Hoofdstuk 7 – Regeling
§7.1 – REGELINGEN EN HOMEOSTASE
• Je lichaam houdt allerlei factoren, zoals zuurstof- en glucoseconcentratie, osmotische waarde en
lichaamstemperatuur, rond een normwaarde. Deze zijn niet altijd precies gelijk, maar mogen ook niet te
ver afwijken van de normwaarde= dynamisch evenwicht.
• Een regelkring zorgt ervoor dat de omstandigheden niet te veel schommelen.
• Homeostase: Het handhaven van dit dynamisch evenwicht in het inwendige milieu, een vorm van
zelfregulatie die ervoor zorgt dat een organisme in leven blijft.
In de techniek worden ook regelkringen gebruikt: bijvoorbeeld bij centrale verwarming om de
kamertemperatuur constant te houden. Dit systeem bestaat uit een thermostaat, een verwarmingsketel en
radiatoren, die samen een regelkring vormen met een sensor, controlecentrum en effector (=uitvoerder).
• De thermostaat wordt ingesteld op een normwaarde en meet voortdurend de kamertemperatuur.
• Als de temperatuur onder de normwaarde komt, geeft thermostaat een signaal aan verwarmingsketel.
= (positieve terugkoppeling)
• De verwarmingsketel verwarmt water en stuurt dit naar radiatoren, waardoor de kamer warmer wordt.
• Zodra de normwaarde is bereikt, stopt de thermostaat met signalen sturen en schakelt de ketel uit.
• De radiatoren koelen langzaam af waardoor de temperatuur daalt. (negatieve terugkoppeling)
• De temperatuur zakt weer onder de normwaarde, geeft weer een signaal en slaat ketel opnieuw aan.
• Op die manier blijft de kamertemperatuur min of meer constant.
Bij meercellige organismen hebben de meeste cellen geen direct
contact met het uitwendige milieu (de omgeving), doordat ze worden
omgeven door andere cellen.
• Tussen de cellen van een weefsel zit weefselvloeistof.
Samen met het bloed is weefselvloeistof het inwendige milieu
van een organisme.
• Tussen het inwendige en het uitwendige milieu bevindt zich
ten minste één cellaag.
• De inhoud van darmen, longen en blaas= uitwendige milieu
• Regelkringen in je lichaam zorgen ervoor dat de
omstandigheden in het inwendige milieu niet te veel
veranderen.
§7.2 – HORMONALE REGULATIE
Voor homeostase (= in stand houden van het dynamisch evenwicht) in meercellige organismen is
communicatie tussen de cellen nodig. Deze communicatie gebeurd via signaalstoffen.
• Hormonen zijn signaalstoffen die door cellen van hormoonklieren aan het bloed worden afgegeven.
Via het bloed bereiken ze alle cellen, maar alleen cellen met specifieke receptoren (zintuigcel die prikkel
opvangt en omzet in impuls) reageren= doelwitorganen.
De binding kan een reactie op gang brengen of juist stoppen.
○ Negatieve terugkoppeling: remt proces.
○ Positieve terugkoppeling: stimuleert/versterkt.
De mate van de reactie hangt af van:
• De hormoonconcentratie in het bloed
Ze reguleren vooral geleidelijke processen in het lichaam, zoals groei, stofwisseling en voortplanting.
Omdat hormonen lang in het bloed en weefsels aanwezig blijven, hebben ze langdurige effecten.
, • Het aantal hormoonreceptoren op of in de cellen van het doelwitorgaan.
• ENDOCRIENE KLIEREN: Klieren die direct cellen afgeeft aan bloed zonder afvoerbuis.
De afgifte heet= secretie. Blijft in het intern milieu.
• EXOCRIENE KLIEREN : Klieren met afvoerbuis. De afgifte heet= excretie. Geeft af aan extern milieu.
De meeste hormonen brengen een reactie in de cel op gang door te binden aan receptoren in het cytoplasma
of receptoren in het celmembraan.
1. STEROÏDHORMONEN: vaak gevormd uit cholesterol en hebben eigenschappen van vetten.
○ Kunnen celmembraan van cellen passeren (ze zijn vet oplosbaar)
○ Binden zich aan een receptor in het cytoplasma => hormoonreceptorcomplex -> komt via het
kernporie in het kernplasma en kan dan bepaalde genen in het DNA aan- of uitzetten.
Gen aan => cel eiwitten maken.
2. PEPTIDE- OF EIWITHORMONEN :
○ Kunnen celmembraan van cellen niet passeren (ze zijn goed in water oplosbaar)
○ Binden zich aan een receptor in het celmembraan van de cellen van een doelwitorgaan =>
binnenzijde van het celmembraan wordt een bepaald signaalmolecuul gevormd/geactiveerd=
second messenger -> geeft het signaal in de cel door -> activeert enzym -> geeft af aan
signaalmolecuul -> specifieke reactie op gang brengen in cytoplasma of aanzetten tot genregulatie.
Soms wordt het signaal versterkt doordat één hormoon veel moleculen in de cel activeert. Dit doorgeven van
signalen in meerde signalen heet een signaalcascade.
Hormoonstelsel bestaat uit een aantal hormoonklieren.
Hypofyse en hypothalamus is een hormoonklier. Deze samen
zorgen voor een verbonden zenuw- en hormoonstelsel.
• HYPOFYSE: midden van je hoofd onder je hersenen.
Bestaat uit een voorkwab en een achterkwab.
○ Produceert hormonen: TSH, FSH & LH,
beïnvloeden werking van andere hormoonklieren.
○ Werkt als een controlecentrum dat hormonen naar de
juiste organen stuurt.
• HYPOTHALAMUS: gedeelte hersenen boven hypofyse.
Bepaalt hoeveel/wanneer de hypofyse hormonen afgeeft.
○ In de hypothalamus worden ADH en oxytocine (neurohormonen) gemaakt= (neurosecretie)
Via de zenuwuitlopers (axonen) worden ze naar de achterkwab vervoerd.
De achterkwab geeft ze dan direct af aan het bloed en komen vrij.
ADH: zorgt voor waterterugname nieren -> minder snel plassen.
Octycine: verbondenheidsgevoel.