Hoofdstuk 5: communicatie in de organisatie
Communicatie= overdracht van verbale en non-verbale informatie tussen 2 of meer mensen
Soorten communicatie:
1. Schriftelijke communicatie
2. Mondelinge communicatie
3. Non-verbale communicatie
Schriftelijke communicatie:
Overdracht van informatie via berichten, verslagen enz.
Digitale communicatie -> handig en snel
------> sociaal isolement, informelere organisatie
Voordelen:
- Onafhankelijk van tijd en plaats mogelijk
- Handig en snel
- Minder papier
- Gemakkelijk te versturen
- Informele organisatie en verbreekt barrières
Nadelen:
- Veel tijd kwijt aan openen van berichten
- Snelle blik -> gebrek aan concentratie
- Minder direct en persoonlijk contact
Mondelinge communicatie:
Door gesprekken tussen mensen die op een directe manier met elkaar in contact staan
Direct en informeel contact -> goede onderlinge relaties
Non-verbale communicatie:
Door middel van houding, gezichtsuitdrukking, gebaren en oogcontact te maken dingen
overbrengen
Is vaak niet bewust
Non-verbale komt niet overeen met verbale? -> twijfelen aan juistheid van de verbale
-----> verwarring
Vormen:
- Intonatie= de stem van een persoon kan variëren
- Lichaamshouding
- Gebaren en motoriek
- Mimiek en oogcontact
Bij schriftelijke communicatie non verbale communicatie toevoegen door emoticons
, Communicatieproces:
1. Reflecteren en actie produceren= het nadenken over een activiteit met als gevolg een
actie
2. Coderen= het vertalen van wat je wilt in woorden of gebaren
Eenzijdige boodschappen= reclameborden, alleen positieve kanten benoemt
Tweezijdige boodschappen= sterkte en zwakke kanten van een product benoemt
3. Medium= manier van het overbrengen van je antwoord, vb telefoon, lucht
4. Decoderen= ontvanger moet boodschap ontcijferen om te kijken wat het betekent
5. Interpreteren= wat wil de zender van mij? Ontvanger interpreteert vanuit eigen
referentiekader
6. Reflecteren en (re)actie produceren= ontvanger denkt na over de boodschap van de
zender
7. Feedback= reactie op de zender
Aspecten van de boodschap= de bedoelingen die een boodschap tegelijkertijd kan aangeven
Soorten:
1. Zakelijk aspect
2. Expressief aspect= hoe een zender zich voelt
3. Relationeel aspect
4. Appellerend aspect= de wens die de boodschap heeft
Watzlawich -> in elke sociale situatie communiceert iemand
Feedback -> hoe iemand de informatie ontvangt en interpreteert
Twee richtingen= face to face communicatie, ziet meteen hoe iemand de informatie
ontvangt en interpreteert
Eenrichtingsverkeer= schriftelijke communicatie
Soorten communicatie in organisaties:
1. Formele communicatie
2. Informele communicatie
Formele communicatie:
Alle communicatie tussen leidinggevende en medewerkers van een organisatie die via vaste
kanalen en overlegstructuren plaatsvindt
Knooppunten= tussenstations van het doorgeven van informatie
-------> indirecte communicatie
Informele communicatie:
Mensen omzeilen de formele weg bij het verspreiden van deze informatie
Grapevines= de informele informatie in een organisatie verspreid zich snel
Soorten grapevines:
1. Eenvoudige ketting= alle betrokkenen geven de informatie door aan een andere
persoon
2. Roddelketting= de informatie wordt vanuit 1 persoon aan iedereen verteld
3. Willekeurige ketting= de informatie wordt willekeurig verspreid
4. Clusterketting= de informatie wordt doorgegeven aan geselecteerde personen die op
het ook weer aan bepaalde mensen vertellen
Communicatie= overdracht van verbale en non-verbale informatie tussen 2 of meer mensen
Soorten communicatie:
1. Schriftelijke communicatie
2. Mondelinge communicatie
3. Non-verbale communicatie
Schriftelijke communicatie:
Overdracht van informatie via berichten, verslagen enz.
Digitale communicatie -> handig en snel
------> sociaal isolement, informelere organisatie
Voordelen:
- Onafhankelijk van tijd en plaats mogelijk
- Handig en snel
- Minder papier
- Gemakkelijk te versturen
- Informele organisatie en verbreekt barrières
Nadelen:
- Veel tijd kwijt aan openen van berichten
- Snelle blik -> gebrek aan concentratie
- Minder direct en persoonlijk contact
Mondelinge communicatie:
Door gesprekken tussen mensen die op een directe manier met elkaar in contact staan
Direct en informeel contact -> goede onderlinge relaties
Non-verbale communicatie:
Door middel van houding, gezichtsuitdrukking, gebaren en oogcontact te maken dingen
overbrengen
Is vaak niet bewust
Non-verbale komt niet overeen met verbale? -> twijfelen aan juistheid van de verbale
-----> verwarring
Vormen:
- Intonatie= de stem van een persoon kan variëren
- Lichaamshouding
- Gebaren en motoriek
- Mimiek en oogcontact
Bij schriftelijke communicatie non verbale communicatie toevoegen door emoticons
, Communicatieproces:
1. Reflecteren en actie produceren= het nadenken over een activiteit met als gevolg een
actie
2. Coderen= het vertalen van wat je wilt in woorden of gebaren
Eenzijdige boodschappen= reclameborden, alleen positieve kanten benoemt
Tweezijdige boodschappen= sterkte en zwakke kanten van een product benoemt
3. Medium= manier van het overbrengen van je antwoord, vb telefoon, lucht
4. Decoderen= ontvanger moet boodschap ontcijferen om te kijken wat het betekent
5. Interpreteren= wat wil de zender van mij? Ontvanger interpreteert vanuit eigen
referentiekader
6. Reflecteren en (re)actie produceren= ontvanger denkt na over de boodschap van de
zender
7. Feedback= reactie op de zender
Aspecten van de boodschap= de bedoelingen die een boodschap tegelijkertijd kan aangeven
Soorten:
1. Zakelijk aspect
2. Expressief aspect= hoe een zender zich voelt
3. Relationeel aspect
4. Appellerend aspect= de wens die de boodschap heeft
Watzlawich -> in elke sociale situatie communiceert iemand
Feedback -> hoe iemand de informatie ontvangt en interpreteert
Twee richtingen= face to face communicatie, ziet meteen hoe iemand de informatie
ontvangt en interpreteert
Eenrichtingsverkeer= schriftelijke communicatie
Soorten communicatie in organisaties:
1. Formele communicatie
2. Informele communicatie
Formele communicatie:
Alle communicatie tussen leidinggevende en medewerkers van een organisatie die via vaste
kanalen en overlegstructuren plaatsvindt
Knooppunten= tussenstations van het doorgeven van informatie
-------> indirecte communicatie
Informele communicatie:
Mensen omzeilen de formele weg bij het verspreiden van deze informatie
Grapevines= de informele informatie in een organisatie verspreid zich snel
Soorten grapevines:
1. Eenvoudige ketting= alle betrokkenen geven de informatie door aan een andere
persoon
2. Roddelketting= de informatie wordt vanuit 1 persoon aan iedereen verteld
3. Willekeurige ketting= de informatie wordt willekeurig verspreid
4. Clusterketting= de informatie wordt doorgegeven aan geselecteerde personen die op
het ook weer aan bepaalde mensen vertellen