar er is ook een Marketmaker, iewmand die professioneel handelt in aandelen/opties in Engeland
en zegt dat dat geen probleem is, dat hij het dividendrecht wel koopt nadat het dividend is
vastgesteld door de aandeelhouders, maar voordat dat is uitgekeerd. Dus we hebben een lichaam
in de VK, dat inwoner is van de VK voor het toepassing van Verdrag Nederland – VK, die koopt dat
dividendbewijs en incasseert vervolgens het dividend, Koninklijke olie houdt 25% in en de
betrokkene claimt 10% terug, want artikel 10 lid 2 sub b zegt dat 15% het max is.
▪ Inspecteur: nee, u bent niet de uiteindelijke gerechtigde, u handelt als vertegenwoordiger
van Luxemburg. Overigens was de koopprijs voor dat dividend niet 75%/85% van het
dividend, maar rond 80%.
• HR 6 april 1994, BNB 1994/217: “Belanghebbende (Engelse marketmaker) is door aankoop eigenaar
geworden van de dividendbewijzen. In cassatie kan voorts ervan worden uitgegaan dat belanghebbende na
de aankoop vrijelijk over die dividendbewijzen en, na omwisseling, over de ontvangen uitkeringen kon
beschikken, en bij het inwisselen van de bewijzen niet als zaakwaarnemer of lasthebber optrad. Onder deze
omstandigheden is belanghebbende aan te merken als de uiteindelijke gerechtigde tot de dividenden.”
o Dat de dividendbewijzen zijn gekocht na declaratie van het dividend acht de HR niet van belang.
BNB 1994/217
• Hof: nu belanghebbende een aantal vorderingen uit dividenduitkeringen die geheel vaststonden en over
enkele dagen tot uitkering zouden komen, heeft gekocht, is belanghebbende niet de uiteindelijk
gerechtigde.
• Hoge Raad: Belanghebbende is door aankoop eigenaar geworden van de dividendbewijzen. Na de aankoop
kon belanghebbende vrijelijk over die dividendbewijzen en, na inwisseling, over de ontvangen uitkeringen
beschikken, en bij het inwisselen van de bewijzen trad hij niet als zaakwaarnemer of lasthebber op.
o Onder deze omstandigheden is belanghebbende aan te merken als de uiteindelijk gerechtigde tot
de dividenden. De eis dat belanghebbende, toen zij de dividendbewijzen inwisselde, eigenaar van
de onderliggende aandelen zou moeten zijn, wordt in het Verdrag niet gesteld.
▪ De ‘beneficial owner of the dividends’, dus niet de ‘beneficial owner of the shares’.
▪ Het enkele verwerven van dividendbewijzen is voldoende.
o Voorts is niet van belang dat belanghebbende de dividendbewijzen kocht toen het dividend al
gedeclareerd was, daar de vraag wie de uiteindelijk gerechtigde tot het dividend is, niet dient te
worden beoordeeld naar het tijdstip waarop het dividend wordt gedeclareerd, doch naar het tijdstip
waarop het dividend ter beschikking wordt gesteld.
▪ Inspecteur had namelijk gesteld dat als je geen aandeelhouder bent, je al helemaal geen
uiteindelijke gerechtigde van dividenden kan zijn. Het enkele koop van het recht, het enkele
bezit van het recht op dividenden is onvoldoende.
Definitie ‘uiteindelijk gerechtigde’
• Artikel 4, lid 7 Wet DB 1965
• Vraag: werkt deze bepaling door naar onze belastingverdragen? Moet daarbij een onderscheid worden
gemaakt tussen onze verdragen van vóór de wijziging en die erna? Vereist de context anders?
• Er is duidelijk spanning tussen artikel 4, lid 7 en het Commentaar
• We weten niet goed wat de stand van zaken is. We hebben het Marketmaker-arrest van de HR, HR zei dat
het zijn van uiteindelijke gerechtigde voldoende is dat je rechthebbende bent op dividend, hoeft geen
aandeelhouder te zijn.
• Daarna is de wetgever gekomen met een negatieve definitie van ‘uiteindelijke gerechtigde’. En in de
Nederlandse bepaling staat heel duidelijk enkele verwerving van de coupon wordt gelijkgesteld met een