Tijdsduur: 2 uur 45 minuten
Aantal punten: 100 studiepunten
Structuur: 21 Meerkeuzevragen, 3 Open vragen
DEEL 1: MEERKEUZEVRAGEN
Vraag 1 (HC2a - EOQ & Schaalvoordelen)
Een regionale groothandel gebruikt de deterministische EOQ-formule om de optimale
inkooppartij te bepalen. Door een plotselinge, permanente verschuiving in de markt
vertienvoudigt (factor 10) de jaarlijkse vraag naar hun hoofdproduct. De vaste bestelkosten,
inkoopprijs en voorraadkostenpercentages blijven strikt gelijk. Welke impact heeft dit op de
optimale bestelhoeveelheid per order?
A) De bestelhoeveelheid vertienvoudigt (factor 10).
B) De bestelhoeveelheid stijgt met een factor van ongeveer 3.16.
C) De bestelhoeveelheid daalt, omdat het product continu wordt afgenomen.
D) De bestelhoeveelheid verdubbelt.
Vraag 2 (HC2a - Kwantumkortingen)
Bedrijf X analyseert een inkoopcontract met marginale hoeveelheidskortingen
(multibloktarieven). Welke van de onderstaande stappen in het oplossingsalgoritme is uniek
en exclusief voor dit type korting, en wordt niet gebruikt bij een 'all-unit' korting?
A) Het evalueren van lokale optima op de breekpunten.
B) Het stapsgewijs forceren van de ordergrootte naar het eerstvolgende breekpunt.
C) Het minimaliseren van de totale kosten inclusief aanschafkosten.
D) Het berekenen van de vaste verzonken kosten ($V_i$) voor de capaciteit in de duurdere
prijsklassen.
, Vraag 3 (HC2a - Kostenallocatie)
Waarom leidt het toepassen van de basis EOQ-formule bij marginale kortingen
(multibloktarieven) altijd tot een suboptimaal managementadvies?
A) Omdat de gemiddelde kostprijs en holding cost niet constant zijn, maar een gewogen
gemiddelde van alle doorlopen prijsintervallen.
B) Omdat marginale kortingen de vaste bestelkosten (S) beïnvloeden.
C) Omdat leveranciers vaak weigeren naleveringen te doen bij marginale contracten.
D) Omdat de marktvraag in dit model als stochastisch in plaats van deterministisch wordt
beschouwd.
Vraag 4 (HC3 - Onzekerheid & Veiligheidsvoorraad)
Uit historische data van een supermarkt blijkt dat de dagelijkse vraag naar een type koffie
een standaardafwijking heeft van 5 eenheden. De levertijd is exact 4 dagen en kent géén
enkele fluctuatie. Wat is de standaardafwijking van de vraag gedurende de levertijd
($\sigma_{DL}$)?
A) 5 eenheden
B) 10 eenheden
C) 20 eenheden
D) 25 eenheden
Vraag 5 (HC3 - ROP & CSL)
Stelling I: Het Cycle Service Level (CSL) definieert exact de fractie van de totale
eenheidsvraag die direct uit de fysiek beschikbare voorraad kan worden geleverd
(productvullingsgraad).
Stelling II: Bij een continue evaluatie is de onzekerheidsperiode waartegen de
veiligheidsvoorraad moet bufferen uitsluitend de levertijd (L).
A) Beide stellingen zijn waar.
B) Stelling I is waar, stelling II is onwaar.
C) Stelling I is onwaar, stelling II is waar.
D) Beide stellingen zijn onjuist.